ECLI:NL:RBNNE:2026:545

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11826745 BU VERZ 25-1825
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 160 WvW 1994Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen boete voor rijden zonder brandend achterlicht buiten bebouwde kom

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens het rijden zonder brandend achterlicht buiten de bebouwde kom, terwijl de voorverlichting wel brandde. Betrokkene stelde dat hem eerst een waarschuwing was toegezegd en dat de boete daarom onterecht was. Ook werd aangevoerd dat er sprake was van een voortgezette handeling en dat de boete gematigd moest worden.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging niet werd betwist en dat de boete terecht was opgelegd. Uit een aanvullend proces-verbaal bleek dat de controle werd uitgevoerd door studenten onder begeleiding van een verbalisant, die verklaarde dat er geen toezegging was gedaan om geen boete op te leggen voor het defecte achterlicht. De verschillen in tijdstippen van de boetes werden verklaard door de grootschalige verkeerscontrole.

Het verweer dat sprake zou zijn van een voortgezette handeling werd verworpen omdat de gedragingen verschillend waren en afzonderlijke wilsbesluiten betroffen. De kantonrechter zag geen aanleiding tot matiging van de boete en wees het beroep af. Er werd ook geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete voor het rijden zonder brandend achterlicht buiten de bebouwde kom wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 269756647
zaaknummer: 11826745 BU VERZ 25-1825

uitspraak van de kantonrechter van 12 februari 2026

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ’s nachts buiten de bebouwde kom rijden zonder brandend achterlicht, terwijl de voorverlichting wel brandt’, verricht op 17 oktober 2024, om 20:35 uur, aan de De Vonken te Terwispel, gemeente Opsterland, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 29 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: namens de gemachtigde O. van der Meer en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P. Veenstra.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en hij zal het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij werd staande gehouden bij een fuik op een parkeerplaats bij een tankstation, omdat zijn achterlicht het niet deed. Door betrokkene is aangevoerd dat hij dit wist en dat hij toevallig op pleegdatum een afspraak bij de garage had gemaakt om dit te laten repareren. Omdat betrokkene zijn rijbewijs niet kon laten zien bij de staandehouding, heeft hij hiervoor een boete gekregen. Door betrokkene is aangevoerd dat hij van de verbalisant voor het defecte achterlicht enkel een waarschuwing kreeg, omdat hij aan de verbalisant kon laten zien dat hij een afspraak bij de garage had. Toen betrokkene vervolgens naar huis reed, kreeg hij twintig minuten later een telefoontje van een politieagent, waarbij hem werd verteld dat hij plankgas was weggereden en de politie hiervan niet gediend was. Betrokkene heeft aangevoerd dat de politieagent tijdens het telefoongesprek vertelde dat de voorwaardelijke boete werd ingetrokken en betrokkene alsnog een boete kreeg voor het defecte achterlicht. Door gemachtigde is aangevoerd dat het in strijd met het vertrouwensbeginsel is om een boete op te leggen na eerst toe te hebben gezegd dat geen beschikking zou worden opgelegd. Hij verwijst hierbij naar een arrest van het hof van 16 maart 2018. [1] Op de zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat betrokkene in totaal drie boetes op hetzelfde moment en op dezelfde pleeglocatie heeft ontvangen, namelijk voor het niet tonen van een rijbewijs, het veroorzaken van onnodig geluid en de onderhavige boete. Door gemachtigde is aangevoerd dat het bijzonder is dat de tijdstippen van de drie boetes verschillen en dat hieruit blijkt dat er voor onderhavige boete sprake was van een toezegging. Tot slot is door gemachtigde subsidiair verzocht de boete te matigen, omdat er sprake is van een voortgezette handeling.
4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. De vertegenwoordigster heeft de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Kan de gedraging worden vastgesteld?
5. De kantonrechter constateert dat de gedraging, waarvoor onderhavige boete is opgelegd, niet door betrokkene wordt betwist. Gelet op vorenstaande kan de gedraging op basis van de beschikbare gegevens worden vastgesteld. Vervolgens is de vraag, of sprake is van omstandigheden die moeten leiden tot het matigen of achterwege laten van de boete.
Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
6. Door gemachtigde wordt aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat aan betrokkene onderhavige boete is opgelegd, nadat de verbalisant had toegezegd dat betrokkene enkel een waarschuwing zou krijgen. Vlak voor de zitting is langs digitale weg, en herhaald op de zitting, door de vertegenwoordigster een aanvullend proces-verbaal overgelegd van 26 januari 2026 [2] . Hierin verklaart de verbalisant op ambtseed, dat de controle op pleegdatum met behorend tijdstip werd gehouden door studenten die hun eerste grootschalige verkeerscontrole hielden. Hij was het aanspreekpunt en coach s van de studenten bij hun controles. De verbalisant verklaart dat betrokkene op grond van artikel 160 WvW Pro 1994 werd staande gehouden voor het niet tonen van zijn rijbewijs en dat op dat moment nog niet door zijn collega was geconstateerd dat het achterlicht defect was. De verbalisant verklaart, dat hij na de staandehouding telefonisch contact heeft opgenomen met betrokkene. Ten aanzien van het verweer van betrokkene dat hij een voorwaardelijke boete kreeg voor het defecte achterlicht, verklaart de verbalisant dat hij geconstateerd heeft dat betrokkene een defect achterlicht had en dat betrokkene hiervoor vervolgens een proces-verbaal heeft gekregen. De verbalisant verklaart, dat de studenten die betrokken waren bij de staandehouding, geen actie hebben ondernomen inzake het achterlicht, maar dat hij en zijn collega die beslissing wel hebben genomen omdat dit de afspraak was voor wat betreft de verkeerscontrole. De verbalisant verklaart dat hij de student heeft gesproken die de staandehouding heeft verricht en dat deze aangaf geen toezegging te hebben gedaan omtrent een proces-verbaal voor het achterlicht.
6.1.
De kantonrechter is van oordeel dat door gemachtigde onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, omdat aan betrokkene zou zijn toegezegd dat hij de onderhavige boete niet zou krijgen. Hiertoe overweegt hij dat de verbalisant uitgebreid en op ambtsbelofte heeft verklaard dat de verkeerscontrole door studenten werd gedaan en dat betrokkene toen enkel werd staande gehouden voor het niet tonen van zijn rijbewijs, dat de verbalisant ten tijde van de controle als aanspreekpunt en coach werkte en wel constateerde dat het achterlicht defect was, waardoor betrokkene hiervoor alsnog een proces-verbaal kreeg. Daarnaast blijkt uit het aanvullend proces-verbaal dat de verbalisant de student heeft gesproken en dat deze aangaf geen toezegging te hebben gedaan omtrent een voorwaardelijke boete voor het defecte achterlicht. De kantonrechter ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Wat betreft het verweer dat het tijdstip van de boete voor het niet tonen van het rijbewijs en het defecte achterlicht afwijkt van het tijdstip van de boete voor het onnodig geluid veroorzaken, overweegt de kantonrechter dat dit te verklaren is door het feit dat het een grootschalige verkeerscontrole betrof waarbij meerdere boetes werden opgelegd, het invoeren van de boetes tijd kost en betrokkene volgens het dossier de confrontatie opzocht met de studenten. Ten aanzien van het subsidiaire verweer van gemachtigde dat de boete gematigd dient te worden omdat er sprake is van een voorgezette handeling, overweegt de kantonrechter dat hier geen sprake van is, nu de drie gedragingen danig van elkaar verschillen en er sprake is van drie afzonderlijke wilsbesluiten. Dit verweer slaagt dan ook niet.
6.2.
Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat de boete terecht is opgelegd en ziet hij in de door gemachtigde namens betrokkene aangevoerde omstandigheden geen aanleiding de boete te matigen.. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F Sijens, kantonrechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 16 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2524.
2.Bijlage: aanvullend proces-verbaal 26 januari 2026