Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:502

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
LEE 25/4696
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 12 AVGArt. 15 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen niet tijdig beslissen AVG-verzoek bij Veilig Thuis Drenthe

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door Veilig Thuis Drenthe op zijn verzoek om inzage op grond van artikel 15 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De rechtbank beoordeelt of Veilig Thuis Drenthe kwalificeert als bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank oordeelt dat Veilig Thuis Drenthe geen bestuursorgaan is, omdat het geen publiekrechtelijke rechtspersoon is en ook niet beschikt over openbaar gezag om eenzijdig rechtsposities vast te stellen. Hierdoor is er geen sprake van een besluit in de zin van de Awb waarop beroep kan worden ingesteld.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om het beroep te behandelen. Eiser is vrijgesteld van griffierecht en heeft inmiddels een kopie van zijn dossier ontvangen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat Veilig Thuis Drenthe geen bestuursorgaan is, waardoor beroep tegen het niet tijdig beslissen op een AVG-verzoek niet mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4696

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Emmen, eiser

en

Veilig Thuis Drenthe, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 28 augustus 2025. De aanvraag betreft een verzoek om inzage op grond van artikel 15 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG wordt genomen binnen de in artikel 12, derde lid, van de AVG genoemde termijn en geldt, voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan, als een besluit in de zin van de Awb. [2] Indien de beslissing niet is genomen door een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de rechtbank (de civiele rechter) wenden met het verzoek de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG alsnog toe of af te wijzen. [3]
3. De rechtbank moet beoordelen of verweerder een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 van Pro de Awb. Alleen als daarvan sprake is, kan er gesproken worden van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb op basis waarvan verweerder gehouden zou zijn om een besluit te nemen in de zin van het eerste lid van dat artikel. Alleen als sprake is van een besluit in de zin van de Awb, kan beroep worden ingesteld tegen het uitblijven daarvan. [4]
4. Het begrip bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van Pro de Awb kent twee varianten: het ‘a-orgaan’ en het ‘b-orgaan’. De rechtbank moet beoordelen of verweerder onder een van beide varianten valt. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder niet worden aangemerkt als een ‘a-orgaan’, omdat verweerder geen rechtspersoon is die krachtens publiekrecht is ingesteld in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder in deze procedure ook niet aangemerkt kan worden als ‘b-orgaan’. Hiervan is sprake bij ‘een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed’. Onder openbaar gezag in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de bevoegdheid publiekrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, dat wil zeggen de publiekrechtelijke bevoegdheid om eenzijdig de rechtspositie (de rechten en/of plichten) van andere rechtssubjecten vast te stellen. [5] Daarvan is bij verweerder geen sprake. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1 van Pro de Awb.
5. Nu verweerder niet aangemerkt kan worden als een bestuursorgaan, is er ook geen sprake van een aanvraag waarop verweerder gehouden was te beslissen en kan eiser geen beroep instellen tegen het uitblijven daarvan. Eiser is vrijgesteld van het griffierecht, er is daarom geen aanleiding het door eiser betaalde griffierecht terug te betalen. De rechtbank merkt op dat uit de stukken blijkt dat eiser op 16 januari 2026 een kopie van zijn dossier heeft ontvangen.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Op grond van artikel 34 van Pro de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG).
3.Op grond van artikel 35 van Pro de UAVG.
4.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
5.ABRvS 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3070, r.o. 8.