Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:466

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
18-243088-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling zware mishandeling met glasscherp

Op 15 september 2025 heeft verdachte haar partner met een glasscherp in de rechteronderarm gesneden, waarbij een diepe snijwond van 20 centimeter ontstond die 18 hechtingen vereiste en een ader moest worden gehecht. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag, subsidiair van zware mishandeling.

De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat verdachte met kracht heeft gesneden of dat er een aanmerkelijke kans op overlijden was, waardoor zij wordt vrijgesproken van poging tot doodslag. Wel is bewezen dat zij opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, kwalificerend als zware mishandeling.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 315 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, alcoholverbod en dagbesteding. Hierbij is rekening gehouden met het strafblad, de persoon van verdachte, haar medewerking en het reclasseringsadvies.

De straf weerspiegelt de ernst van het feit en de noodzaak tot behandeling van de problematiek van verdachte, waarbij ook de relatie met het slachtoffer en het ontbreken van recidive sinds het incident zijn meegewogen.

De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 20 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 315 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-243088-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I.M. Schaafsma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 15 september 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] met kracht met een glasscherf in zijn rechter onderarm heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 15 september 2025 te Leeuwarden aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met kracht met een glasscherf in zijn rechter onderarm te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 15 september 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met kracht met een glasscherf in zijn rechter onderarm heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte blijkt dat zij een diepe wond van 20 centimeter in de diepste laag van de huid van de arm van het slachtoffer heeft toegebracht.
Snijwonden hebben doorgaans niet een dodelijke afloop maar het is wel afhankelijk welke aders worden geraakt. Gelet op de diepte van de wond kan het niet anders dan dat zij met kracht heeft gesneden en er zijn twee aders geraakt. Daarmee heeft zij voorwaardelijk opzet op zijn dood gehad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het forensisch geneeskundig letselverslag volgt dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. Uit het dossier blijkt evenmin dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Voorts kan het letsel niet gekwalificeerd worden als zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een bewezenverklaring.
Het oordeel van de rechtbank1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Bewijsmiddelen
Verbalisanten kregen op 15 september 2025 opdracht om naar een woning in Leeuwarden te gaan. Ter plaatse gaf de meldster, tevens verdachte, aan hulp nodig te hebben. In de woning troffen verbalisanten [slachtoffer] (verder: slachtoffer) aan. Het slachtoffer had een diepe snee over de gehele lengte van zijn onderarm waaruit bloed bleef stromen. Hij vertelde dat verdachte hem naar aanleiding van een ruzie met een glasscherf in zijn rechter onderarm had gekerfd.2 Het slachtoffer is direct hierna naar het ziekenhuis gebracht en onderzocht door een arts van de spoedeisende hulp.3
Er is, op basis van lichtfotos van het letsel en medische informatie, een forensisch medisch onderzoek verricht door forensisch arts dr. [arts 1] , onder supervisie van forensisch arts drs. ing. [arts 2] . Door de forensisch arts is het volgende beschreven. Op de spoedeisende hulp werd een wond tot in het onderhuidse vetweefsel gezien met een geschatte lengte van ongeveer 20 centimeter. Het letsel van het slachtoffer betreft een snijwond welke overgaat in een krasverwonding. Snijwonden zijn zelden dodelijk, tenzij een groot bloedvat wordt geraakt. Bij het slachtoffer is sprake van oppervlakkig letsel van de huid, onderhuids vetweefsel en onderhuidse oppervlakkige aderen. Dit betreft matig letsel, omdat er geen grote bloedvaten of vitale organen zijn geraakt. Wel was er noodzaak tot medisch ingrijpen. Hierbij is één oppervlakkige ader onderbonden met een hechtdraad en is de huid gesloten met 18 hechtingen. Een snijwond geneest doorgaans binnen 6 weken. Littekens zijn blijvend.4
Verdachte heeft bekend dat zij het slachtoffer eenmaal met een glasscherf in zijn onderarm heeft gesneden. Zij heeft verklaard dat het voelde alsof ze met een mes door de boter ging.5
Partiële vrijspraak
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte het slachtoffer met kracht heeft gesneden. De rechtbank zal verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.
Overweging poging doodslag (primair)
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er bij verdachte sprake was van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte vol opzet had op het overlijden van het slachtoffer.
De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank constateert dat de wond er op het oog zeer ernstig uitziet. De rechtbank neemt echter de bevindingen van de deskundigen over en concludeert dat snijwonden, tenzij een groot bloedvat wordt geraakt, zelden dodelijk zijn. De rechtbank overweegt dat niet is komen vast te staan dat met kracht is gesneden. Het slachtoffer heeft hierover niets verklaard en de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting kan eerder in het tegendeel hebben te gelden dan dat daaruit kan worden afgeleid dat zij met kracht heeft gesneden. Door de deskundigen is hier geen onderzoek naar gedaan. Het betreft bovendien een lange snijwond in de lengte richting van de arm zodat in ieder geval geen vitale organen geraakt zouden kunnen worden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat als gevolg van de gedragingen van verdachte sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
Overweging zware mishandeling (subsidiair)
Wel is de rechtbank van oordeel dat zware mishandeling van het slachtoffer wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsel, te weten een snijwond van 20 centimeter over de gehele lengte van de onderarm waarbij onderhuids vetweefsel zichtbaar was, naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. De ter plaatse gekomen verbalisanten hebben het aangewezen geacht een tourniquet aan te brengen om het bloeden te stoppen. Dat het letsel achteraf bezien door de deskundige uiteindelijk wordt aangeduid als matig letsel doet aan het voorstaande niet af. Immers, medisch ingrijpen was noodzakelijk doordat een oppervlakkige ader moest worden onderbonden met hechtdraad en de huid over een behoorlijke lengte gesloten moest worden met 18 hechtingen. Daarbij komt dat de genezingsduur is geschat op zes weken met een blijvend litteken tot gevolg. Gelet op het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat het letsel naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt en dat verdachte hier voorwaardelijk opzet op had. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
zij op 15 september 2025 te Leeuwarden aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met een glasscherf in zijn rechter onderarm te snijden.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
zware mishandeling.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primaire feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 315 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen vanwege verdachtes belaste verleden, haar meewerkende houding en inzet tijdens de schorsing. De raadsman heeft daarnaast bepleit een voorwaardelijke straf op te leggen om de oplegging van bijzondere voorwaarden mogelijk te maken. Voorts is door de raadsman bepleit geen taakstraf op te leggen, omdat dit een te grote belasting is voor haar mentale toestand.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het strafblad van verdachte, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door haar partner met een glasscherf te snijden. Hierdoor heeft het slachtoffer een diepe 20 centimeter lange snijwond over de gehele lengte van de onderarm opgelopen. Er waren 18 hechtingen nodig om de wond te dichten en er moest een ader worden gehecht. Verdachte, die heeft verklaard dat alcohol een belangrijke rol heeft gespeeld bij het gebeuren, heeft met haar handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het behoeft ook geen betoog dat deze handeling van verdachte gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen in de samenleving.
De rechtbank houdt er echter ook rekening mee dat verdachte zelf de hulpdiensten heeft ingeschakeld en geprobeerd heeft om met een doek de bloedende snijwond te stelpen voordat de politie kwam. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat het slachtoffer geen aangifte heeft willen doen, dat zij nog steeds een relatie hebben en er zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte geen incidenten hebben voorgedaan en dat verdachte heeft verklaard te zijn gestopt met het drinken van alcohol.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 14 januari 2026 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 27 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden langdurig slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. Haar partner triggerde iets bij haar wat betrekking had op haar verleden waarna een ruzie ontstond. Naar inschatting van de reclassering heeft het voorgaande in combinatie met alcoholgebruik tot het delictgedrag geleid. Gebleken is dat verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden houdt. Uit de urinecontroles volgt dat er geen sprake is van alcoholgebruik en verdachte doorloopt inmiddels de intakefase bij de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord-Nederland. Ook hebben zij en haar partner (tevens slachtoffer) veel over het delict gesproken en hun relatie voortgezet. Sinds het incident hebben zij beiden aangegeven dat er geen ruzies en/of escalaties meer zijn geweest, hetgeen door de wijkagent is bevestigd. Ook willen zij in de toekomst samenwonen. Verdachte heeft een huurwoning, ontvangt een bijstandsuitkering en doet vrijwilligerswerk.
De reclassering schat de kans op herhaling in als laag-gemiddeld, omdat verdachte abstinent is van alcohol en haar partner ook zijn alcoholgebruik is gaan minderen. Haar behandeling is echter nog niet gestart. Geadviseerd is daarom een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de navolgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, alcoholverbod en dagbesteding.
LOVS oriëntatiepunten
Naast de omstandigheden de persoon van verdachte betreffende heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruikmaking van een wapen uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Bij het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) gaan de LOVS oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. De rechtbank overweegt dat verdachte de glasscherf als wapen heeft gebruikt en neemt daarom deze laatste categorie als uitgangspunt.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zou worden. De rechtbank zal een deel van deze vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en ook oplegging van bijzondere voorwaarden mogelijk te maken, aangezien behandeling van de problematiek van verdachte nodig is.
Hoewel de LOVS oriëntatiepunten in beginsel een hoge onvoorwaardelijke gevangenisstraf voorschrijven houdt de rechtbank ook rekening met feit dat verdachte van meet af aan openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar handelen. Ondanks dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie acht de rechtbank haar eis passend en geboden.
Alles afwegende is de rechtbank daarom van oordeel dat een gevangenisstraf van 360 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 315 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren voldoende recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank legt daarbij als bijzondere voorwaarden op een meldplicht, ambulante behandeling, een alcoholverbod en dagbesteding. Daarbij zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde inname van medicatie bij de ambulante behandeling niet opleggen. Het opleggen van een algemene verplichting tot het innemen van niet nader bepaalde medicatie is naar het oordeel van de rechtbank te weinig specifiek om, in het kader van een bijzondere voorwaarde, aan verdachte te kunnen opleggen. Daarbij komt dat verdachte ter zitting heeft aangegeven dat zij haar voorgeschreven medicatie vrijwillig inneemt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 315 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering VNN op het adres [adres] ;
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling zal worden gecontinueerd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing;
dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van onbetaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2026.
Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland, Districtsrecherche Fryslân, met het proces-verbaal nummer NN1R025115 (genaamd: Spatel), doorgenummerd 1 tot en met 43, met losse aanvullingen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
2 Pagina 8.
3 Paginas 41 en 42.
4 Paginas 3 en 4 van het aanvullend forensisch geneeskundig letselverslag d.d. 16 december 2025.
5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 februari 2026.