ECLI:NL:RBNNE:2026:424

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
24/3923
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.S. Schür
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor steiger en gebruik in strijd met bestemmingsplan De Leijen

De zaak betreft een beroep van de Natuur- en Landschapsvereniging “De Wâlden/Marren” tegen het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel over een verleende omgevingsvergunning voor een steiger in het meer De Leijen. De vergunninghouder had een steiger gebouwd en wilde deze gebruiken voor recreatie en onderhoud, wat volgens eiseres in strijd is met het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het gebruik van de steiger en het daarbij behorende terrein voor recreatie en onderhoud niet is toegestaan volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’. Het college heeft dit niet onderkend en heeft de aanvraag onvolledig beoordeeld, zonder voldoende gegevens over het beoogde gebruik en de ruimtelijke gevolgen. Ook is het besluit onvoldoende gemotiveerd en is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en reiskosten aan eiseres. De rechtbank ziet af van een bestuurlijke lus omdat dit niet doelmatig is.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de omgevingsvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan en onvoldoende motivering en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3923

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

Natuur- en Landschapsvereniging “De Wâlden/Marren”, uit Eastermar, eiseres

(gemachtigde: mr. M.T. Hoen),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel, het college
(gemachtigde: F. de Jong).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende]uit Houtigehage (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. R.J. Grasmeijer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor een steiger in het meer De Leijen. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning zo niet had mogen afgeven. Het aangevraagde gebruik van de steiger en het daarbij behorende terrein voor recreatie en onderhoud is in strijd met het bestemmingsplan. Dat is door het college niet onderkend. Het besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en niet voldoende gemotiveerd. [1] Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder is eigenaar van perceel [perceelnummer] (het perceel). Dat perceel ligt in en aan het meer De Leijen en bestaat voor een deel uit water en voor het overige uit een oever met een vaste wal (het terrein). Eiseres houdt zich als vereniging bezig met het behouden en versterken van de kenmerkende landschapselementen in de Friese Wouden, waaronder ook de Leijen. Eiseres controleert in dat licht regelmatig de oevers van De Leijen en documenteert de staat van de natuur en de rietkragen.
2.1.
In 2022 is het college overgegaan tot handhaving. Op het perceel bevond zich toen een illegale steiger. De steiger is vervolgens verwijderd.
2.2.
Vergunninghouder heeft op 16 juni 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend.
2.3.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 18 september 2023 geweigerd.
2.4.
Vergunninghouder is daar in bezwaar tegen opgekomen.
2.5.
De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit van 24 mei 2024 de omgevingsvergunning verleend. Het college is daarbij afgeweken van de bouwregels van het bestemmingsplan. [2]
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], met hun gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreden van de Omgevingswet, blijft de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing. [3]
3.2.
Het ter plaatse geldend planologisch regime is het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’. Op het perceel gelden de bestemmingsvlakken ‘Waarde - Landschap (Open Landschap)’ en ‘Natuur’. In de bestemmingsomschrijving staat (onder a t/m q) waar de voor ‘Natuur’ aangewezen gronden precies voor zijn bestemd en is ook omschreven welke daaraan ondergeschikte functies er zijn (onder r t/m gg).
Wat is vergund?
4. De omgevingsvergunning is verleend voor de steiger voor de activiteiten ‘bouwen’ gecombineerd met ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’, vanwege strijdigheid van de steiger met het bouwvoorschrift uit artikel 24.2.4, onder a, van het bestemmingsplan. Daarin staat dat aan- en afmeersteigers alleen mogen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding “steiger” of “specifieke vorm van recreatie – liggelegenheid recreatievaartuigen.”
Wat zijn de geschilpunten?
5. Niet in geschil is dat het op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor) mogelijk is om van artikel 24.2.4, onder a van het bestemmingsplan af te wijken voor een bouwwerk (in dit geval een steiger) dat niet hoger is dan 10 meter en een oppervlakte heeft van minder dan 50 m². [4] Partijen verschillen van inzicht over de vraag of het aangevraagde gebruik van de steiger en het daarbij behorend terrein in strijd is met de planvoorschriften en ook over de vraag of het college over voldoende gegevens beschikte om op de aanvraag te kunnen beslissen.
Is het aangevraagde gebruik in strijd met het bestemmingsplan?
6. Eiseres betoogt dat het gebruik van de steiger en het daarbij behorende terrein in strijd is met het bestemmingsplan. Recreatie is niet toegestaan. Ook is het recreatief gebruik van het terrein niet ondergeschikt aan de bestemming ‘Natuur’. In dat licht betoogt eiseres dat de natuur niet zijn gang kan gaan door het uitgevoerde intensieve onderhoud. Nadat de aanvraag is ingediend, heeft vergunninghouder riet weggehaald, een walbeschoeiing aangebracht en de oever verdiept, waarmee hij volgens eiseres schade heeft toegebracht aan de natuur.
6.1.
Het college betoogt dat normaal onderhoud planologisch is toegestaan. Ook recreatief gebruik van de steiger en het daarbij behorende terrein is volgens het college toegestaan.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het gebruik van de steiger én het gebruik van het daarbij behorende terrein voor zowel recreatie als onderhoud in strijd met het bestemmingsplan. Dat heeft het college in haar besluitvorming niet onderkend.
6.3.
De rechtbank zal eerst ingaan op wat is aangevraagd. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de strijdigheid met de planvoorschriften.
De aanvraag
6.4.
De aanvraag van eiseres ziet op de bouw van een steiger in strijd met de planvoorschriften, maar daarnaast ook op het gebruik van de steiger en het terrein voor recreatie en onderhoud. Op het aanvraagformulier staat dat het beoogde gebruik van de steiger ‘ontspanning’ is en dat het huidige gebruik van het bouwwerk was: ‘achterstallig onderhoud en daarna ontspanning’. Op de zitting is over het huidige en beoogde gebruik nog het volgende gebleken. Vergunninghouder bereikt het perceel met zijn recreatieboot. Eens in de twee weken betreedt hij het terrein om het te maaien/snoeien. Hij heeft er een grasveldje aangelegd. Voorheen was het terrein verwilderd met riet en struiken en daardoor niet goed begaanbaar. Vergunninghouder heeft riet langs de oever verwijderd, een walbeschoeiing aangebracht en de oever van het water voor het terrein uitgediept tot een diepte van 80 cm, zodat hij dit met zijn recreatievaartuig kan bereiken. Hij heeft de wens om daar met zijn boot te liggen en vrije tijd door te brengen.
Gebruik van de steiger voor recreatie
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook het gebruik van de steiger voor recreatie in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 24.1, onder z, van de planregels bepaalt dat liggelegenheden voor recreatievaartuigen enkel zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – liggelegenheid recreatievaartuigen’. Dit betekent dat het bestemmingsplan recreatie heeft beperkt tot de locaties waar recreatie is aangeduid op de plankaart. Die aanduiding ontbreekt op het perceel. De rechtbank ziet dit niet als het gebruik van een aanleggelegenheid dat op basis van de planregels (mits ondergeschikt) is toegestaan in artikel 24.1, onder aa. Uit zowel de aanvraag als de toelichting ter zitting blijkt namelijk dat niet alleen is beoogd om op de steiger aan te leggen, maar ook om daar te recreëren.
6.6.
Daar komt bij dat artikel 24.1, onder x en y van het bestemmingsplan bepalen dat ‘recreatief en educatief’ medegebruik, ondergeschikt aan de bestemming ‘Natuur’, is toegestaan. Deze planregel moet letterlijk worden uitgelegd, dus er moet sprake zijn van de combinatie van recreatief én educatief gebruik. [5] Niet in geschil is dat geen sprake is van educatief gebruik. Nu vaststaat dat alleen recreatief gebruik is beoogd en niet educatief gebruik, is het gebruik ook daarom in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank concludeert daarom dat het gebruik van de steiger voor recreatief (en niet ook educatief) gebruik in strijd is met de planvoorschriften.
Gebruik van het bij de steiger behorend terrein voor recreatie en onderhoud
6.7.
Ook het gebruik van het bij de steiger behorend terrein voor recreatie is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 24.1, onder ff, van de planregels brengt de bij de steiger behorende erven en terreinen ook onder de werkingssfeer van het artikel. Wat de rechtbank zojuist heeft geoordeeld over de strijdigheid van de steiger met de planregels, geldt daarmee ook voor het daarbij behorend terrein.
6.8.
De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het gebruik van het bij de steiger behorend terrein voor onderhoud in strijd is met het bestemmingsplan. Het gebruik van het perceel voor onderhoud zoals hierboven is omschreven, is niet toegestaan, omdat onderhoud niet in artikel 24.1 van de planvoorschriften staat genoemd. Het feit dat artikel 24.5.2 van het bestemmingsplan bepaalt dat voor normaal onderhoud geen omgevingsvergunning voor de activiteit ‘werken of werkzaamheden’ nodig is, betekent niet dat het terrein voor het onderhoud mag worden gebruikt zoals vergunninghouder dat heeft aangevraagd.
6.9.
Overigens is het uitgevoerde onderhoud dat vergunninghouder ter plaatse verricht, in samenhang bekeken met het (beoogd) recreatief gebruik naar het oordeel van de rechtbank niet ondergeschikt aan de bestemming ‘Natuur’. De planvoorschriften bepalen immers dat de bestemming ‘Natuur’ leidend is en andere vormen van gebruik daaraan ondergeschikt moeten zijn. Alles duidt erop dat het onderhoud op het terrein is uitgevoerd met als doel het perceel in te richten om te kunnen recreëren. Ook daarom is het gebruik waarvoor de aanvraag is gedaan in strijd met het bestemmingsplan.
6.10.
Omdat vaststaat dat het gebruik van zowel de steiger als het terrein voor recreatie en onderhoud op meerdere punten strijdig zijn met het bestemmingsplan, zijn hiervoor ook omgevingsvergunningen nodig voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’.
6.11.
Het college moet bij strijd met de planregels ambtshalve beoordelen of het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk is voor de activiteit ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’. [6] Het staat vast dat het college dit niet heeft beoordeeld. Het college zal daarom alsnog moeten beoordelen of hiervoor kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het beroep slaagt daarom.
6.12.
Vanuit het oogpunt van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank hieronder nog ingaan op een andere beroepsgrond.
Was de aanvraag volledig?
7. Eiseres heeft ook aangevoerd dat de vergunningsaanvraag onvolledig was, dat er informatie ontbrak en dat het college op basis hiervan geen besluit heeft kunnen nemen. De activiteit is (mede) aangevraagd voor het gebruik van de gronden en bouwwerken in strijd met de planvoorschriften en volgens eiseres is er geen informatie waaruit zou blijken dat dit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Volgens eiseres is het daarmee juist wel in strijd.
7.1.
Het college is enkel uitgegaan van een aanvraag voor de bouw van een steiger en betoogt dat voor het beoordelen daarvan kon worden volstaan met constructietekeningen van de steiger. Volgens het college mocht zij gelet op de beschikbare gegevens overigens concluderen dat sprake was van een goede ruimtelijke ordening en dat de natuurwaarden niet onevenredig in het geding waren. Het is niet nodig geacht om hiervoor een ecoloog te raadplegen, vanwege de aard en omvang van het bouwwerk.
7.2.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een activiteit die ziet op het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, moet de aanvrager onder meer informatie verstrekken over het beoogde en het huidige gebruik van de gronden en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft en over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening. [7]
7.3.
Het college moest beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te nemen. [8] Doordat het college niet heeft onderkend dat de aanvraag ook zag op het gebruik van de gronden en bouwwerken, heeft het ook miskend dat de aanvraag daarvoor niet volledig was. Bij de aanvraag is namelijk niet opgenomen wat de gevolgen van het beoogde gebruik zijn voor de ruimtelijke ordening. Daarmee is feitelijk niet voldaan aan artikel 3.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht.
7.4.
In het besluit van 18 september 2023 heeft het college overwogen dat het grote waarde hechtte aan het belang van de natuur en niet wilde toestaan en stimuleren dat wordt gerecreëerd op gronden die bestemd zijn voor de natuur. Dat was toen de reden om geen omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een aanlegsteiger, waarmee een liggelegenheid zou worden voorzien voor grotere recreatievaartuigen en het mogelijk zou worden om te recreëren op en nabij het perceel. Naar aanleiding van het bezwaarschrift van vergunninghouder heeft het college zich toen op het standpunt gesteld dat een steiger niet bijdraagt aan de doelstelling van de bestemming ‘Natuur’ en dat het voor de natuur wenselijk is dat er zo min mogelijk verstoring plaatsvindt. Het gebruik van een aanlegsteiger heeft juist een verstorend effect op de natuurwaarden ter plaatse, aldus het college toen.
7.5.
Het is, ook in het licht van dit eerdere standpunt, niet begrijpelijk dat het college bij het nu bestreden besluit een tegengestelde beslissing heeft genomen en bij de voorbereiding daarvan niet kenbaar is nagegaan wat het beoogde gebruik precies inhield en wat de gevolgen daarvan zijn voor de ruimtelijke ordening (in dit geval: de natuur). Het had op de weg van het college gelegen om aanvrager hierover informatie te laten aanleveren of zich hierover te laten adviseren door een deskundige. Door dat na te laten heeft het college niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. [9] Ook is het bestreden besluit hiermee niet voldoende gemotiveerd. Het beroep is ook daarom gegrond.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel (de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat het college binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (€ 371,-) aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder krijgt eiseres een reiskostenvergoeding. [10] Het gaat om een vergoeding voor een retour tweede klasse met het openbaar vervoer (€ 16,86,-) van het station Buitenpost naar Groningen. [11] Op zitting waren alle drie bestuursleden van eiseres aanwezig en zij hebben allen het woord gevoerd. Dat maakt dat de reiskostenvergoeding in totaal € 50,58 bedraagt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 mei 2024;
- draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- bepaalt dat het college voor € 50,58,- aan reiskosten aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge
artikel 7:3 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2026-01-01)van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
(…)
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.10
(…)
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van
artikel 2.12niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a.indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
(…)
Besluit omgevingsrecht – Bijlage II
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wetwaarbij met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wetvan het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…)
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 10 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
(…)
Ministeriële regeling omgevingsrecht
In of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens en bescheiden over:
(…)
de gevolgen van het beoogde gebruik voor de ruimtelijke ordening;
Bestemmingsplan Buitengebied 2013.
Artikel 1 Begrippen Pro
106 recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
Artikel 24 Natuur Pro
24.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Natuur ’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. water, waaronder meren, plassen, poelen, petgaten, pingoruïnes, kanalen, vaarten, tochten, sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen en waterpartijen;
(…)
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurwaarden;
(…)
het recreatief en educatief medegebruik;
kleinschalige recreatieve en educatieve voorzieningen, waaronder picknickplaatsen, toiletvoorzieningen, vogelkijkhutten en uitzichtpunten;
liggelegenheden voor recreatievaartuigen, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - liggelegenheid recreatievaartuigen”;
aanleggelegenheid;
(…)
met de daarbij behorende:
tuinen, erven en terreinen;
24.2
Bouwregels
24.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van de in lid
24.1onder ag. genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a. aan- en afmeersteigers mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "steiger" of "specifieke vorm van recreatie - liggelegenheid recreatievaartuigen";
24.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwwerk zijnde, of van werkzaamheden
24.5.1
Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren:
het aanplanten van bomen en/of houtgewas over een oppervlakte van meer dan 100 m², tenzij, indien de gronden mede bestemd zijn voor 'Waarde - Landschap (Woudenlandschap), het houtsingels en dykswâlen (houtwallen) betreft;
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen buiten het bouwvlak;
het aanleggen van verharde en halfverharde paden;
het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden opzichte van het bestaande maaiveld;
het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief en educatief medegebruik;
het graven of dempen van watergangen;
het geheel of gedeeltelijk verwijderen van houtsingels en dykswâlen (houtwallen).
24.5.2
Uitzonderingen op vergunningplicht
Het bepaalde in lid 24.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:
a. het normale onderhoud betreffen;
(…)

Voetnoten

1.Vastgelegd in artikel 3:2 en Pro 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Daarbij is gebruik gemaakt van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Artikel 4, onderdeel 3, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is daarbij toegepast.
3.Dit volgt uit artikel 4, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Dat volgt uit artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo.
5.Dat blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld uit de uitspraak van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2307, r.o. 5.1.
6.Dat volgt uit artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo.
7.Dit volgt uit artikel 3.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht.
8.Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2405, r.o. 5.1.
9.Zie artikel 3:2 van Pro de Awb.
10.Artikel 1, aanhef en onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).
11.Artikel 2, onderdeel d van het Bpb jo. artikel 11, eerste lid, onderdeel d van het Besluit tarieven in strafzaken.