ECLI:NL:RBNNE:2026:404

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
LEE 24/3525
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.S. Schür
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning sportschool wegens onvoldoende onderzoek contactgeluid

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta voor de vestiging van een sportschool op de eerste verdieping van een pand in Appingedam. Eiseres, Lambeck Tweewielers B.V., stelde beroep in tegen het besluit waarbij bezwaar ongegrond werd verklaard.

In een eerdere tussenuitspraak oordeelde de rechtbank dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de ruimtelijke gevolgen van het contactgeluid veroorzaakt door fitnesstoestellen en gewichten. Het college kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen door een aanvullend akoestisch onderzoek uit te voeren.

Het college heeft dit onderzoek verricht en een aanvullende motivering ingediend. Eiseres en derde-partij hebben geen zienswijze op deze aanvullende motivering gegeven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het eerdere gebrek, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college het gebrek heeft hersteld.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter C.S. Schür op 23 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3525

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

Lambeck Tweewielers B.V., uit Appingedam, eiseres

(gemachtigde: mr. P. Koeslag),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta, het college
(gemachtigde: mr. I. Kadijk).
Als derde-partij neemt aan het geding deel
SynVest Dutch RealEstate / B.V.te Amsterdam
(gemachtigde: mr. I.L. Haverkate).

Procesverloop

1. In het besluit van 9 juli 2021 (primair besluit) heeft het college een vergunning verleend voor het realiseren van een sportschool op de eerste verdieping van de Farmsumerweg 126b in Appingedam (hierna: het pand).
1.1.
In het besluit van 16 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van het college was ook F. Grond, werkzaam als geluidsdeskundige bij de Omgevingsdienst Groningen (ODG), aanwezig. Namens derde-partij is verschenen L. Ottens, bijgestaan door haar gemachtigde.
1.5.
In de tussenuitspraak van 17 oktober 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig en gemotiveerd was genomen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
1.6.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.7.
Eiseres en derde-partij zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, maar hebben daar geen gebruik van gemaakt.
1.8.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 augustus 2011 en 15 augustus 2012. [1]
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende onderzocht had wat de impact van het geluid van het fitnesscentrum op de omgeving zou zijn. Het college had niet onderzocht wat de impact op de omgeving zal zijn van het contactgeluid, veroorzaakt door het gebruik van fitnesstoestellen en gewichten. Omdat in het pand, zonder vergunning, detailhandel was toegestaan was de rechtbank van oordeel dat het college dit wel had moeten onderzoeken. Hoewel van detailhandel ook contactgeluid uit kan gaan, zou dit naar het oordeel van de rechtbank (mogelijk) heel ander geluid betreffen dan contactgeluid geproduceerd door een fitnesscentrum. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat in een fitnesscentrum dagelijks mensen komen trainen met gewichten en op toestellen, waardoor er structureel en stelselmatig contactgeluid aanwezig is. In de uitgevoerde geluidonderzoeken was geen rekening gehouden met contactgeluid, maar alleen met luchtgeluid. Daarover heeft de geluidsdeskundige van de ODG ter zitting aangegeven dat de impact van contactgeluid anders kan zijn dan van luchtgeluid en dat het feit dat de situatie aanvaardbaar was voor luchtgeluid dus niet betekende dat ditzelfde gold voor contactgeluid.
3.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen. Daartoe diende het college te onderzoeken wat de impact zal zijn van het contactgeluid van de toestellen en gewichten die gebruikt worden in het fitnesscentrum. Het college diende tevens te motiveren waarom dit geluid niet zou leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening of een onevenredige aantasting van de milieusituatie.
4. Het college heeft een aanvullende motivering op het bestreden besluit gegeven, waarbij het college een nader akoestisch onderzoek heeft overgelegd. In dit onderzoek is onderzocht wat de impact is van het contactgeluid door het gebruik van fitnesstoestellen en gewichten in de sportschool. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat eiseres geen zienswijze naar voren heeft gebracht op de aanvullende motivering, ziet de rechtbank grond om – met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
5.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.