Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:397

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
18-349342-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 158 SrArt. 300 SrArt. 304 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak brandstichting, veroordeling mishandeling ambtenaar en overtreding Opiumwet

Op 2 november 2024 ontstond een brand in een woning te Groningen. Verdachte werd beschuldigd van opzettelijke brandstichting, mishandeling van een politieambtenaar en ambulanceverpleegkundige, en bezit van heroïne en cocaïne. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor opzettelijke brandstichting en sprak verdachte daarvan vrij. Ook subsidiair werd vrijspraak gegeven wegens gebrek aan bewijs van schuld.

De mishandelingen van de ambtenaar en de ambulanceverpleegkundige werden wettig en overtuigend bewezen aan de hand van verklaringen, bodycambeelden en de bekentenis van verdachte dat hij een 'tikkie' met zijn voet had gegeven. Het bezit van harddrugs werd eveneens bewezen door deskundigenrapporten en de bekentenis van verdachte.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de mishandelingen, de kwetsbaarheid van de slachtoffers in hun functie, en het gevaar van harddrugs voor de volksgezondheid. Gezien de omstandigheden en de persoon van verdachte werd een gevangenisstraf van 6 weken opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoeding van 400 euro aan de ambulanceverpleegkundige toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering van de politieambtenaar werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van brandstichting, veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf voor mishandeling en bezit harddrugs met schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-349342-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 februari 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 februari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.J.H. Lina, advocaat te Groningen.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 november 2024 te Groningen, althans in Nederland, in en/of op een perceel gelegen aan [adres] , opzettelijk brand heeft gesticht door in en/of bij een woning, althans een flatgebouw, open vuur in aanraking te brengen met een dekbed, althans enig goed, en/of voornoemde woning en/of flatgebouw ten gevolge waarvan voorgenoemde woning en/of flatgebouw geheel en/of gedeeltelijk zijn verbrand terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten woningen en/of een flatgebouw en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de aldaar aanwezige bewoners, te duchten was
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 november 2024 te Groningen, althans in Nederland, in en/of op een perceel gelegen aan [adres] , zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend open vuur in aanraking heeft gebracht met een dekbed, althans enig goed, en/of voornoemde woning en/of flatgebouw ten gevolge waarvan voorgenoemde woning en/of flatgebouw geheel en/of gedeeltelijk zijn verbrand waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor
  • gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten woningen en/of een flatgebouw ontstond en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de aldaar aanwezige bewoners, ontstond;
2.
hij op of omstreeks 2 november 2024 te Groningen, althans in Nederland een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door voorgenoemde [slachtoffer 1] te trappen
3.
hij op of omstreeks 2 november 2024 te Groningen, althans in Nederland verpleegkundige [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voorgenoemde [slachtoffer 2] te trappen
4.
hij op of omstreeks 2 november 2024 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,27 gram heroïne en/of 2,40 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 2, 3 en 4 ten laste is gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft ten aanzien van feit 1 primair het volgende aangevoerd.
De verklaring van verdachte over het ontstaan van de brand is onaannemelijk, nu het niet strookt met de feiten en omstandigheden van de brand. Gelet op de gedragingen van verdachte ten tijde van de brand, de bekentenis tegenover verbalisant [verbalisant] , de opmerkingen die verdachte heeft gemaakt tegenover verbalisant [slachtoffer 1] en de getuigenverklaring van [getuige] , kan het niet anders dan dat verdachte de brand opzettelijk heeft veroorzaakt. Op welke wijze verdachte de brand exact heeft gesticht, kan niet meer worden vastgesteld, maar er is door hem op enigerlei wijze vuur met een brandbare stof in aanraking gebracht. Gelet op het voorgaande, kan feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor de feiten 2, 3 en 4.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, zodat verdachte van feit 1 primair zal worden vrijgesproken. De stelling van de officier van justitie dat het niet anders kan dan dat verdachte de brand opzettelijk heeft veroorzaakt, vindt geen steun in het dossier en in hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Uit de resultaten van het forensisch onderzoek blijkt dat niet vast te stellen is hoe en waar in de woning van verdachte de brand is ontstaan. Hoewel de gedragingen van verdachte ten tijde van de brand vragen doen rijzen, geeft diens gedrag tijdens de confrontatie met de politie geen aanwijzing over de oorzaak van de brand en over de rol van verdachte daarin. Evenmin zijn de verklaringen van getuige [getuige] redengevend voor het bewijs, nu getuige tegenstrijdig heeft verklaard over de vermeende rol van verdachte bij de brandstichting.
De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 subsidiair als volgt. De rechtbank stelt vast dat er op voormeld tijdstip en voormelde plaats een brand heeft gewoed. Uit het dossier volgt dat kort na de melding, toen de politie en vrij snel daarna de brandweer ter plaatse kwamen, de brand vrij omvangrijk en zeer fel was. Het vuur is volgens de resultaten van het forensisch onderzoek zodanig destructief geweest dat de oorzaak van de brand niet meer vastgesteld kon worden.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met een brandende sigaret onder zijn dekbed heeft gelegen en dat hij in slaap zou zijn gevallen, terwijl hij op een gegeven moment wakker werd van het dekbed dat in brand stond. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van door zijn schuld veroorzaken van brand.
Onder schuld in de zin van artikel 158 Wetboek Pro van Strafrecht valt te verstaan het met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid handelen of nalaten. Vereist is derhalve een menselijke (actieve of passieve) gedraging die een bepaald gevolg, i.c. vuur, teweegbrengt, doordat degene met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid handelt dan wel onvoldoende zorg betracht.
Doordat door de hevigheid van het vuur geen enkele oorzaak ervan kan worden vastgesteld en doordat verdachte, door middelengebruik, zich niet herinnert wat zich daartoe in diens woning heeft voorgevallen, kan naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken was die tot de brand heeft geleid. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat verdachte in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig heeft gehandeld. De rechtbank kan, gelet op de gang van zaken, niet uitsluiten dat een ander scenario tot het ontstaan van de brand heeft geleid, temeer nu ook de
brandhaard niet meer precies kan worden vastgesteld. Dat brengt met zich mee dat verdachte ook van feit 1, subsidiair, moet worden vrijgesproken, nu van schuld in de zin van artikel 158 Wetboek Pro van Strafrecht niet kan worden gesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2 en 3
De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 2 en 3 bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 november 2024, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer BRAAM/NN2R024174 inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Tijdens mijn werkzaamheden als ambtenaar in functie ben ik twee keer geschopt. Ik heb hierdoor pijn in mijn been gehad.
Ik zag toen dat de man een schoppende beweging maakte richting de verpleegkundige van de ambulance. Ik zag dat deze schop de verpleegkundige raakte op haar linkerbeen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 november 2024, opgenomen op pagina 7 e.v. van voorgenoemd dossier inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik ben werkzaam als ambulanceverpleegkundige op de ambulance te Groningen. Afgelopen nacht was ik aan het werk, in de nacht van 1 op 2 november 2024. De man trapte mij op mijn bovenbenen. De eerste trap was echt hard en ik voelde de pijn aan mijn linker bovenbeen. De tweede trap was minder hard. Op dit moment merk ik dat mijn linker bovenbeen gevoelig is en pijn doet bij aanraken. Het voelt als een blauw plek, een kneuzing. De man heeft mij twee keer geraakt met zijn rechterbeen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2024, opgenomen op pagina 28 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant de beschrijving van de bodycambeelden van verbalisant [slachtoffer 1] :
Ik zie dat de ambulanceverpleegkundige vlak voor de verdachte staat. Ik zie de achterkant van de benen van de verdachte. Ik zie dat hij zijn linkerbeen iets vooruit zet en daarna weer terug stapt. De ambulanceverpleegkundige zet een stap achteruit en roept of hij haar niet wil schoppen.
Terwijl collega [slachtoffer 1] met de meldkamer communiceert, wordt zijn bodycam iets naar beneden gericht en zie ik het linkerbeen en de linkervoet van de verdachte vanuit de lucht weer op de grond neerkomen. Ik zie wel dat collega [slachtoffer 1] direct op hem reageert door de knie van de verdachte van zich af te weren naar beneden
4. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 3 november 2024, pagina 55 e.v. van voorgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:
Dat hij de ambulanceverpleegkundige een tikkie met zijn voet had gegeven.
Dat hij de politie niks had gedaan, alleen met de voet aangeraakt, een tikkie met de voet.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 2 en 3
Gelet op de aangifte van verbalisant [slachtoffer 1] , dat hij tijdens zijn werkzaamheden als ambtenaar in functie twee keer door verdachte is geschopt, de aangifte van de ambulanceverpleegkundige, dat zij twee keer door verdachte is geschopt, alsmede de verklaring van verdachte dat hij zowel de politie als de ambulanceverpleegkundige een tikkie met de voet heeft gegeven, acht de rechtbank de onder feit 2 en 3
ten laste gelegde mishandelingen wettig en overtuigend bewezen.
Gebruikte bewijsmiddelen en aanzien van feit 4
De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 februari 2026.
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, d.d. 12 november 2024, opgemaakt door M. Visser-van Leeuwen, opgenomen op pagina 105 van voornoemd dossier.
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, d.d. 13 november 2024, opgemaakt door P.H. Walinga, opgenomen op pagina 106 van voornoemd dossier.
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, d.d. 13 november 2024, opgemaakt door P.H. Walinga, opgenomen op pagina 107 van voornoemd dossier.
Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, d.d. 13 november 2024, opgemaakt door P.H. Walinga, opgenomen op pagina 108 van voornoemd dossier.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 20 november 2024, opgenomen op pagina 100 e.v. van voornoemd dossier.
Een schriftelijk bescheid, te weten de kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 86 van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2.
hij op 2 november 2024 te Groningen, een ambtenaar, te weten verbalisant [slachtoffer 1] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door voorgenoemde [slachtoffer 1] te trappen;
3.
hij op 2 november 2024 te Groningen, verpleegkundige [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voorgenoemde [slachtoffer 2] te trappen;
4.
hij op 2 november 2024 te Groningen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,27 gram heroïne en 2,40 gram cocaïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
2. mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
3. mishandeling
4. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De officier van justitie is bij het bepalen van voornoemde strafeis - conform het advies van de psychiater - ervan uitgegaan dat het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair, gelet op de door haar bepleitte vrijspraak voor feit 1, gepleit voor onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte, nu voor de feiten 2, 3 en 4 geen straf opgelegd dient te worden waarvan het onvoorwaardelijke strafdeel langer is dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Subsidiair, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de raadsvrouw gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarbij een deel voorwaardelijke straf zonder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde van een klinische opname.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting,
het uittreksel uit de justitiële documentatie, het rapport van de reclassering d.d. 30 januari 2026, het rapport van de psychiater d.d. 27 januari 2026, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandelingen van een politieambtenaar en een ambulancemedewerkster die hem trachtte te helpen. Daarnaast heeft verdachte de Opiumwet overtreden door een hoeveelheid harddrugs bij zich te hebben. De rechtbank tilt zwaar aan de mishandeling van de politiebeambte en van de hulpverleenster. Deze functionarissen dienen te allen tijde hun werk in veiligheid te kunnen verrichten. Verdachte heeft dit telkens belemmerd door diens gedragingen jegens hen waardoor letsel is ontstaan. Daarnaast heeft het in elk geval bij de medewerkster van de ambulance gevoelens van onveiligheid veroorzaakt, zoals blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring.
Ten aanzien van het voorhanden hebben van de harddrugs overweegt de rechtbank dat het gebruik van hiervan een ernstig gevaar voor de volksgezondheid vormt. Tegen het voorhanden hebben van deze middelen dient dan ook te worden opgetreden.
Toerekenbaarheid
De psychiater komt tot de conclusie dat de aanwezigheid van de stoornissen (psychotische stoornis door middelenmisbruik) bij de verdachte heeft doorgewerkt in het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend te bewijzen, maar de conclusie van de psychiater werkt naar het oordeel van de rechtbank door in de feiten 2 en 3 die zich kort na de melding van de brand hebben voltrokken. De rechtbank rekent dan ook de feiten 2 en 3 in verminderde mate aan verdachte toe.
Gevangenisstraf
De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daaruit volgt dat voor feiten als die in het onderhavige geval, waarin niet sprake is van relevante recidive, bewezen zijn verklaard een geldboete of een taakstraf kan worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor verdachte deze modaliteiten thans niet haalbaar zijn. Een gevangenisstraf is dan op zijn plaats.
De rechtbank legt dan ook een substantieel lagere gevangenisstraf op dan is geëist door de officier van justitie, nu de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Voor een voorwaardelijk deel ziet de rechtbank geen ruimte, nu verdachte een geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet in dat verdachte veel hulp behoeft, maar de benodigde hulpverlening zal dan vanuit een andere invalshoek dan de strafrechtelijke dienen plaats te vinden.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 weken met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, passend en geboden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[getuige] (ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde), tot een bedrag van 3.202,99 ter vergoeding van materiële schade en 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
[slachtoffer 2] (ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde), tot een bedrag van 400,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [getuige] dient te worden toegewezen voor een bedrag waarbij zij de rechtbank heeft verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid voor de vaststelling van de hoogte van dit bedrag, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende onderbouwd is en integraal kan worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [getuige] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Subsidiair, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de raadsvrouw verzocht deze vordering sterk te matigen.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de door benadeelde partij [getuige] ingediende vordering (ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde) overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet wettig en overtuigend te bewijzen. De benadeelde partij [getuige] zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in diens vordering.
Ten aanzien van de door benadeelde partij [slachtoffer 2] ingediende vordering (ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde) overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 november 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van feit 1:
Verklaart [getuige] niet-ontvankelijk in diens vordering tot schadevergoeding. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 november 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 400,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 4 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2026.