ECLI:NL:RBNNE:2026:388

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
18-251690-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontvoering minderjarige kinderen en wederrechtelijke dwang met brief aan moeder

Verdachte heeft zijn twee minderjarige kinderen onttrokken aan het wettig gezag door zonder toestemming van de moeder met hen naar Syrië te reizen, terwijl alleen toestemming voor Griekenland en een dagtrip naar Turkije was gegeven. Daarnaast stuurde hij een brief met meerdere niet-onderhandelbare eisen aan de moeder, waarmee hij haar probeerde te dwingen de relatie voort te zetten.

De rechtbank achtte het Openbaar Ministerie ontvankelijk, ook voor de feiten gepleegd in Syrië, omdat het gevolg van het onttrekken in Nederland plaatsvond. Het bewijs bestond uit onder meer telefoondata, e-mails, verklaringen van de moeder en verdachte, en het echtscheidingsconvenant met ouderschapsplan.

De rechtbank verwierp het verweer dat verdachte geen opzet had en verklaarde de tenlastelegging bewezen, met een gedeeltelijke vrijspraak voor een deel van de periode. Verdachte werd veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en kreeg een contactverbod en bijzondere voorwaarden opgelegd.

De rechtbank nam de ernst van het feit, de impact op moeder en kinderen, en het advies van de reclassering mee in de strafmotivering. Tevens werd verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de moeder en de kinderen wegens immateriële en materiële schade.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een contactverbod.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-251690-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Teeuwen, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
Hij in of omstreeks de periode van 12 juli 2025 tot en met 23 augustus 2025 te [plaats] in de gemeente Eemsdelta, althans in Nederland, Griekenland, Turkije en/of Syrië opzettelijk de minderjarige(n), [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum] 2019 en/of [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum] 2021, heeft onttrokken aan het wettig over haar/hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar/hen uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was en/of waren;
2.
Hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2025 tot en met 23 augustus 2025 te [plaats] in de gemeente Eemsdelta, althans in Nederland, Griekenland, Turkije en/of Syrië, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten [slachtoffer 3] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door aan die [slachtoffer 3] een lijst en/of brief met eisen te sturen (via whatsapp) en/of te eisen van die [slachtoffer 3]
-met hem te trouwen en/of
-met hem een derde kind te nemen (niet onderhandelbaar) en/of
-hem alleenrecht te geven op het gezag van alle kinderen en/of
-haar huis te verkopen (niet onderhandelbaar) en/of
-geen contact te hebben met haar familie en/of
-geen andere man in haar leven te hebben en/of
van die [slachtoffer 3] te eisen om aan eerdergenoemde eisen te voldoen om haar kinderen weer te kunnen zien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd, heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat de rechtbank geen rechtsmacht toekomt met betrekking tot de tenlastegelegde strafbare feiten welke zijn gepleegd in Syrië, zodat het Openbaar Ministerie hieromtrent niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.
Het oordeel van de rechtbank
Allereerst overweegt de rechtbank dat verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit en dat hij zijn vaste woon- en verblijfplaats in Nederland heeft. Ingevolge artikel 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Volgens vaste jurisprudentie heeft Nederland ook op de voet van die bepaling rechtsmacht indien het feit
buiten Nederland is begaan, terwijl het gevolg ervan in Nederland optreedt.
De rechtbank stelt vast dat het gevolg van de tenlastegelegde handeling, zijnde de onttrekking aan het gezag van de toen in Nederland verblijvende moeder van beide kinderen, op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden en derhalve in de Nederlandse rechtsorde is ingetreden. De rechtbank acht het Openbaar Ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, omdat het opzet van verdachte ontbreekt.
Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde periode en de pleegplaatsen dienen te worden ingeperkt, waardoor verdachte partieel dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht hetgeen verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 augustus 2025, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025192537 d.d. 30 november 2025, inhoudend als verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] :
Ik doe bij deze aangifte van de ontvoering van mijn twee kinderen door mijn ex-echtgenoot [verdachte] . Hij heeft de kinderen voor een vakantie meegenomen naar Griekenland echter was het helemaal niet de bedoeling dat hij naar Griekenland op vakantie zou gaan. Hij heeft de kinderen bewust meegenomen naar Syrië. Ik heb de kinderen vanaf 12 juli 2025 niet gezien, de afspraak was dat hij de kinderen terug zou brengen, na twee weken vakantie. We hebben beiden het ouderlijk gezag over de kinderen. Tot hij op 12 juli 2025 de kinderen ophaalde voor de vakantie. Ik zou ze op 26 juli 2025 weer bij hem ophalen. Ze gingen op 16 juli 2025 via Schiphol met de hele familie naar Rhodos. Op 18 juli 2025 werd ik door mijn ex gebeld. Hij zei: ik heb goed nieuws en slecht nieuws, we zijn veilig, maar we zijn in Syrië en we komen niet meer terug. Hij was samen met de kinderen de dag ervoor, 17 juli 2025, aan het eind van de middag met de boot van Rhodos naar Marmaris gegaan. Vanaf daar is hij gevlogen naar Istanbul en de volgende ochtend is hij gevlogen naar Damascus.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 oktober 2025, opgenomen op pagina 335 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisant:
Op zaterdag 4 oktober 2025 onderzocht ik, verbalisant, de veiliggestelde data van de in beslag genomen iPhone van verdachte.
Op 8 juli 2025 heeft verdachte om 08:57:08 uur een e-mail ontvangen van Turkish Airlines met daarin een boekingsbevestiging voor verdachte zelf en de twee kinderen. Valt eruit op te maken dat verdachte voor zichzelf en de kinderen tickets heeft geboekt naar Damascus met Turkish Airlines.
Daarnaast is er in de oproepenlijst in zijn telefoon te zien dat hij op 16 juli 2025 drie minuten belt naar [slachtoffer 3] en daarna pas weer 8 minuten op 18 juli 2025.
In de iPhone van de verdachte staan ook enkele zoekopdrachten.
Zonder datum: Welke documenten heb ik nodig om met mijn jonge kinderen te reizen als de moeder is overleden? En: De vader van mijn kinderen is met de kinderen naar Turkije gegaan en is niet teruggekomen. Wat moet ik doen?
Op 5 juli 2025: Kan de moeder de kinderen aan de vader afstaan, ook al zijn ze getrouwd?
Op 6 juli 2025: How much money am I aloud
[de rechtbank begrijpt: allowed]to take with me to the airport to Syria? for person and what about the kids?
Op 7 juli 2025: beste manier om kleding vanuit Groningen naar Syrië te sturen
Op 3 augustus 2025: De beste recreatieve kleuterschool voor kinderen in Damascus.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2025, opgenomen op pagina 362 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisant:
Het onderzoeksteam ontving van aangeefster [slachtoffer 3] het echtscheidingsconvenant d.d 6 juni 2024 met als bijlage het ouderschapsplan. Ik las in het plan dat:
Article 8

5. We will give each other permission to travel abroad with our children, unless there is a good reason to object, for instance in case of negative travel advice for the destination in question.

Op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (nederlandwereldwijd.nl/reisadvies/syrie) zag ik dat de kleurcode voor het reisadvies voor Syrië rood is. Dit betekent dat het reizen naar Syrië wordt afgeraden omdat het te gevaarlijk is.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2025, opgenomen op pagina 362 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisant (met bijlage, zijnde het echtscheidingsconvenant, op pagina 377 e.v.):
Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
  • [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
  • [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
Partijen oefenen over hun kinderen van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag uit.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2025, opgenomen op pagina 362 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisant (met bijlage, zijnde de toestemmingsformulieren, op pagina 404 e.v.):
Period of travel From 16-07-2025 To 24-07-2025 Country: Greece Turky, Rodos Marmaris a day trip by boat
6. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 februari 2026, voor zover inhoudende:
[slachtoffer 3] heeft tegen mij gezegd dat ze geen toestemming zou geven als ik met de kinderen naar Syrië wilde reizen. Ze heeft ook niks ondertekend. Toen ik in Syrië was met de kinderen heb ik tegen haar gezegd dat het te laat was, omdat ik er al was. Ik denk dat ik de tickets in maart al had geboekt, in ieder geval voor de vakantie. Ik heb er in Nederland niet met [slachtoffer 3] over gesproken, want ik wist dat ze nee zou zeggen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 september 2025, opgenomen op pagina 746 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring verdachte:
V: Volgens je ex-vrouw was dit tegen de afspraken in, klopt dat? A: Ja tegen de overeenkomst op papier.
V: Op het toestemmingsformulier staat de datum van 16-07-2025 tot 24-07-2025 en de opmerking Griekenland en Turkije voor een boottrip. Klopt dat?
A: Ja
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte en aangeefster ten tijde van de ten laste gelegde feiten gezamenlijk het wettelijk gezag uitoefenden over hun minderjarige kinderen, geboren op achtereenvolgens [geboortedatum] 2019 en [geboortedatum] 2021. Voorts stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 16 juli 2025 met de kinderen op vakantie is vertrokken naar Griekenland en vervolgens op 18 juli 2025 met de kinderen is aangekomen in Syrië. Uit de aangifte van aangeefster leidt de rechtbank af dat zij uitsluitend toestemming heeft gegeven voor een vakantie met de kinderen naar Griekenland en een dagtrip naar Turkije. Uit het dossier volgt derhalve dat de verdachte, zonder overleg met of toestemming van de aangeefster, met de kinderen naar Syrië is gereisd.
Onder "onttrekken" in de zin van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden verstaan: elk doen verkeren van de minderjarige buiten het wettig gezag. Het onttrekken kan zowel bestaan uit het wegvoeren als uit het onttrokken houden van deze minderjarige aan het wettig gezag. Degene die samen met een ander het gezag over een minderjarige uitoefent kan desondanks deze minderjarige aan het gezag van die ander onttrekken als één der gezagsdragers het kind doet verblijven op een voor de andere gezagsdrager - onbekende - verblijfplaats en het in strijd met eerder gemaakte afspraken niet aan de andere gezagsdrager afgeeft.
De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het onttrekken van de kinderen aan het gezag, nu hij stelt dat hij telefonisch toestemming van aangeefster heeft gekregen. De rechtbank kan verdachte hierin niet volgen. Zoals hiervoor aangegeven, blijkt uit het echtscheidingsconvenant dat verdachte en aangeefster ten tijde van de tenlastegelegde feiten het gezamenlijk gezag over de kinderen hadden. Uit het ouderschapsplan blijkt voorts dat de ouders elkaar toestemming zullen geven om te reizen naar het buitenland met de kinderen, tenzij er een goede reden is om bezwaar te maken, bijvoorbeeld bij een negatief reisadvies voor de betreffende bestemming. De rechtbank leidt uit het feit dat de verdachte kennelijk heeft ingestemd met dit ouderschapsplan, zoals blijkt uit zijn ondertekening, af dat de verdachte op de hoogte was van de inhoud ervan. Dat verdachte wist dat hij toestemming nodig had voor reizen naar het buitenland, leidt de rechtbank ook af uit het feit dat verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie onder andere heeft verklaard dat het meenemen van de kinderen naar Syrië, tegen de gemaakte overeenkomst op papier was. Hoewel verdachte verklaard heeft dat hij telefonisch toestemming van moeder heeft gehad, kan hij dit niet aantonen en blijkt dit eveneens niet uit het dossier. Verdachte heeft hier ook wisselend over verklaard bij de politie. Tijdens zijn eerste verhoor verklaart verdachte dat hij aangeefster heeft gebeld voor toestemming toen hij in Turkije was, en tijdens zijn tweede verhoor verklaart verdachte dat hij aangeefster heeft gebeld toen hij al in Syrië was. In de oproepenlijst van verdachte zijn telefoon is te zien dat hij op 16 juli 2025 drie minuten belt naar aangeefster; toen was hij met de kinderen in Griekenland. Daarna belt hij pas weer, 8 minuten lang, op 18 juli 2025. Dit komt overeen met de eerste melding die aangeefster deed, toen zij op 18 juli 2025 in Amersfoort was en daar naar de politie ging na het telefoontje van 18 juli. Uit het dossier blijkt daarnaast ook dat moeder slechts toestemming heeft gegeven voor een reis naar Griekenland, met een dagtrip naar Turkije, in de periode van 16 juli 2025 tot en met 24 juli 2025. Verder staat vast dat verdachte in de periode voorafgaand aan de periode dat hij naar het buitenland vertrok, meerdere zoekopdrachten heeft
gedaan. Zo heeft verdachte op 5 juli 2025 gezocht: “Kan de moeder het gezag van de kinderen aan de vader afstaan, ook al zijn ze getrouwd?”. Ook heeft verdachte gezocht op: “Welke documenten heb ik nodig om met mijn jonge kinderen te reizen als de moeder is overleden?”, en “De vader van mijn kinderen is met de kinderen naar Turkije gegaan en is niet teruggekomen. Wat moet ik doen?”. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte wel degelijk wist waar hij mee bezig was. Daarmee kan het volgens de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte wist dat hij toestemming nodig had om de kinderen mee te nemen naar Syrië. Nu nergens uit het dossier blijkt dat aangeefster hier daadwerkelijk toestemming voor heeft gegeven, is het opzet van verdachte op het onttrekken gegeven.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten laste van verdachte de gehele periode bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de tickets naar Syrië al in maart had geboekt en dat aangeefster hier niet van af wist. Hij heeft ook verklaard dat hij wist dat aangeefster hier niet mee akkoord zou gaan als hij haar in Nederland had gevraagd om met de kinderen naar Syrië te gaan. Uit onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt dat hij op 8 juli 2025 een e-mail van Turkish Airlines heeft ontvangen met daarin een boekingsbevestiging voor een vlucht naar Damascus voor verdachte zelf en de twee kinderen. De rechtbank kan daarom niet anders concluderen dan dat verdachte al voor zijn vertrek naar Griekenland en op het moment dat hij de kinderen ophaalde bij aangeefster op 12 juli 2025, wist dat hij met de kinderen naar Syrië zou vertrekken.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Nu verdachte feit 2 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 februari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 augustus 2025, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] (met bijlage).
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat de verweten periode van 17 juli 2025 tot en met 23 augustus 2025, niet in zijn geheel wettig en overtuigend kan worden bewezen en zal verdachte daarom vrijspreken van deze periode van de tenlastelegging en verdachte slechts veroordelen voor de datum van 18 juli 2025, nu uit het dossier blijkt dat dit de datum is waarop verdachte de brief met eisen naar aangeefster heeft verstuurd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 12 juli 2025 tot en met 23 augustus 2025 te [plaats] in de gemeente Eemsdelta, althans in Nederland, Griekenland, Turkije en Syrië opzettelijk de minderjarigen, [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum] 2019 en [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum] 2021, heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren;
2.
hij op 18 juli 2025 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer 3] , door een feitelijkheid gericht tegen die ander, te weten [slachtoffer 3] , wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen, door aan die [slachtoffer 3] een brief met eisen te sturen (via whatsapp) en te eisen van die [slachtoffer 3]
-met hem te trouwen en
-met hem een derde kind te nemen en
-hem alleenrecht te geven op het gezag van alle kinderen en
-haar huis te verkopen en
-geen contact te hebben met haar familie en
-geen andere man in haar leven te hebben en
van die [slachtoffer 3] te eisen om aan eerdergenoemde eisen te voldoen om haar kinderen weer te kunnen zien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1.
Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, meermalen gepleegd.
2.
Een ander door een feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in de door haar omtrent verdachte opgemaakte rapportage d.d. 21 januari 2026. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht oplegt, waarbij wordt bevolen dat
verdachte zich gedurende 5 jaren zal onthouden van enig contact met mevrouw [slachtoffer 3] en de kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft zij aangevoerd dat zij geen indicaties in het dossier ziet om als bijzondere voorwaarden het begeleid wonen en het beheersen van middelengebruik op te leggen. Verdachte heeft nog een eigen woning waar hij weer terug kan en daarnaast heeft hij aangegeven geen middelen te gebruiken. Ten aanzien van het contactverbod en de 38v-maatregel heeft de raadsvrouw bepleit dat dit contactverbod niet voor de kinderen moet gelden, nu dit niet door de reclassering is geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft zijn twee minderjarige kinderen onttrokken aan het gezag door met de kinderen, zonder toestemming en medeweten van aangeefster, naar Syrië te reizen. Eenmaal in Syrië aangekomen, heeft verdachte geprobeerd om aangeefster op een indringende en dreigende manier te dwingen om de relatie voort te zetten. Daarbij heeft hij aangeefster een brief gestuurd met daarin meerdere, en voor hem niet onderhandelbare, eisen. Wanneer aangeefster hier niet aan zou voldoen, zou zij haar kinderen nooit meer te zien krijgen. Door het meenemen van zijn twee minderjarige kinderen naar Syrië en door het sturen van de brief met eisen, is er bij aangeefster een grote angst ontstaan. Haar angst was niet alleen vanwege alle dreigementen die verdachte heeft geuit over het feit dat zij haar kinderen niet meer te zien zou krijgen, maar ook omdat het niet veilig is om naar Syrië te reizen. Dit blijkt ook uit een negatief, rood, reisadvies op de website van het Ministerie van Buitenlandse zaken ten tijde van verdachtes gedraging jegens aangeefster. Door aldus te handelen heeft verdachte het voor aangeefster onmogelijk gemaakt haar taak als één van degenen die met het gezag was belast uit te voeren. Dit heeft haar, naar de rechtbank heeft kunnen afleiden uit de door haar opgestelde stukken die zich in het dossier bevinden en haar verklaring ter terechtzitting, emotioneel zeer aangegrepen. Verdachte heeft met zijn handelen het belang van aangeefster volledig genegeerd en haar misleid door te zeggen dat hij de kinderen slechts zou meenemen op een vakantie naar Griekenland. Tot op de zitting heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid niet volledig genomen. Alhoewel hij spijt heeft betuigd, heeft hij ook steeds verwijten bij aangeefster neergelegd en daarmee zijn eigen aandeel proberen af te zwakken. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Als strafverzwarende omstandigheid neemt de rechtbank mee dat verdachte pas is teruggekomen vanuit Syrië op het moment dat aangeefster heeft gedaan alsof zij weer samen een gezin zou willen vormen met verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet aan verdachte te danken is dat hij uiteindelijk samen met de twee kinderen weer teruggekomen is.
Het handelen van de verdachte heeft een grote impact gehad op aangeefster, die als gevolg van de gebeurtenissen gediagnosticeerd is met een posttraumatische stressstoornis en hiervoor onder behandeling is bij een psycholoog. Ook op de kinderen heeft het handelen van verdachte een grote impact gehad. Voor beide kinderen is behandeling door middel van specialistische gezinsbegeleiding nodig.
De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk en overweegt dat voor het plegen van dergelijke strafbare feiten in beginsel geen andere straf passend is dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Ter beantwoording van de vraag op welke wijze de onderhavige zaak moet worden afgedaan, heeft de rechtbank ook acht geslagen op de persoon van verdachte en hetgeen de deskundigen hieromtrent adviseren. De rechtbank heeft in dat kader acht geslagen op het advies van de reclassering in het rapport
d.d. 21 januari 2026. Daaruit blijkt dat de reclassering signalen ziet die mogelijk kunnen leiden tot femicide: het dreigen met zelfmoord, het bedreigen met de dood richting aangeefster en de kinderen, bezitsdrang en jaloezie en stressfactoren zoals financiële en psychologische stress. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden schat de reclassering in als gemiddeld tot hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de door haar in de rapportage geformuleerde bijzondere voorwaarden.
Op grond van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke strafdeel als waarschuwing dient aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Ook maakt een voorwaardelijk strafdeel het mogelijk dat verdachte onder toezicht van de reclassering komt te staan en er aanvullende voorwaarden worden opgelegd om zo het recidiverisico te beperken.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht), waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in voornoemde rapportage, met uitzondering van de bijzondere voorwaarde die ziet op het beheersen van het middelengebruik. Ten aanzien van het contactverbod oordeelt de rechtbank dat dit verbod ook zal gelden voor de twee kinderen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Mocht contact in het kader van herstel of bemiddeling of de gezamenlijke kinderen in de toekomst nodig zijn, zal dit in overleg met de reclassering en een derde instantie kunnen plaatsvinden en na overleg met het Openbaar Ministerie.
De rechtbank is van oordeel dat een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist op zijn plaats is, nu er sprake is van een ernstig feit waardoor twee zeer jonge kinderen gedurende enige tijd van hun moeder zijn afgenomen, door hen, tegen de uitdrukkelijke afspraak in, naar een (op dat moment) gevaarlijk land te brengen en daar geruime tijd met hen te verblijven. Ook de ernstige gevolgen die de gedraging voor moeder en beide kinderen hebben gehad, alsmede de laakbare inhoud van de brief aan aangeefster, zijn voor de rechtbank aanleiding geweest om ten nadele van verdachte af te wijken van de eis van de officier van justitie.
Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 5 jaren, ter voorkoming van strafbare feiten gericht tegen aangeefster en de kinderen, bestaande uit een contactverbod, een en ander zoals vermeld in het dictum. Ook hier geldt dat, mocht contact in het kader van herstel of bemiddeling of
de gezamenlijke kinderen in de toekomst nodig zijn, dit in overleg met de reclassering en een derde instantie zal kunnen plaatsvinden en na overleg met het Openbaar Ministerie. Voor elke overtreding van de vrijheidsbeperkende maatregel wordt 2 weken vervangende hechtenis toegepast met een maximum van 6 maanden.
Naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefster en de kinderen. De rechtbank gelast daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 3] (ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde), tot een bedrag van
951,95 ter vergoeding van materiële schade en 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [slachtoffer 1] (ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde), tot een bedrag van 4.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [slachtoffer 2] (ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde), tot een bedrag van 4.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] (onder 1 en 2 ten laste gelegde)
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schade moet worden gematigd. Ten aanzien van de materiële schade heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (onder 1 ten laste gelegde)
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen, maar dat de toe te wijzen bedragen gematigd dienen te worden.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] (onder 1 en 2 ten laste gelegde)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële en immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partij zich onder
behandeling heeft moeten stellen van een psycholoog voor traumabehandeling. De rechtbank ziet, gelet op de aard en de ernst van de feiten, geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (onder 1 ten laste gelegde)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde immateriële schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partijen beide specialistische gezinsbegeleiding nodig hebben. De rechtbank ziet, gelet op de aard en de ernst van het feit, geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 279 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de Reclassering Nederland, [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd, gedurende de gehele proeftijd, of zoveel korter als de behandelinstelling nodig acht, meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door de AFPB of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na aanmelding en zodra er plek is. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start wanneer er plek is. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact heeft of zoekt met:
[slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] -1987 te [geboorteplaats] ;
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , en:
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit contactverbod, zolang de reclassering dat nodig vindt. Met elektronische monitoring via enkelband en slachtofferdevice kan de reclassering de genoemde personen informeren als betrokkene dichtbij komt. Mocht contact in het kader van herstel, bemiddeling of de gezamenlijke kinderen nodig zijn, zal dit altijd in overleg met de reclassering en een derde instantie plaatsvinden en na overleg met het Openbaar Ministerie;
5. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt binnen een straal van 10 kilometer rondom de stad [plaats] , in de provincie Groningen (zie bijlage). De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de vijfde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de Penitentiaire inrichting waar de veroordeelde op dat moment verblijft;
6. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Legt aan de verdachte op
de maatregelstrekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Dit houdt in dat:
de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 3] , geboren [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , slachtoffers in deze zaak. Mocht contact in het kader van herstel, bemiddeling of de gezamenlijke kinderen nodig zijn, dan zal dit altijd in overleg met de reclassering en een derde instantie plaatsvinden en na overleg met het Openbaar Ministerie.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij

Ten aanzien van [slachtoffer 3] (feit 1 en 2)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
  • het bedrag van 7.951,95 (zegge: zevenduizend negenhonderdeenenvijftig euro en vijfennegentig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.951,95 (zegge: zevenduizend negenhonderdeenenvijftig euro en vijfennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van 5.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van 2.951,95 aan materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 64 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 1)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 4.000,00 (zegge: vierduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 1)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 4.000,00 (zegge: vierduizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door mr. M.A.W. Egberink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 februari 2026.
Bijlage: verboden gebied een straal van 10 kilometer rondom de stad [plaats]