ECLI:NL:RBNNE:2026:362

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
18-305942-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging met vuurwapen en bezit vuurwapen en munitie in Leeuwarden

Op 13 november 2025 bedreigde verdachte bij het busstation in Leeuwarden vier jongens met een semi-automatisch pistool en had hij daarbij munitie van hetzelfde kaliber bij zich. Verdachte bekende het wapen te hebben geladen en getoond, maar ontkende het wapen op de slachtoffers te hebben gericht. De rechtbank achtte de bedreiging en het bezit van het vuurwapen en munitie wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van verklaringen van de slachtoffers, het DNA-spoor op het wapen en een materiedeskundigenrapport.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van de feiten, het gevaar van vuurwapenbezit, het strafblad van verdachte en het advies van de reclassering. Verdachte liep nog proeftijd van eerdere veroordelingen en de rechtbank gelastte de tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijke gevangenisstraffen, waarbij een deel werd omgezet in een taakstraf.

Het vuurwapen en de munitie werden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank verlengde tevens de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf met één jaar. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 9 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar wegens bedreiging met vuurwapen en bezit vuurwapen en munitie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-305942-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-163997-23 en 18-243761-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 9 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , ingeschreven te [adres] ,
thans gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.A. Valk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
  • een vuurwapen aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te tonen en/of
  • dat vuurwapen door te laden en/of
  • dat vuurwapen op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 4] te richten;
2.
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Retay, type 17, kaliber 9mm Kort zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 13 november 2025 te Leeuwarden munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een of meer centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 9mm Kort voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft ten aanzien van de bedreiging naar voren gebracht dat verdachte heeft bekend dat hij een wapen bij zich droeg, dit wapen heeft doorgeladen en heeft laten zien aan de vier aangevers. Het DNA van verdachte is ook aangetroffen op de binnen- en buitenzijde van het wapen. Verdachte ontkent dat hij het wapen op de aangevers heeft gericht. Op basis van de aangiften kan echter wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het wapen op aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] heeft gericht.
Ook feiten 2 en 3 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden. In het dossier zit een beschrijving van het wapen en van de munitie, welke is opgemaakt door een materiedeskundige van de Forensische Opsporing. Zowel het wapen als de munitie vallen onder categorie III van de Wet wapens en munitie.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Verdachte ontkent echter wel dat hij het wapen op de aangevers heeft gericht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De opgave luidt als volgt:
Feit 1
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 november 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025308850 van 14 november 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 november 2025, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 november 2025, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 november 2025, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .
Feit 2 en feit 3
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen van 4 december 2025, opgenomen op pagina 75 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025308850 van 14 november 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging feit 1
De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen ook wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het wapen op aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] heeft gericht. Beide aangevers hebben verklaard dat verdachte het wapen op hun benen richtte. Daarnaast heeft aangever [slachtoffer 2] verklaard dat hij zag dat verdachte het wapen op aangever [slachtoffer 1] richtte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 13 november 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door
  • een vuurwapen aan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te tonen en
  • dat vuurwapen door te laden en
  • dat vuurwapen op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] te richten;
2.
hij op 13 november 2025 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Retay, type 17, kaliber 9mm Kort, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 13 november 2025 te Leeuwarden munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 9mm Kort, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten 2 en 3 in eendaadse samenloop zijn begaan, nu de munitie van feit 3 zich in de kamer en het magazijn van het vuurwapen van feit 2 bevond.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de proeftijd op 2 jaren wordt vastgesteld en dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden verbonden. Aan die voorwaarden dient toegevoegd te worden dat verdachte geen alcohol mag gebruiken en mee dient te werken aan controles op dit verbod.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat aan verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijk kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd zou moeten worden opgelegd, aangezien een dergelijk hoge straf geen enkel perspectief biedt. Een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, vindt hij wel passend. Aan de voorwaardelijke straf kunnen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld en de proeftijd kan op 2 jaren worden vastgesteld.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering van 22 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Verdachte heeft bij het busstation in Leeuwarden vier jongens bedreigd met het vuurwapen. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk en kwalijk dat verdachte bewust de keuze heeft gemaakt om een wapen bij zich te dragen en hiermee vervolgens, feitelijk zonder enige aanleiding en op de openbare weg, vier jonge jongens heeft bedreigd. De rechtbank overweegt daarbij dat het bezit van een dergelijk wapen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt. De praktijk wijst uit dat het bezit van vuurwapens vaak leidt tot het gebruik daarvan. Dit leidt niet zelden tot levensgevaarlijke situaties, ook voor omstanders.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij in december 2024 door de politierechter is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie. Daarnaast is verdachte in januari 2024 veroordeeld voor het in vereniging plegen van een diefstal met geweld. Verdachte heeft de huidige feiten gepleegd, terwijl hij nog in een proeftijd liep van de hiervoor genoemde strafbare feiten.
Persoon van verdachte
Uit het rapport van de reclassering volgt dat verdachte al op jonge leeftijd voor het eerst in aanraking is gekomen met politie en justitie. Sinds de veroordeling van verdachte in januari 2024 is de reclassering betrokken bij verdachte. Het reclasseringstoezicht verliep goed. Verdachte hield zich aan de bijzondere voorwaarden, een behandeling gericht op zijn middelenproblematiek, agressieregulatie en
terugvalpreventie is positief afgesloten en er was sprake van stabiliteit in het leven van verdachte. Desondanks heeft verdachte opnieuw een strafbaar feit gepleegd. Er bestaan bij de reclassering dan ook zorgen omtrent het sociale netwerk van verdachte, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding.
Daarnaast is verdachte enkele weken voor de aanhouding in onderhavige zaak zijn baan verloren en door de huidige detentie is de huur van zijn woning opgezegd. De reclassering schat de kans op herhaling en de kans op letsel in als gemiddeld tot hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en aan die straf een aantal bijzondere voorwaarden te verbinden. De reclassering is van mening dat een langer verblijf in detentie een contraproductief effect zal hebben op verdachte. Verdachte is erbij gebaat om snel weer deel te nemen aan de maatschappij. Daarnaast zal het bieden van toekomstperspectief, waarbij verdachte de kans krijgt om maatschappelijk geaccepteerde doelen na te leven, een positief effect kunnen hebben op verdachte.
Straf
Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat de slachtoffers in deze zaak vier jonge jongens betreffen die verdachte niet kenden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een langdurige gevangenisstraf passend is in deze zaak. De rechtbank houdt echter ook rekening met de jonge leeftijd van verdachte en het hetgeen de reclassering in haar rapport naar voren heeft gebracht. Daaruit volgt dat behandeling volgens de reclassering dient te prevaleren boven detentie en dat detentie een contraproductief effect zal hebben op verdachte.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, in deze zaak passend en geboden. De rechtbank zal de proeftijd vaststellen op 3 jaren. De rechtbank zal in onderhavige zaak geen bijzondere voorwaarden aan verdachte opleggen en verwijst hierbij naar hetgeen hierna ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18-243761-23 is opgenomen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wapen en de munitie moeten worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat verdachte afstand doet van het wapen en de munitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het vuurwapen en de munitie onttrekken aan het verkeer, omdat de bewezenverklaarde feiten met deze voorwerpen zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 18-163997-23
Bij onherroepelijk vonnis van 18 december 2024 van de politierechter in deze rechtbank (locatie Leeuwarden), is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 28 dagen. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte voor het einde van proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De proeftijd is vastgesteld op 2 jaren. De officier van justitie heeft bij vordering van 30 december 2025 de tenuitvoerlegging van deze straf gevorderd.
Parketnummer 18-243761-23
Bij onherroepelijk vonnis van 30 januari 2024 van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank (locatie Leeuwarden), is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 171 dagen. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte voor het einde van proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De proeftijd is vastgesteld op 3 jaren. De officier van justitie heeft bij vordering van 30 december 2025 de tenuitvoerlegging van deze straf gevorderd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen moeten worden toegewezen. Verdachte liep in twee proeftijden waardoor het voor hem duidelijk moest zijn dat hij geen nieuwe strafbare feiten mocht plegen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de proeftijd in beide zaken verlengd kan worden of dat de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen omgezet kunnen worden in taakstraffen. Op die manier ervaart verdachte dat zijn gedrag consequenties heeft maar wordt zijn toekomstperspectief hem niet ontnomen. De raadsman verwijst daarbij naar het rapport van de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-163997-23
De rechtbank zal de tenuitvoerlegging gelasten van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 28 dagen, omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd.
Bovendien is deze voorwaardelijke straf aan verdachte opgelegd wegens overtreding van de Wet wapens en munitie. Hij wordt in onderhavige zaak opnieuw veroordeeld voor overtreding van deze wet.
Parketnummer 18-243761-23
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op het rapport van de reclassering en hetgeen ter terechtzitting is besproken, ziet de rechtbank aanleiding om de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten, te weten 60 dagen, en deze gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf van 160 uren. De rechtbank overweegt daarbij dat het wenselijk is dat het toezicht vanuit de reclassering wordt voortgezet en dat de opgelegde bijzondere voorwaarden in stand worden gelaten. De rechtbank ziet daarbij ook aanleiding om de proeftijd met één jaar te verlengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 55, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, te weten 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • het inbeslaggenomen vuurwapen (registratienummer 251113-2269-635)
  • de inbeslaggenomen munitie (registratienummer 251113-2269-558)

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.163997-23:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 18 december 2024 te weten
een gevangenisstraf van 28 dagen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.243761-23:

Gelast de tenuitvoerlegging van
een gedeeltevan de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 januari 2024, te weten
een gevangenisstraf van 60 dagenen
zet deze gevangenisstraf om in een taakstraf van 160 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis,en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af.
Verlengt de in het vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 januari 2024, vastgestelde proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.P Eckert, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Boskma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2026.