ECLI:NL:RBNNE:2026:353

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
18/206116-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot doodslag met vuurwapen en wapenbezit

Op 15 augustus 2023 ontstond een conflict tussen verdachte, zijn partner en het slachtoffer, waarbij verdachte een vuurwapen tevoorschijn haalde en aan zijn partner gaf met de instructie om op het slachtoffer te schieten. De partner schoot vijf keer, waarbij het slachtoffer ernstig werd verwond maar overleefde.

De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger is van poging tot doodslag, omdat hij het wapen bewust aan zijn partner gaf en haar aanmoedigde te schieten. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen omdat de situatie niet zodanig was dat het gebruik van het vuurwapen proportioneel was.

Verdachte werd ook veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een contact- en locatieverbod. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €15.000 toegekend aan het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een schadevergoeding van €15.000 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/206116-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum ] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 november 2024, 19 december 2024 en 13 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.H. Titahena, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen (meermalen) heeft geschoten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
[medeverdachte] , op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven met een vuurwapen (meermalen) heeft geschoten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
aan welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, toen aldaar medeplichtig is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn bij en/of door het verschaffen van gelegenheid en middelen of inlichtingen tot het plegen daarvan, immers heeft hij, verdachte,
  • een vuurwapen gedragen en/of voorhanden gehad, en/of
  • dit vuurwapen aan die [medeverdachte] verstrekt;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • een breuk door het bovenste deel van het borstbeen (rechter zijde), en/of
  • een bloeding en enig vrije lucht in het mediastinum (ruimte achter het borstbeen en tussen de beide longen), en/of
  • een klaplong (rechts) met beschadiging van de bovenste longkwab (rechts), en/of
  • bloed in de (rechter) longholte, en/of
  • breuk van de vijfde rib (rechts) aan de achterzijde,
heeft toegebracht door met een vuurwapen (meermalen) te schieten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] ;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
[medeverdachte] , op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • een breuk door het bovenste deel van het borstbeen (rechter zijde), en/of
  • een bloeding en enig vrije lucht in het mediastinum (ruimte achter het borstbeen en tussen de beide longen), en/of
  • een klaplong (rechts) met beschadiging van de bovenste longkwab (rechts), en/of
  • bloed in de (rechter) longholte, en/of
  • breuk van de vijfde rib (rechts) aan de achterzijde,
heeft toegebracht door met een vuurwapen (meermalen) te schieten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] ,
aan welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, toen aldaar medeplichtig is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn bij en/of door het verschaffen van
gelegenheid en middelen of inlichtingen tot het plegen daarvan, immers heeft hij, verdachte,
  • een vuurwapen gedragen en/of voorhanden gehad, en/of
  • dit vuurwapen aan die [medeverdachte] verstrekt;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen (meermalen) heeft geschoten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
[medeverdachte] , op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen (meermalen) heeft geschoten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
aan welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, toen aldaar medeplichtig is geweest door opzettelijk behulpzaam te zijn bij en/of door het verschaffen van gelegenheid en middelen of inlichtingen tot het plegen daarvan, immers heeft hij, verdachte,
  • een vuurwapen gedragen en/of voorhanden gehad, en/of
  • dit vuurwapen aan die [medeverdachte] verstrekt;
2.
hij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
  • een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of
  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf, althans een hoeveelheid, hulzen, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Aangeefster heeft niet gezien hoe het vuurwapen in de handen van medeverdachte [medeverdachte] terecht is gekomen. Zij heeft dus ook niet waargenomen dat verdachte het wapen bewust aan haar heeft gegeven. Er is ook geen onafhankelijk getuige die dit heeft gezien. Bovendien heeft niemand gehoord dat verdachte tegen haar zou hebben gezegd dat zij aangeefster neer moest schieten, terwijl aangeefster verklaart dat verdachte dit geschreeuwd zou hebben. Verder is het feit dat verdachte het wapen heeft afgepakt van [medeverdachte] een sterke contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster. Hieruit blijkt dat hij helemaal niet wilde dat het wapen gebruikt zou worden. Tot slot kunnen de verklaringen van getuige [getuige] niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte het wapen bewust aan [medeverdachte] heeft gegeven en daarbij zou hebben gezegd dat zij moest schieten. Haar verklaringen zijn onlogisch, bevatten inconsistenties en zijn in strijd met hetgeen verdachte en [medeverdachte] verklaren. Bovendien waren de verhoudingen tussen verdachte en [getuige] heel erg slecht, hetgeen de betrouwbaarheid van [getuige] als getuige en de inhoud van haar verklaring raakt.
Verder is gebleken dat zij met anderen heeft gesproken en kan zij door externe informatiestromen beïnvloed zijn. Tot slot gaat het over haar persoonlijke interpretatie over hetgeen verdachte gezegd zou hebben.
Primair kan niet bewezen worden dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster om het leven zou worden gebracht. Voorts heeft hij geen opzettelijke bijdrage geleverd die van voldoende gewicht is voor medeplegen. Ook kunnen de ten laste gelegde gedragingen zoals benoemd in de medeplichtigheidsvariant niet wettig en overtuigend bewezen worden.
Subsidiair is er op zijn minst twijfel over hetgeen zich heeft afgespeeld. Dit dient in het voordeel van verdachte tot een vrijspraak te leiden.
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde medeplegen aangezien verdachte het wapen niet bewust aan [medeverdachte] heeft verstrekt.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 12 november 2024 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 15 augustus 2023 ging ik wandelen met mijn vrouw, [medeverdachte] , onze zoon en de kinderwagen. Ik had een vuurwapen meegenomen. Nadat we aangeefster tegenkwamen, zijn de vrouwen in gevecht geraakt. [medeverdachte] heeft vijf keer geschoten met het vuurwapen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 augustus 2023, opgenomen op pagina 104 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-
2023216206 d.d. 19 september 2023, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Op 15 augustus 2023 ben ik van huis vertrokken. Onderweg op de [straatnaam] in [plaats] kwam ik [medeverdachte] en [verdachte] tegen. Ik hoorde de man zeggen: “Je moet haar schieten, dat moet je doen, je moet haar schieten”. Ik hoorde hem dat diverse keren roepen. Ik hoorde toen ook het geluid dat er geschoten werd. Ik raakte in shock. Ik zag dat ik bloed op mijn lichaam had. De kogel is op het midden van mijn borstbeen mijn lichaam in gegaan. De artsen hebben de kogel uit mijn lichaam gehaald. Ik ben één keer geraakt door een kogel. [medeverdachte] heeft geschoten.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2023, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:
[slachtoffer] vertelde ons samengevat het volgende: “Die meneer
[naar de rechtbank begrijpt: verdachte]had een tas, een kleine tas. Hij pakte zn ding en gaf het aan de vrouw en hij zei: Shoot ze. Shoot, shoot, doe het. En de vrouw schoot, zo was het.”
4. Een schriftelijk bescheid, te weten een forensisch medische letselrapportage van de GGD Groningen d.d. 9 januari 2024, bijgevoegd bij voornoemd dossier, opgemaakt door [arts] op algemene belofte als forensisch arts, voor zover inhoudend als verklaring:
Het betreft letsel aan de borstkas met breuken van het borstbeen en van een rib, een bloeding in de ruimte achter het borstbeen, een klaplong en een bloeding in de longholte. Het letsel betreft een schotverwonding. Aan de voorzijde van de borstkas is een enkele wond aangetroffen, aan de rugzijde rechts werd een onderhuids gelegen kogel aangetroffen. In de medische literatuur wordt een sterftepercentage van 28% gemeld bij patiënten met een schotverwonding in de borstkas die levend het ziekenhuis bereiken. Dit percentage loopt op tot ongeveer 50% als ook de patiënten met een schotverwonding in de borstkas worden meegerekend die overlijden voordat ze het ziekenhuis bereiken.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris op 24 september 2024, inhoudende als verklaring van de getuige:
Op 15 augustus 2023 ging de bel. [verdachte] stond voor de deur. Hij was in paniek. Hij zei: “Er is gebeurd wat moest gebeuren. [medeverdachte] heeft die vrouw “geklapt” zodat deze vrouw “laf bleef”. [verdachte] zei dat hij een pistool trok uit zijn tasje en dat hij het pistool toen aan [medeverdachte] heeft gegeven en heeft gezegd: “schiet, schiet die vrouw”. Hij vertelde dat [medeverdachte] het wapen van hem had aangepakt en vijf keer had geschoten. Ik heb daarna [medeverdachte] gevraagd of het zo was gegaan en zij bevestigde dat. Ze vertelden dat de vrouw was geraakt. Het ergste is dat het [zoon] alles heeft gezien. Hij vertelde mij dat zijn vader het pistool pakte uit zijn tasje, dat hij het wapen aan mama gaf en dat mama heeft geschoten, vijf keer.
6. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 288
e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:
Inbeslagneming
Op 15 augustus 2023 vond een opzettelijk schietincident plaats op de [straatnaam] te [plaats] . Op de plaats delict werden vijf hulzen van verschoten patronen aangetroffen. Deze werden in beslag genomen.
Volgnummer 1
Goednummer : PL0100-2023216206-1632512
Spoor identificatienr. : AAQW4714NL
Volgnummer 2
Goednummer : PL0100-2023216206-1632516
Spoor identificatienr. : AAQW4713NL
Volgnummer 3
Goednummer : PL0100-2023216206-1632517
Spoor identificatienr. : AAQW4712NL
Volgnummer 4
Goednummer : PL0100-2023216206-1632518
Spoor identificatienr. : AAQW4711NL
Volgnummer 5
Goednummer : PL0100-2023216206-1632519
Spoor identificatienr. : AAQW4710NL
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 18 december 2023, bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Het betreffende vuurwapen waarmee de hulzen zijn verschoten, is naar verwachting een semiautomatisch pistool dat bestemd is om projectielen van eenheidspatronen in het kaliber 6,35 mm door een loop af te schieten. De werking van een dergelijk vuurwapen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Een dergelijk pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
De vijf (5) hulzen zijn geschikt om munitie van te maken als bedoeld in artikel 3 lid 2 van Pro de Wet wapens en munitie. Hierdoor zijn deze hulzen, munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid Pro 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Na een affaire tussen medeverdachte [medeverdachte] en de partner van aangeefster, [partner slachtoffer] , ontstaat een langdurig conflict tussen [medeverdachte] en haar partner, verdachte, enerzijds
en aangeefster en [partner slachtoffer] anderzijds. Dit conflict leidt uiteindelijk tot een ernstig geweldsincident waarbij aangeefster door [medeverdachte] wordt neergeschoten.
In de ochtend van 15 augustus 2023 lopen verdachte en [medeverdachte] samen met hun zoontje, [zoon] , en de kinderwagen in de richting van de [straatnaam] in [plaats] . Daar komt aangeefster hen
tegemoet. Al snel ontstaat er ruzie en op een gegeven moment komen aangeefster en [medeverdachte] in een worsteling terecht. Gedurende deze ruzie en de daaropvolgende worsteling krijgt [medeverdachte] een vuurwapen in haar handen. Zij schiet daar vijf keer mee. Eén van de kogels raakt aangeefster in haar borst. Als gevolg heeft aangeefster een breuk aan haar borstbeen, een gebroken rib, een bloeding in de ruimte achter het borstbeen, een klaplong en een bloeding in de longholte. Ze overleeft het voorval.
[medeverdachte] heeft verklaard dat het zwart werd voor haar ogen en dat zij zich niet kan herinneren dat ze het vuurwapen in haar handen kreeg en dat zij hiermee heeft geschoten. Uit het dossier blijkt echter duidelijk dat zij degene is die heeft geschoten en dit wordt door haar in zoverre ook niet ontkend.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het overlijden van aangeefster aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
[medeverdachte] heeft in een chaotische situatie waarin aangeefster zich op zeer korte afstand van haar bevond, meerdere malen met een vuurwapen geschoten. Zij heeft daarbij aangeefster geraakt in het bovenlichaam. Naar algemene ervaringsregels roept het schieten met een vuurwapen in het bovenlichaam, en zeker van zo dichtbij, de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden, nu er zich in het bovenlichaam diverse vitale organen bevinden die door een schotwond zodanig beschadigd kunnen raken dat als gevolg daarvan de dood van het slachtoffer intreedt. Bij dit soort schotverwondingen is blijkens de letselrapportage in het algemeen de kans op de dood 50%.
Nu het algemene ervaringsregels betreffen, heeft eenieder en dus ook [medeverdachte] wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen die immers zozeer gericht zijn op een bepaald gevolg, te weten de dood van het slachtoffer volgt dat [medeverdachte] deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat zij die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een poging tot doodslag.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de rol van verdachte gekwalificeerd kan worden als medepleger. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan
worden bewezen verklaard als daarbij sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking indien de materiële en/of intellectuele bijdrage van de ander aan het strafbare feit van voldoende gewicht is.
De rechtbank stel voorop dat vaststaat dat het verdachte is geweest die een wapen heeft meegenomen tijdens een wandeling met zijn gezin. Het is ook verdachte die het wapen uit zijn tasje tevoorschijn haalt op het moment dat er het conflict met aangeefster ontstaat. Uit de verklaring van aangeefster blijkt vervolgens dat verdachte het wapen aan [medeverdachte] heeft gegeven en dat hij tegen haar heeft gezegd dat zij aangeefster neer moest schieten. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] . Deze getuige heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris consistent verklaard dat verdachte direct na het incident tegen haar heeft gezegd dat hij het wapen aan [medeverdachte] heeft gegeven en haar heeft aangemoedigd om te schieten. De rechtbank vindt die verklaring betrouwbaar.
Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij het wapen niet heeft gegeven, maar dat [medeverdachte] dit van hem zou hebben afgepakt, maar dit vindt geen steun in ander bewijs. De rechtbank ziet ook niet voor zich hoe [medeverdachte] het wapen van verdachte kan afpakken terwijl zij in gevecht is met aangeefster en verdachte (zo volgt uit zijn eigen verklaring) zich bekommert om hun baby die uit de kinderwagen was gevallen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook niet aannemelijk en gaat er vanuit dat hij het wapen niet alleen aan [medeverdachte] heeft gegeven, maar dat hij [medeverdachte] ook nog eens heeft aangemoedigd door meermaals te zeggen dat ze moest schieten. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Verdachte heeft bekend dat hij het wapen op 23 augustus 2023 voorhanden heeft gehad, Hoewel het wapen niet is gevonden, wordt aan de hand van de aangetroffen hulzen geconcludeerd dat het gaat om een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen aangezien verdachte het vuurwapen aan [medeverdachte] heeft gegeven.
De rechtbank acht daarmee het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een ander, ter
uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meermalen heeft geschoten in de borst en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij op 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een ander,
  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf hulzen, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Standpunt van de verdediging
Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Op het moment dat aangeefster met ferme pas op verdachte en [medeverdachte] komt aflopen, is er in de gegeven omstandigheden en bezien tegen de achtergrond van eerdere bedreigingen aan het adres van verdachte en [medeverdachte] sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf alsmede dat van de leden van zijn gezin. Verdachte en [medeverdachte] hebben geprobeerd om de confrontatie te ontwijken. Daarnaast heeft verdachte geprobeerd om aangeefster te waarschuwen door het wapen te tonen. Dit heeft echter niet geholpen en aangeefster heeft vervolgens de kinderwagen omgeduwd, hetgeen levensbedreigend letsel kan opleveren voor de baby. Daarnaast heeft zij [medeverdachte] aangevallen. Verdachte kon zich hier niet aan onttrekken en bovendien kon dat ook niet van hem gevergd worden gelet op de aanranding en de onmiddellijke dreiging daarvoor ten aanzien van zijn zeer jonge kinderen en zijn vrouw, die nog medische klachten had in verband met haar recente bevalling. Verdachte heeft proportioneel gehandeld door eerst te dreigen met het vuurwapen en daarna, nadat [medeverdachte] werd aangevallen en de kinderwagen omver was geduwd, het vuurwapen over te dragen en te instrueren om te schieten. De onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht en het feit dat verdachte het vuurwapen heeft meegenomen, staan niet in de weg aan het aannemen van noodweer.
Subsidiair komt verdachte een beroep op noodweerexces toe. Verdachte verkeerde in paniek en in grote angst door de (dreigende) aanval van aangeefster. Deze aanval veroorzaakte een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Hetgeen logisch en aannemelijk is gelet op de eerdere bedreigingen. Deze hevige gemoedsbeweging is de oorzaak van zijn handelen, te weten het overdragen van het vuurwapen aan [medeverdachte] en het zeggen dat zij moet schieten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces dient te worden verworpen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces allereerst de vraag moet worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging geboden was.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende relevante feiten en omstandigheden vast.
In eerste instantie komt aangeefster met ferme pas aflopen op verdachte en [medeverdachte] . Vervolgens bewegen [medeverdachte] en aangeefster zich naar het midden van de weg en belaagt aangeefster [medeverdachte] . [medeverdachte] valt op de grond en aangeefster duikt bovenop haar. Zij raken in gevecht op straat. Tijdens het vechten loopt verdachte naar [medeverdachte] en aangeefster. [medeverdachte] staat op en aangeefster valt op straat. Vervolgens wordt aangeefster belaagd door [medeverdachte] . [medeverdachte] zit daarna bovenop aangeefster.
Hoewel het onduidelijk blijft wanneer er precies is geschoten, staat wel vast dat verdachte op een gegeven moment een vuurwapen overhandigt aan [medeverdachte] en dat zij hiermee aangeefster neerschiet.
Hoewel aangeefster aanvankelijk degene is die de confrontatie opzoekt, is de rechtbank van oordeel dat de bovenstaande feiten en omstandigheden geen beroep op noodweer of noodweerexces rechtvaardigen. De aanval vanuit aangeefster was niet dusdanig dat verdachte niet op een andere wijze had kunnen en moeten handelen. Het betrof een situatie van twee tegen één waarin [medeverdachte] op een gegeven moment zelfs de overhand had. Verdachte had op een andere wijze in moeten grijpen en beide vrouwen uit elkaar moeten halen. Het trekken van een vuurwapen en deze ook daadwerkelijk gebruiken, staat bovendien in geen verhouding tot de aanval vanuit aangeefster.
Tot slot is het onduidelijk hoe de kinderwagen precies is omgevallen en kan de rechtbank niet vaststellen of deze door aangeefster of door iemand anders is omgeduwd of dat deze in de worsteling om is gevallen.
Gelet op het voorgaande wordt het beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.
Het bewezenverklaarde levert op:
primair medeplegen van poging tot doodslag
Ten aanzien van het wapen
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III; en
Ten aanzien van de munitie
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 494 dagen met aftrek van het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en een taakstraf van 240 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De raadsman heeft gevraagd om rekening te houden met de omstandigheden van het geval, namelijk de dreiging en de aanval van aangeefster en het feit dat verdachte en [medeverdachte] juist de confrontatie wilden vermijden.
Daarnaast heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het positieve reclasseringsrapport, de zware periode die verdachte door heeft gebracht in voorlopige hechtenis terwijl er allerlei zorgen waren rondom zijn gezin en de overschrijding van de redelijke termijn.
De raadsman heeft daarnaast aangegeven dat het wettelijk niet mogelijk is om een taakstraf op te leggen in deze zaak. Daarnaast doet de maximale voorwaardelijke gevangenisstraf voldoende recht aan de ernst van het feit.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 15 augustus 2023 in [plaats] schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Die ochtend komt hij samen met zijn partner, [medeverdachte] , aangeefster tegen, met wie zij al langere tijd een conflict hebben. Wanneer aangeefster en [medeverdachte] ruzie krijgen, geeft verdachte een doorgeladen vuurwapen aan [medeverdachte] en instrueert hij haar om aangeefster neer te schieten. [medeverdachte] schiet vervolgens vijf keer. Ze raakt aangeefster hierbij in haar borst. Als gevolg van de schotwond heeft aangeefster meerdere breuken,
bloedingen en een klaplong. Ze is overgebracht naar het ziekenhuis waar ze is geopereerd en de kogel uit haar lichaam is verwijderd. Verdachte heeft met zijn handelen het leven van een ander in gevaar gebracht en de rechtbank rekent dit verdachte aan. Uit de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring is gebleken dat aangeefster mentaal nog steeds erg veel last heeft van hetgeen haar is overkomen.
Bovendien heeft de schietpartij plaatsgevonden op klaarlichte dag en zijn daar meerdere mensen waaronder kinderen getuige van geweest. Een ervaring als deze zal hun gevoel van veiligheid wezenlijk hebben aangetast. Het behoeft bovendien geen toelichting dat dit schietincident in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg zal hebben gebracht en versterkt.
Verdachte heeft daarnaast in de openbare ruimte een (doorgeladen) vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De rechtbank weegt mee dat wapenbezit onrust en potentieel gevaar veroorzaakt in de maatschappij.
Uitgangpunt
Voor de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS).
Ten aanzien van de onder feit 1 primair bewezenverklaarde poging tot doodslag zijn er geen LOVS oriëntatiepunten beschikbaar. Gelet op de ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal jaren rechtvaardigt.
De rechtbank zoekt ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS bij het voorhanden hebben van een pistool/revolver/geweer. Hiervoor geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Bovendien was het vuurwapen geladen en schietklaar, is het feit tezamen en in vereniging gepleegd en hebben de verdachten het vuurwapen in het openbaar gedragen.
Documentatie en de persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
In het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 8 november 2024 en de aanvulling op dit rapport d.d. 18 november 2025 staat dat bij verdachte sprake is van een laag- tot beneden gemiddeld intelligentieniveau. Verdachte heeft zich in het reclasseringstoezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis meewerkend opgesteld. Hij woont in een zelfstandige studio, heeft een betaalde baan en er wordt toegewerkt naar een zelfstandige woonruimte voor het gezin. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
Straf
Hoewel de rechtbank oog heeft voor het feit dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt het afgelopen jaar, is zij van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de feiten. De strafeis van de officier van justitie zou uitkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nog geen anderhalf jaar. Dat terwijl er voor enkel het wapenbezit al uit wordt gegaan
van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De officier van justitie heeft daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf en de maximale taakstraf geëist. Het is echter gelet op het onder 1 primair bewezenverklaarde niet mogelijk om in deze zaak een taakstraf op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast zal de rechtbank ook een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor [plaats] opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de vordering gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de door hem bepleite vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij.
Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering gematigd dient te worden gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek. Benadeelde is neergeschoten en heeft daarbij letsel opgelopen aan onder meer haar borstkas en longen. Bovendien heeft zij aan het bewezenverklaarde meerdere littekens overgehouden die zij de rest van haar leven met zich mee zal dragen. Voorts is benadeelde op andere wijze in haar persoon aangetast, zoals bedoeld in art. 6:106 onder Pro b BW, doordat zij door het bewezenverklaarde psychisch letsel heeft opgelopen. Benadeelde leeft in angst, slaapt slecht, heeft nachtmerries en herbelevingen en durft niet meer alleen over straat. Momenteel ontvangt zij een traumabehandeling, waaronder een EMDR-behandeling. Gelet op de aard en ernst van het door benadeelde opgelopen letsel en de door haar beschreven en gediagnosticeerde psychische gevolgen van het bewezenverklaarde zoals die thans in voldoende mate vaststaan, wijst de rechtbank een bedrag van 15.000,00 aan immateriële schade toe. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op bedragen die in
vergelijkbare gevallen worden toegekend. De vordering zal in zoverre dus worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres [adres] , 088-8041501. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zolang de reclassering nodig vindt, deelneemt aan de gedragsinterventie (CoVa/CoVa-plus/Solo) van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten RIBW de Vliet, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Het verblijf start zodra er plek voor de veroordeelde beschikbaar is;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum ] 1970;
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in [plaats] .
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan
[slachtoffer]te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 110 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. J.V. Nolta en
mr. H.H. Kielman, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.