ECLI:NL:RBNNE:2026:343

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
18-191099/25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 38v SrArt. 38w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens belaging dochter met gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van stelselmatige belaging van zijn dochter gedurende de periode van 30 augustus 2024 tot en met 23 juni 2025. Verdachte maakte herhaaldelijk inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer door haar te bellen, tekstberichten te sturen, voicemailberichten achter te laten, bij haar woning langs te gaan en te schreeuwen.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte ondanks een eerder contactverbod en eerdere veroordelingen toch contact zocht en het slachtoffer bleef lastigvallen. De gedragingen hadden een grote impact op het slachtoffer, die dagelijks in angst leefde. De rechtbank sprak verdachte vrij van het bonken op ramen en deuren, maar veroordeelde hem voor de overige gedragingen.

Gezien de stoornis in alcoholgebruik en persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, en het hoge recidiverisico, legde de rechtbank een gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging op, naast een gevangenisstraf van 232 dagen. Tevens werden gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, waaronder een contact- en locatieverbod met sancties bij overtreding.

De rechtbank wees vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen af om de spoedige start van de behandeling mogelijk te maken. De uitspraak benadrukt de ernst van belaging en de noodzaak van behandeling en bescherming van het slachtoffer en de samenleving.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 232 dagen gevangenisstraf, tbs met dwangverpleging en gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen wegens belaging van zijn dochter.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer: 18-191099/25
vordering na voorwaardelijke veroordeling, parketnummers: 18-162000/23, 96-032404/24 en 96-069719/24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] , postadres: [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van Nimwegen, advocaat te Rijen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 23 juni 2025 te [plaats] en/of Assen althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
  • die [slachtoffer] meermaals tekstberichten te sturen,
  • die [slachtoffer] meermaals te bellen en/of voicemailberichten achter te laten, en/of
  • meermaals bij de woning van die [slachtoffer] langs te gaan en/of aldaar te schreeuwen en/of op de ramen en/of deuren te bonken, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft voorts gevorderd verdachte partieel vrij te spreken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het bonken op de ramen en deuren, nu niet is gebleken dat hiervan sprake was.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat partiele vrijspraak moet volgen voor het schreeuwen bij de woning en het bonken op de ramen en deuren. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:
Het geluid bij de beelden ontbreekt en verdachte lijkt in zichzelf te praten. Dat hij heeft geschreeuwd blijkt niet uit de beelden, dit geldt ook voor het bonken op de ramen en deuren. Ten aanzien van de ten laste gelegde periode meent de raadsman dat geen sprake is van belaging gedurende de gehele periode, maar slechts gedurende twee beperkte periodes binnen de ten laste gelegde periode. Het gaat dan om de periode van 1 september tot en met 12 september 2024 en de periode vanaf 25 maart tot en met 23 juni 2025. De raadsman stelt dat verdachte tijdens de contactmomenten met aangeefster in deze periodes het contact- en locatieverbod heeft overtreden, maar dat niet gesproken kan worden van een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daarvoor waren voornoemde periodes te kort.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op het bonken op de ramen en deuren bij de woning van aangeefster. Het overige ten laste gelegde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, zoals hieronder vermeld in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Nu verdachte het ten laste gelegde feit bekend, met uitzondering van het schreeuwen bij de woning, volstaat de rechtbank ten aanzien van het overige van de tenlastelegging met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. De door verdachte ter zitting van 27 januari 2026 afgelegde verklaring;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 mei 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier met nummer PL-0100-2025166252 van 25 juni 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal ontvangst klacht door de hulpofficier van justitie d.d. 15 mei 2025, opgenomen op pagina 17 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2025, opgenomen op pagina 6 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal ontvangst klacht door de hulpofficier van justitie d.d. 23 juni 2025, opgenomen op pagina 10 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant.
Ten aanzien van het schreeuwen bij de woning:
1. De door verdachte ter zitting van 27 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Misschien heb ik wel bij de woning geroepen of ze thuis was en dat ik haar graag wilde zien.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 juni 2025, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier met nummer PL-0100-2025166252 van 25 juni 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Mijn vader stond 1 september onverwachts voor de deur. Ook liep hij om het huis heen te schreeuwen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Achterdeur 01/09/2024 12:50:11
Het lijkt alsof hij tegen iemand in de woning praat en maakt daarbij ook armgebaren. Vervolgens loopt hij terug.
BewijsoverwegingenPeriode
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt voorop dat van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), sprake is wanneer er stelselmatig opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, zijn volgens vaste jurisprudentie van belang de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Geen enkele beoordelingsfactor is op zichzelf doorslaggevend; samen vormen ze een totaalbeeld van het gedrag van verdachte. Voor belaging is tevens niet vereist dat de gedragingen ononderbroken plaatsvinden. De gedragingen kunnen zich over meerdere perioden uitstrekken, zolang deze samen één samenhangend patroon vormen dat een ernstige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Ook onderbrekingen, zoals een verblijf van de verdachte in een kliniek, sluiten belaging niet uit wanneer het contact daarna wordt voortgezet en het patroon zich herhaalt.
Verdachte wist dat aangeefster geen contact wenste te hebben, nu hij eerder op 19 maart 2024 door de rechtbank wegens belaging van dezelfde persoon (zijn dochter) is veroordeeld en hem bovendien toen een contactverbod is opgelegd. Gelet op de hoeveelheid tekstberichten en voicemailberichten, de lange periode en het feit dat hij relatief kort daarvoor is veroordeeld ter zake van belaging van dezelfde persoon, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk stelselmatig heeft gehandeld. Het feit dat verdachte tussen 12 september 2024 en 24 maart 2025 geen contact heeft gezocht met aangeefster, sluit niet uit dat sprake is van belaging. Uit het dossier blijkt dat verdachte gedurende deze periode tijdelijk vastzat en tijdelijk in een kliniek verbleef. Na deze periode heeft verdachte weer meermaals contact met aangeefster gezocht, waardoor het patroon van zijn gedragingen zich heeft voortgezet. De invloed van het gedrag van verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster is gedurende de gehele tenlastegelegde periode groot. Ondanks het contactverbod en verschillende interventies daarop door de politie bleef verdachte doorgaan. In haar laatste aangifte benoemt aangeefster dat expliciet en voegt daaraan toe: tot op heden leef ik elke dag in angst. Ik ben continue op mijn hoede en kijk constant om mij heen of hij ergens staat. De rechtbank acht, gelet op deze samenhang en de ernst van de gedragingen, belaging bewezen over de gehele ten laste gelegde periode.
Schreeuwen bij de woning
Gelet op de verklaringen van aangeefster en de camerabeelden is de rechtbank eveneens van oordeel dat verdachte bij de woning van aangeefster heeft geschreeuwd. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 1 september 2024 thuis was en dat zij verdachte hoorde schreeuwen. De rechtbank stelt vast dat op de beelden is te zien dat verdachte iets zegt en armgebaren maakt, waarna een (buur)man in beeld komt. Dit ondersteunt het oordeel dat verdachte heeft geschreeuwd en dat dit door aangeefster, maar ook door de (buur)man is gehoord. Daarnaast heeft verdachte ter zitting aangegeven dat het mogelijk is dat hij heeft geroepen. De rechtbank acht gelet op bovenstaande wettig en overtuigd bewezen dat verdachte bij de woning heeft staan schreeuwen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 23 juni 2025 te [plaats] en Assen althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
  • die [slachtoffer] meermaals tekstberichten te sturen,
  • die [slachtoffer] meermaals te bellen en voicemailberichten achter te laten, en
  • meermaals bij de woning van die [slachtoffer] langs te gaan en aldaar te schreeuwen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. belaging.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering en motivering van de maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Naast de oplegging van voornoemde straf vordert zij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege (hierna ook: tbs met dwangverpleging) voor de duur van maximaal vier jaren. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr zal worden opgelegd, alsmede de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contact- en locatieverbod ten behoeve van aangeefster [slachtoffer] . Als het verbod wordt overtreden, volgt er een hechtenisstraf van 2 weken. Op iedere volgende overtreding volgt daarna een hechtenisstraf van telkens 1 week langer tot een maximum van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren.
De officier van justitie heeft verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde maatregel. Zij acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt dat geen tbs-maatregel kan worden opgelegd nu niet is voldaan aan het gevaarscriterium en een tbs-maatregel in dit geval niet proportioneel is. Volgens hem is er, waar het gaat om het gevaarscriterium, sprake van een situatie vergelijkbaar met de berechting van de vorige belaging. De raadsman stelt voor om het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf te bepalen op 246 dagen met aftrek van voorarrest, zodat verdachte gedurende de hoger beroepstermijn gedetineerd zit.
Voorts heeft de raadsman verzocht om 365 dagen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 3 jaren en daaraan dezelfde voorwaarden te verbinden als de rechtbank heeft gedaan in de zaak met parketnummer 18-162000-23, uitgesproken op 19 maart 2024.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering van 23 januari 2026, de pro Justitia-rapportages, opgesteld en ondertekend op 20 januari 2026 door A.W.M.M. Stevens, psychiater en opgesteld en ondertekend op 16 januari 2026 door drs. E.M. van Engers, GZ-psycholoog en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster, zijn dochter. Verdachte was een gewaarschuwd man. Hij was al eerder veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner en dochter. Ook had hij destijds een contact- en locatieverbod gekregen. Hij wist dat zijn dochter geen contact wenste. Dit heeft hem er niet van weerhouden om toch weer contact met zijn dochter op te nemen en haar meermaals lastig te vallen door zich op verschillende manieren aan haar op te dringen. Verdachte heeft geen gehoor gegeven aan de wens van zijn dochter en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen belangen en emoties, zonder daarbij rekening te houden met de gevolgen van zijn handelen. Belaging is een ernstig feit omdat het ingrijpt in de persoonlijke vrijheid en privacy van het slachtoffer. Verdachte heeft door zijn gedragingen stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Stelselmatige inbreuk hierop raakt direct aan de persoonlijkheid en het welbevinden van aangeefster en kan tot ernstige psychische schade leiden. De impact van het gedrag van verdachte is enorm geweest voor aangeefster, zoals ook duidelijk blijkt uit
haar aangiftes. Ze voelt zich onveilig, ervaart psychische spanningen en veel stress en leeft elke dag in angst. De rechtbank rekent verdacht dit alles aan.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een langere duur rechtvaardigen zoals door de officier van justitie is gevorderd, maar ziet in de persoon van de verdachte en de op te leggen maatregel aanleiding de geëiste gevangenisstraf te matigen, zoals hieronder nader gemotiveerd.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de pro Justitia-rapportages van 16 en 20 januari 2026, waarin wordt geadviseerd om een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Deze rapportages houden onder meer in, zakelijk weergegeven:
Er is sprake van een stoornis in alcoholgebruik en persoonlijkheidsproblematiek. De psychische stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte onder invloed van alcohol, maar hij werd ook op de momenten dat hij niet onder invloed was sterk beïnvloed door de stoornis in alcoholgebruik in de zin dat hij bleef verlangen naar alcohol en uiteindelijk toch weer naar de alcohol grijpt. Alleen in periodes dat hij werkt, lukt het hem om van de alcohol af te blijven. Hoewel verdachte zich ervan bewust is dat de alcohol hem steeds in problemen brengt, lukt het hem niet langdurend de alcohol te laten staan. Alcohol heeft een ontremmende werking en onder invloed komt verdachte tot stalkingsgedrag (iets wat hij in nuchtere staat beter weet te onderdrukken). De stoornis in alcoholgebruik zorgt ervoor dat verdachte niet in staat is zijn (gedrags)keuzes in volledige vrijheid te maken. De deskundigen adviseren om het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Feitelijk is de enige beschermende factor dat verdachte in korte periodes werk heeft als baggeraar. In die periode gebruikt hij geen alcohol. In de periodes dat hij niet werkt (en dan ook geen huisvesting heeft) valt hij terug in oud gedrag en wordt hij getriggerd door negatieve emoties, die hem naar de alcohol doen grijpen. Al met al is het recidiverisico op belagingsgedrag alleen hoog als verdachte weer gaat drinken. Onder invloed is hij ontremd en heeft hij weinig controle over zijn emoties en gedrag. Verdachte heeft een behandeling nodig die klinisch zal moeten aanvangen. Er zal aandacht moeten zijn voor forse verslavingsproblematiek en tevens voor de inadequate coping en persoonlijkheidstrekken die hem doen terugvallen naar alcoholgebruik. Alle keren heeft verdachte voortijdig de behandeling verlaten met als genoemde reden dat hij werk had gevonden of zich onveilig voelde op de afdeling. Gezien deze overtuiging dat hij zonder hulp kan stoppen met de klinische behandeling en naast dat hij meermalen heeft aangegeven dat hij niet naar een kliniek wil, maar naar een beschermde woonvorm, maakt een straf met voorwaarden vrijwel onmogelijk. Dat geldt ook voor een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf met behandeling in een kliniek als voorwaarde, maar ook voor tbs met voorwaarden. De verwachting is dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden, zoals in het verleden meermaals is gebleken. Omdat een klinische behandeling als noodzakelijk wordt gezien wordt gemaximeerde tbs met dwangverpleging geadviseerd.
Omdat het om gemaximeerde tbs zal gaan wordt geadviseerd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr te overwegen naast de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, die contact met potentieel toekomstige slachtoffers verbiedt.
In het rapport van de reclassering van 23 januari 2026 heeft de reclassering zich aangesloten bij de bevindingen van de gedragsdeskundigen en daarbij positief geadviseerd over tbs met dwangverpleging.
Ook sluit de reclassering aan bij het advies om daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr) aan verdachte op te leggen, zodat hij indien nodig ook na afloop van de (gemaximeerde) tbs-behandeling kan worden behandeld en er op risicobeheersing kan worden ingezet.
Oplegging van de tbs-maatregel
De rechtbank kan zich verenigen met de inhoud en conclusies van de rapportages en neemt deze over.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de gemaximeerde maatregel tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd, gelet op de hardnekkige problematiek van verdachte, het recidiverisico en het feit dat verdachte zich eerder meermalen niet aan voorwaarden heeft gehouden en zich aan behandeling heeft onttrokken
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de formele vereisten voor oplegging van de gemaximeerde tbs-maatregel (artikel 37a Sr). Uit de pro Justitia-rapportages volgt dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit sprake was van stoornissen van de geestvermogens en het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf zoals genoemd in het tweede lid van artikel 37a Sr. Daarnaast moet de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen zodanig in gevaar zijn dat het opleggen van de maatregel is vereist. Indien het hiervoor bedoelde gevaar dit vereist, kan ook worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr).
Het gevaarscriterium
Uit vaste jurisprudentie volgt dat onder het gevaarscriterium ook gevaar voor de psychische gezondheid valt. Hoewel verdachte het slachtoffer tot nu toe nooit fysiek iets heeft aangedaan en er geen sprake lijkt te zijn van fysiek gevaar, is er naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk sprake van aanzienlijk gevaar voor de psychische gezondheid van het slachtoffer. De belaging is voor het slachtoffer, zoals hierboven is vermeld en ook blijkt uit de aangiftes, een psychisch zware belasting. De belaging vindt al gedurende een lange periode plaats en stopt niet, ondanks een eerdere veroordeling. Na deze eerdere veroordeling heeft verdachte zelfs meermaals aangeefster proberen op te zoeken bij haar woning, waarbij hij onder andere aan de deurklinken heeft gevoeld en langere tijd bij de woning van aangeefster heeft rondgelopen, waarna ook een locatieverbod is opgelegd. Ondanks het al geldende contactverbod is verdachte daarna doorgegaan met het zoeken van contact via tekstberichten en voicemails. Uit haar aangiftes blijkt dat door deze gedragingen aangeefster psychische spanningen heeft ervaren en erg angstig was en dat daarmee dan ook sprake is van gevaar voor de geestelijke gezondheid van aangeefster.
De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van tbs met dwangverpleging recht doet aan de complexiteit van de problematiek van verdachte. Verdachte lijdt aan een stoornis in alcoholgebruik en forse persoonlijkheidsproblematiek. De deskundigen hebben het risico op recidive als hoog ingeschat. Een eerdere veroordeling heeft hem er niet van heeft weerhouden om door te gaan met zijn stalkingsgedrag en hij heeft dan ook de aan die eerdere veroordeling verbonden bijzondere voorwaarden overtreden. Het zelfbepalend gedrag van verdachte heeft hem eerder onbereikbaar gemaakt voor hulp en begeleiding door de reclassering.
De rechtbank kan dan ook niet volstaan met een andere straf of maatregel waarbij behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd. De kans dat verdachte zich niet houdt aan voorwaarden, acht de rechtbank zeer groot. Tbs met dwangverpleging is de enige mogelijkheid om de verdachte te behandelen,
de maatschappij te beveiligen en het recidivegevaar zo veel mogelijk in te perken. De rechtbank realiseert zich dat het een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het ontbreken behandelmotivatie bij verdachte geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een lichter kader te realiseren. Gelet op het voorgaande legt de rechtbank verdachte tbs met dwangverpleging op.
Gemaximeerde tbs
De duur van de tbs is in dit geval gemaximeerd tot vier jaar (in de zin van artikel 38e Sr), omdat de bewezenverklaarde feiten geen misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
Gevangenisstraf
De aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt dat een straf in de vorm van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en acht het van groot belang dat verdachte zo snel mogelijk begint aan de voor hem noodzakelijke behandeling. De rechtbank zal daarom aan verdachte een lagere straf opleggen dan geëist. De rechtbank acht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 232 dagen, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)
De rechtbank ziet ook aanleiding om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze maatregel maakt het mogelijk dat verdachte zich ook na de tbs-maatregel aan gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen dient te houden en zich moet conformeren aan langdurig toezicht van de reclassering, indien dit dan noodzakelijk blijkt in verband met het risico op herhaling. Uit de rapportages van de deskundigen blijkt dat sprake is van recidivegevaar en dat de verdachte langdurig onder toezicht dient te staan om de veiligheid van anderen te beschermen. Ook aan de overige wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. De verdachte zal namelijk ter beschikking worden gesteld.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten ziet de rechtbank wel aanleiding aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregel houdt in dat verdachte zich gedurende drie jaren niet zal ophouden te [plaats] , gemeente Westerwolde, en op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1997. De rechtbank zal bepalen dat voor iedere keer dat verdachte voornoemde maatregel overtreedt, 2 weken vervangende hechtenis zal worden toegepast, met een maximum van 6 maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal niet de dadelijke uitvoerbaarheid bepalen. Omdat tbs met dwangverpleging wordt opgelegd acht de rechtbank daar geen noodzaak voor aanwezig.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

18-162000/23
Bij onherroepelijk vonnis van 19 maart 2024 van de meervoudige strafkamer van in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 98 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 april 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 4 september 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
96-032404/24
Bij onherroepelijk vonnis van 27 augustus 2024 van de politierechter van in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 10 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 11 september 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 4 september 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
96-069719/24
Bij onherroepelijk vonnis van 20 september 2024 van de politierechter van in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 oktober 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 4 september 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden afgewezen zodat verdachte zo spoedig mogelijk behandeld kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, indien geen tbs wordt opgelegd, om twee vorderingen (18-162000-23 (17 dagen resterend) en 96-069719-24 (6 weken)) toe te wijzen zodat de reclassering voldoende tijd heeft om voor verdachte een geschikte woonlocatie te vinden.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijden, kunnen de vorderingen in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld, en de maatregel die door de rechtbank wordt opgelegd ziet de rechtbank aanleiding om de vorderingen af te wijzen, zodat verdachte zo spoedig mogelijk kan beginnen met de verplichte tbs behandeling. Hierdoor wordt het belang van effectieve behandeling en bescherming van de samenleving vooropgesteld.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 38v, 38w, 38z, 285b van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 232 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Legt aan verdachte op de
maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Legt aan verdachte op de
vrijheidsbeperkende maatregel gedurende 3 jaren, inhoudende:
- dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opneemt, zoekt
of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1997;
- dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet in [plaats] , gemeente Westerwolde bevindt, zolang het
openbaar ministerie en de reclassering dit verbod nodig vinden.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van 6 maanden.
Bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummers:
18-162000/23
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen van 19 maart 2024;
96-032404/24
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen van 27 augustus 2024;
96-069719/24
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen van 20 september 2024.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Kielman, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. J.H. Nieboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank 10 februari 2026.
Mr. E.P van Sloten en mr. H.H. Kielman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.