ECLI:NL:RBNNE:2026:322

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
18.353112.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontucht en verspreiden schadelijke afbeeldingen aan minderjarige

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van ontucht met een minderjarig familielid door haar te bewegen seksueel getinte foto's en video's van zichzelf te maken, en voor het tonen van schadelijke afbeeldingen aan deze minderjarige. Het misbruik vond plaats over een periode van vijf jaar, waarbij verdachte misbruik maakte van zijn leeftijdsvoordeel en de familiaire band.

De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontbreken van lichamelijk contact sprake was van ontuchtige handelingen vanwege de relevante interactie tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte gaf specifieke instructies voor de foto's en video's, die het slachtoffer opvolgde. Daarnaast toonde verdachte via sociale media naaktfoto's van zichzelf aan het slachtoffer.

De strafmaat is een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals behandeling en digitale controles. De rechtbank legde ook een schadevergoeding op van €27.262,88 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en een gijzelingstermijn bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, en een schadevergoeding van €27.262,88 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.353112.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks 20 augustus 2017 tot en met 20 augustus 2022 te Meppel en/of te [plaats] , althans in Nederland en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal, door misbruik uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten een leeftijdsverschil van 15 jaren en/of een familiaire band van oom, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen, door die [slachtoffer] fotos van zichzelf te laten maken waarop zij naakt is en haar borsten, billen en vagina te zien zijn en/of videos te maken waarop zij in/over haar vagina wrijft;
2.
hij in of omstreeks 17 december 2018 tot en met 19 augustus 2020 te Meppel en/of te [plaats] , althans in Nederland en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal, een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk is te achter voor personen onder de 16 jaar, te weten één of meer afbeeldingen waarop verdachte zijn, althans een ontblote (stijve) penis is te zien en/of er een ontblote (stijve) penis wordt afgetrokken, via Snapchat en/of Instagram heeft verstrekt, aangeboden en/of vertoond aan een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 januari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 augustus 2023, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023203316 en 2023148320, onderzoek NNRBC23150 d.d. 28 oktober 2024, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsoverweging
Hoewel verdachte heeft bekend naaktfotos aan [slachtoffer] te hebben gestuurd en [slachtoffer] te hebben gevraagd ook seksueel getinte fotos en videos van zichzelf aan hem te sturen, hetgeen zij vervolgens heeft gedaan, ziet de rechtbank aanleiding om ambtshalve een overweging te wijden aan de onder 1 ten laste gelegde ontuchtige handelingen. In deze zaak heeft er namelijk geen lichamelijke aanraking tussen verdachte en de minderjarige plaatsgevonden. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat voor de vraag of desalniettemin sprake is van het plegen van ontuchtige handelingen met de minderjarige in het bijzonder betekenis toekomt aan de vraag of en zo ja, in hoeverre tussen de verdachte en de minderjarige enige voor het plegen van ontucht relevante interactie heeft plaatsgevonden.
In dit kader overweegt de rechtbank dat verdachte [slachtoffer] keer op keer uitdrukkelijk heeft verzocht om seksueel getinte fotos en videos van zichzelf te maken. Daarbij gaf hij specifiek aan welk lichaamsdeel hij op die fotos en videos wilde zien en gaf hij [slachtoffer] instructies ten aanzien van de (ontuchtige) handelingen die hij van haar op die fotos en videos wilde zien. [slachtoffer] voldeed telkens aan deze verzoeken en stuurde verdachte de gevraagde fotos en videos.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit een zodanige interactie tussen verdachte en [slachtoffer] dat ondanks het ontbreken van lichamelijk contact gesproken kan worden van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de fotos die verdachte aan [slachtoffer] heeft gestuurd kan ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 20 augustus 2017 tot en met 20 augustus 2022 te Meppel en te [plaats] , meermalen, door misbruik uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten een leeftijdsverschil van 15 jaren en een familiaire band, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen, door die [slachtoffer] fotos van zichzelf te laten maken waarop zij naakt is en haar borsten, billen en vagina te zien zijn en videos te maken waarop zij over haar vagina wrijft;
2.
hij in de periode van 17 december 2018 tot en met 19 augustus 2020 te Meppel en te [plaats] , meermalen, een afbeelding, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen onder de 16 jaar, te weten afbeeldingen waarop verdachte zijn ontblote stijve penis is te zien en/of er een ontblote stijve penis wordt afgetrokken, via Snapchat en/of Instagram heeft verstrekt, aangeboden en/of vertoond aan een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon
waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen, meermalen gepleegd
2. een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken/aanbieden/vertonen aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, meewerken aan een ambulante behandeling en de bijzondere voorwaarde vermijden kinderporno.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om het behandeltraject dat verdachte op dit moment doorloopt bij [instelling] niet te doorkruisen. De raadsman heeft daarom gepleit voor het opleggen van de maximale taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten en de brief van de behandelend psycholoog van verdachte bij [instelling] en de reclasseringsrapporten van 10 maart 2025 en 14 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende meerdere jaren schuldig gemaakt aan ernstige zedendelicten. Hij heeft [slachtoffer] , een minderjarig meisje uit zijn familie, ertoe bewogen om seksueel getinte fotos en videos van zichzelf te maken en naar hem te sturen. Daarnaast heeft hij veelvuldig naaktfotos van zichzelf aan [slachtoffer] gestuurd. Het misbruik begon toen [slachtoffer] 13 jaar oud was en heeft vijf jaar lang geduurd waarbij soms wel 5 fotos per dag over en weer werden gestuurd. [slachtoffer] kreeg specifieke opdrachten en instructies van verdachte over wat hij op de fotos en videos wilde zien. De ontuchtige handelingen die verdachte [slachtoffer] vroeg te verrichten gingen bovendien steeds verder, waarbij verdachte en [slachtoffer] uiteindelijk zelfs via beeldverbinding samen seksuele handelingen hebben verricht. Het misbruik is dan ook zeer intensief geweest en is begonnen op zeer jonge leeftijd van [slachtoffer] . Een en ander heeft plaats kunnen vinden omdat verdachte 15 jaar ouder was en omdat vanuit de familiaire en vertrouwde band die [slachtoffer] en verdachte hadden. [slachtoffer] was het aangetrouwde nichtje van de broer van verdachte en beschouwde hem als een oom. Verdachte heeft dan ook ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin [slachtoffer] zich bevond en van het overwicht dat hij op haar had. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.
Algemeen bekend is dat misbruik als het onderhavige schadelijk kan zijn voor de (seksuele) ontwikkeling van het jonge slachtoffer en vaak ook nadelige psychische gevolgen voor het slachtoffer met zich
meebrengt die nog lange tijd kunnen doorwerken. Ook in dit geval is de impact groot, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij en de namens [slachtoffer] ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze mogelijke gevolgen voor [slachtoffer] en enkel oog gehad voor zijn eigen (seksuele) behoeften. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Het is bovendien niet de eerste keer dat verdachte zich schuldig maakt aan seksueel misbruik van een minderjarige. In 2014 is verdachte eveneens veroordeeld voor het verleiden van een minderjarige tot het plegen/dulden van ontuchtige handelingen. Verdachte kreeg toen een deels voorwaardelijke werkstraf waarvan de proeftijd liep tot 6 mei 2026. Onderhavige feiten beginnen iets meer dan een jaar later, in augustus 2017. De rechtbank vindt dit een zeer zorgelijke situatie.
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals voorgesteld door de raadsman. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat het misbruik langdurig en veelvuldig heeft plaatsgevonden, gedurende een zeer kwetsbare fase in de ontwikkeling van [slachtoffer] /het slachtoffer, en dat het misbruik enkel is gestopt omdat [slachtoffer] op een gegeven moment oud genoeg was om weerstand te bieden tegen de veelvuldige verzoeken van verdachte en niet omdat verdachte zelf tot het inzicht is gekomen dat dit contact met [slachtoffer] moest stoppen. Bovendien is verdachte zoals gezegd al eens veroordeeld voor seksueel misbruik van een minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook gerechtvaardigd. Verdachte dient te ervaren dat zijn gedrag consequenties heeft.
Verdachte zegt de ernst en de zorgelijkheid van zijn handelen in te zien en is sinds oktober 2024 op vrijwillige basis een driedaagse dagbehandeling voor zedendelinquenten bij de forensische polikliniek van [instelling] gestart. In die behandeling ligt de focus, zo blijkt uit de brief van zijn behandelend psycholoog, op het verkrijgen van zicht op de factoren die van invloed zijn op het grensoverschrijdend gedrag en het aanleren van nieuwe vaardigheden, om zo het risico op delictgedrag te verkleinen. Daarnaast blijkt uit de brief dat er een diagnose is gesteld, te weten andere gespecificeerde parafiele stoornis. Uit de brief blijkt niet waarop precies wordt gedoeld en of en hoe de behandeling daarop is gericht. Ondanks dat verdachte deze behandeling reeds op vrijwillige basis is gestart, adviseert de reclassering de behandeling ook als bijzondere voorwaarde op te leggen om te voorkomen dat verdachte voortijdig met de behandeling stopt. Verdachte heeft aangegeven bereid te zijn hieraan en aan de overige geadviseerde bijzondere voorwaarden mee te werken.
Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, hetgeen de rechtbank hierboven heeft opgemerkt over de brief van de psycholoog, en het feit dat verdachte al een keer eerder is veroordeeld voor seksueel misbruik van een minderjarige, acht de rechtbank het niet alleen van groot belang dat de reeds gestarte behandeling wordt voortgezet in forensisch kader, maar ook dat verdachte verplicht meewerkt aan nadere diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. Om recidive in de toekomst te voorkomen acht de rechtbank van belang dat de behandelaar bij het stellen van de diagnose niet alleen kan putten uit een heteroanamnese, maar ook vanuit forensisch kader informatie verkrijgt. Alleen dan kan een passende behandeling worden aangeboden om het risico op recidive weg te nemen. De rechtbank zal daarom naast voortzetting van de reeds gestarte behandeling tevens opnemen dat nadere diagnostiek dient te worden verricht en dat verdachte zich ook dient te houden aan de daaruit voortvloeiende behandeling(en). De reclassering dient erop toe te zien dat verdachte zich aan de voorwaarden houdt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk passend en geboden. Bij het bepalen van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf heeft de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening gehouden met (het zo min mogelijk doorkruisen van) de reeds gestarte behandeling bij [instelling] . De rechtbank zal voorts aan het voorwaardelijk deel van de straf niet alleen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, maar ook als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte dient mee te werken aan nadere diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling(en).
Met betrekking tot de proeftijd en uitvoerbaarheid van de voorwaarden overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor seksueel misbruik van een minderjarige, alsmede gelet op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot het belang van behandeling van verdachte om recidive te voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet hierop zal de rechtbank de proeftijd niet op 3 maar op 5 jaar bepalen en eveneens de voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 22.262,88 ter vergoeding van materiële schade en 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een immateriële schadevergoeding op zijn plaats is maar hij heeft zich ten aanzien van de hoogte daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding van reiskosten en het eigen risico kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de gevraagde vergoeding in verband met de opgelopen studievertraging heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende is gebleken van causaal verband tussen de strafbare feiten en het oplopen van studievertraging zodat de vordering op dat punt niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het gevraagde bedrag gematigd dient te worden.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Gevorderd wordt een bedrag van 22.262,88, bestaande uit de volgende kostenposten:
  • Reiskosten in verband met bezoeken aan zorg- en dienstverleners;
  • Eigen risico in verband met behandeling door een psycholoog;
- Kosten in verband met het oplopen van één jaar studievertraging.
Ten aanzien van de reiskosten en de kosten van het eigen risico is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat deze kosten kunnen worden toegewezen. Voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten.
Ten aanzien van de kosten van één jaar studievertraging is de rechtbank anders dan de raadsman van oordeel dat ook ten aanzien van deze kosten voldoende aannemelijk is geworden dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. Immers, enerzijds blijkt uit een brief van de school van benadeelde dat zij tijdelijk met school is gestopt omdat het belangrijk is dat de benadeelde eerst aan zichzelf werkt en traumas verwerkt. Anderzijds blijkt uit een brief van de psycholoog waar benadeelde in behandeling is dat zij trauma gerelateerde klachten heeft die zijn ontstaan na online seksueel misbruik die zich uiten in verhoogde lichamelijke spanning en stress, extreme vermoeidheid en waardoor haar dagelijks leven wordt belemmerd. Gelet op deze twee brieven in onderling verband en samenhang bezien is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken van causaal verband.
Het materiële deel van de vordering zal daarom integraal worden toegewezen.
Immateriële schade
Gevorderd wordt een bedrag van 10.000,- aan immateriële schade ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde als gevolg van de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Niet alleen brengt de aard en de ernst van de normschending mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen, benadeelde heeft ook onderbouwd dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit een brief van psychologenpraktijk De Vaart blijkt dat benadeelde in behandeling is vanwege traumagerelateerde klachten die zijn ontstaan na online seksueel misbruik. Deze klachten passen bij een posttraumatische stressstoornis en uiten zich onder andere in nachtmerries, lichamelijke spanning en stress, extreme vermoeidheid, een sombere stemming en prikkelbaarheid. Zij ondervindt dan ook dagelijks psychische en lichamelijke klachten als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van 5.000,-. Bij de begroting van die schade heeft de rechtbank naast de hierboven omschreven aard en ernst van de gevolgen voor benadeelde ook de aard en ernst van de verrichte ontuchtige handelingen meegewogen, de duur en de frequentie van het seksueel misbruik, de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van benadeelde, het grote leeftijdsverschil en de vertrouwensband die met verdachte bestond, maar ook de omstandigheid dat hoe ernstig het online misbruik ook is geweest er geen sprake is van een zogeheten hands on delict. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die in de Nederlandse rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, alsmede op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar vaker wordt verwezen in de Nederlandse rechtspraak bij de vaststelling en begroting van immateriële schade.
Alles afwegende acht de rechtbank zoals gezegd een schadevergoeding ter hoogte van 5.000,- billijk. Voor het overige zal de vordering met betrekking tot immateriële schade worden afgewezen.
De toe te wijzen materiële en immateriële schadevergoeding zal worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 augustus 2022.
Daarnaast zal de rechtbank, nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240a(oud) en 248a(oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 9 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 5 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
Dat veroordeelde zich laat behandelen door forensische polikliniek [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de
gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
3. Dat veroordeelde meewerkt aan diagnostisch onderzoek door de reclassering en/of een (forensische) zorgverlener - te bepalen door de reclassering - en aan een eventuele uit dat diagnostisch onderzoek voortvloeiende behandeling bij een door de reclassering te bepalen (forensische) zorgverlener. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
4. Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;
digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;
geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogrammas (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);
inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.
Het toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in gebruik heeft.
De veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.
De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.
De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal drie keer per jaar keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan
[slachtoffer]te betalen:
  • het bedrag van 27.262,88 (zegge: zevenentwintigduizend tweehonderdtweeënzestig euro en achtentachtig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2022 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 27.262,88 (zegge: zevenentwintigduizend tweehonderdtweeënzestig euro en achtentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2022 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
22.262,88 aan materiële schade en 5.000,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 149 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.