ECLI:NL:RBNNE:2026:313

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
18/022871-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling, openlijke geweldpleging en bedreiging in Leek en Midwolde

Op 20 januari 2024 pleegde verdachte samen met een medeverdachte meerdere geweldsdelicten in Leek, waaronder mishandeling met een knuppel en bedreiging met woorden van gelijke strekking als 'ik maak je dood'. Daarnaast vond op 9 september 2023 een geweldsincident plaats in Midwolde waarbij verdachte betrokken was.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers, getuigen en een verbalisant die een houten steel, gelijkend op een honkbalknuppel, in de slaapkamer van verdachte aantrof. De verklaringen waren onderling consistent ondanks enkele verschillen die passen bij een chaotische situatie.

Verdachte werd vrijgesproken van het medeplegen van het vernielen van een telefoon, omdat niet bewezen kon worden dat hij bewust en nauw samenwerkte met zijn medeverdachte bij dat feit.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte, zijn eerdere justitiële verleden en het reclasseringsrapport. Gezien het tijdsverloop en omstandigheden werd een taakstraf van 190 uren gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opgelegd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het meer of anders ten laste gelegde en bepaalde dat de opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij binnen twee jaar een nieuw strafbaar feit wordt gepleegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 190 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/022871-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Boelstra, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Leek, gemeente Westerkwartier, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of andere op dat moment aanwezige personen in/rondom de overkapping/tuin aan [adres ] heeft mishandeld door in de rondte te slaan met een knuppel, althans een houten voorwerp en/of daarbij
  • die [slachtoffer 1] op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of
  • Van [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;
2
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Leek, gemeente Westerkwartier, openlijk, te weten op/aan [adres ] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
  • een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door (meermalen) met een knuppel, althans een houten voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 3] te slaan
  • een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door (meermalen) met een knuppel,
althans een houten voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan
- een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door (meermalen) met een knuppel, althans een
houten voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan
dit door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten
  • een gezwollen onderkaak en een snee bij het oor voor [slachtoffer 3]
  • een zwelling achter het oor en een gezwollen hand voor [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Leek, gemeente Westerkwartier, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
  • die [slachtoffer 4] vast te pakken en tegen de deur te zetten/duwen
  • ( daarbij) die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "waar zijn die
kankerleijers" en/of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op of omstreeks 9 september 2023 te Midwolde, althans in Nederland, openlijk, te weten, op het terrein van [bedrijf] , in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 3] al dan niet met gebalde vuisten te slaan en/of te schoppen;
5
hij op of omstreeks 9 september 2023 te Midwolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde stelt de officier van justitie dat sprake is van medeplegen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk geweld tegen het slachtoffer hebben uitgeoefend en dat dit geweld pas eindigde op het moment dat de medeverdachte de telefoon van het slachtoffer wegnam. Volgens de officier van justitie volgt hieruit dat het wegnemen van de telefoon plaatsvond in het verlengde van het gezamenlijk toegepaste geweld en onderdeel uitmaakte van dezelfde geweldshandeling, zodat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers en getuigen uiteenlopen. Deze verschillen zien onder meer op de positie van de aanwezigen, de aard van de voorwerpen waaronder eventuele wapens die de verdachten in hun handen zouden hebben gehad en op hetgeen door verdachten zou zijn gezegd. Volgens de raadsvrouw kunnen deze verklaringen daarom niet als overtuigend bewijs worden aangemerkt. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte en zijn medeverdachte ongewapend naar de woning zijn gegaan. Verdachte heeft aangever [slachtoffer 4] gevraagd waar [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) zich bevond en heeft aangever [slachtoffer 4] vervolgens bij de arm meegenomen naar [slachtoffer 3] . Volgens de raadsvrouw zijn verdachte en zijn medeverdachte daarna door de aanwezigen op het feest aangevallen. Verdachte had geen weet van het feit dat zijn medeverdachte ter plaatse een stuk hout van de grond heeft gepakt en dit heeft gebruikt om zich tegen die aanval te verweren.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 5 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen, omdat verdachte reeds was weggelopen op het moment dat de medeverdachte de telefoon van het slachtoffer wegnam. Verdachte had geen weet van het wegnemen van de telefoon. Het geweld was op dat moment al beëindigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken. Uit het bewijs blijkt niet dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachte bij het wegnemen en beschadigen van de telefoon van het slachtoffer.
De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Ten aanzien van feit 4:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 januari 2024, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024018118 d.d. 16 februari 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .
Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 22 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Naar aanleiding van een telefoontje van [slachtoffer 3] zijn wij naar het feestje gegaan. Ik heb [slachtoffer 4] bij zijn mouw vastgepakt en hem gevraagd waar [slachtoffer 3] is. Nadat ik werd geslagen, heb ik agressie gebruikt door met mijn vuisten klappen uit te delen. Nadat [medeverdachte] door [slachtoffer 3] was gebeld, zijn wij opnieuw naar hen toegegaan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 en 22 januari 2024, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
V: [slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan van bedreiging.
A: Ik kom daar aan gelopen en ik zie hem bij de deur staan. Ik pak hem bij zijn kraag en vraag aan hem of hij [slachtoffer 3] kan halen. Dat is misschien wel wat op een bedreigende toon geweest omdat ik boos was. Ik schreeuwde. Toen ben ik zelf met [slachtoffer 4] aan de arm naar binnen gegaan.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2024, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 20 januari 2024 was ik op [adres ] te Leek. Omstreeks 21:30 uur zag ik [naam 1] samen met [medeverdachte] de tuin binnen komen. Ik hoorde [naam 1] en [medeverdachte] op het feestje roepen: Waar is die kankerlijer? [naam 1] en [medeverdachte] hadden beide een knuppel bij zich en ze begonnen om zich heen te slaan. Ik werd op de linkerkant van mijn hoofd, op mijn linkerbovenarm en op mijn linkerhand geraakt. Buiten op straat troffen wij [naam 1] en [medeverdachte] weer op de rotonde [adres ] te Leek. Hier kreeg ik weer klappen van beide op genoemde plaatsen en mijn broer [slachtoffer 3] werd ook geraakt op zijn hoofd. Ik hoorde [medeverdachte] vervolgens roepen: Volgende keer kom ik met een vuurwapen en schiet ik in je knieschijven.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 22 januari 2024, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik hoorde al een beetje dat ze, dat [naam 1] , zou komen ofzo. Ze waren boos op [slachtoffer 3] ofzo. Dat is via snapchat gegaan. [naam 2] ontving ze eerst en daarna had [slachtoffer 3] ook nog een beetje woorden op snap en daar gingen ze een beetje dreigen. [naam 1] had een honkbalknuppel bij zich. [medeverdachte] had een soort plank bij zich, dat je ook gebruikt met sport. Met slagbal. Ik ben door beiden geslagen. Ik weet niet welk letsel door wie is veroorzaakt. We stonden voor het huis. Ze kwamen er weer aanrijden. [slachtoffer 2] had toen ook nog een klap gehad van [medeverdachte] . Hij sloeg [slachtoffer 2] op zijn hoofd met dat racketding. [medeverdachte] zwaaide met dat racketding naar mijn hoofd. [medeverdachte] sloeg [slachtoffer 3] op zijn hoofd bij zijn kaak links met dat racketding. [naam 1] zwaaide met een knuppel. Ik werd op mijn arm geraakt.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 januari 2024, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :
Ik werd ineens vastgepakt en tegen de deur gezet. Ik zag dat [naam 1] mij vasthield. Ik hoorde hem zeggen: 'waar zijn die Kankerlijers.' Ook zei [naam 1] : 'Ik maak je dood'.
Ik zag dat [naam 1] en [medeverdachte] naar binnen liepen, onder de overkapping. Ik zag dat [medeverdachte] een steel van een bijl in zijn handen had. Ook zag ik dat [naam 1] een honkbalknuppel in zijn handen had. Vervolgens zag ik dat ze in het rond sloegen. Op een gegeven moment stonden wij voor de woning. Ik zag dat de auto ter hoogte van de rotonde [adres ] / [adres ] stil stond. Ik zag dat [medeverdachte] en [naam 1] weer naar ons toe kwamen lopen. Ik zag dat [medeverdachte] weer een steel van een bijl vasthield en [naam 1] een honkbalknuppel. Vervolgens zag ik dat ze [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] sloegen. Ik zag dat ze op hun hoofd werden geslagen. Voordat ze naar hun auto liepen zei [medeverdachte] iets van ik schiet je dood, in woorden van gelijke strekking.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 januari 2024, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op een bepaald moment kwamen [medeverdachte] en [naam 1] de tuin in gelopen. Ik zag dat zij allebei knuppels en stokken in de handen hadden. Ze moesten [slachtoffer 3] hebben. Ze begonnen in het rond te slaan met die dingen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2024, opgenomen op pagina 118 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik ben met [naam 1] meegelopen naar zijn slaapkamer boven. In zijn kamer zag ik een houten steel staan met een rond uiteinde. Mogelijk de steel van een honkbalknuppel.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Feit 1 en 2
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de verklaringen van de aangevers en de getuigen niet als overtuigend bewijs kunnen worden aangemerkt. De rechtbank constateert dat de verschillen in de verklaringen met name zien op de positie van de aanwezigen, het uiterlijk van de gebruikte wapens en de woorden die verdachten hebben gebruikt. Dergelijke verschillen passen volgens de rechtbank binnen de waarneming van een chaotische en gewelddadige situatie, waarin meerdere personen betrokken waren en doen niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
De kern van de verklaringen is immers onderling consistent: verdachte en zijn medeverdachte waren gewapend aanwezig en hebben geweld gebruikt. Deze kern wordt verder ondersteund door de waarneming van verbalisant [verbalisant] , die in de slaapkamer van verdachte een houten steel met rond uiteinde, gelijkend op de steel van een honkbalknuppel heeft zien staan. Ook verklaren de aangevers en getuige consistent dat de verdachten bij de tweede confrontatie, ongeveer een kwartier later tijdens de openlijke geweldpleging voor de woning, dezelfde wapens bij zich hadden.
De rechtbank acht de verklaring van de medeverdachte dat hij in de tuin een stuk hout op de grond vond en dit bij het verlaten van de tuin heeft weggegooid niet aannemelijk, nu deze verklaring door geen ander bewijsmiddel wordt ondersteund.
Voorts acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte en zijn medeverdachte ongewapend naar een locatie zouden gaan waar ten minste tien personen aanwezig waren, waaronder het slachtoffer van het eerdere geweldsincident. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat dit slachtoffer verdachte zou hebben opgebeld om het eerdere incident “op te lossen”, terwijl hij zich op een feestje bevond.
Gezien deze omstandigheden, de onderlinge overeenstemming van de verklaringen en de overige bewijsmiddelen, concludeert de rechtbank dat bewezen is dat verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk geweld hebben gebruikt en zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling in vereniging en openlijke geweldpleging.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van aangever [slachtoffer 4] . De aangifte van het slachtoffer wordt voldoende ondersteund door de verklaring van aangever [slachtoffer 1] die bij het incident aanwezig was en heeft verklaard dat verdachte dreigende uitlatingen heeft gedaan. Verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor erkend dat hij boos was en dat zijn gedrag als dreigend kon overkomen. Zowel tijdens zijn politieverhoor als tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij het slachtoffer heeft vastgepakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 20 januari 2024 te Leek, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] in de tuin aan [adres ] heeft mishandeld door in de rondte te slaan met een knuppel, althans een houten voorwerp en daarbij die [slachtoffer 1] op het hoofd en lichaam te slaan;
2
hij op 20 januari 2024 te Leek, openlijk, te weten op [adres ] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
  • een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door met een knuppel, op het hoofd van die [slachtoffer 3] te slaan
  • een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door meermalen met een knuppel, op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan
- een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door met een knuppel, op het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan;
3
hij op 20 januari 2024 te Leek, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door
  • die [slachtoffer 4] vast te pakken
  • daarbij die [slachtoffer 4] dreigend de woorden toe te voegen "waar zijn die kankerlijers" en "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op 9 september 2023 te Midwolde, openlijk, te weten, op het terrein van [bedrijf] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door op het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 3] al dan niet met gebalde vuisten te slaan en te schoppen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van mishandeling
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2, 3, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft verzocht, indien de rechtbank aanleiding ziet om een straf op te leggen, te volstaan met het opleggen van een taakstraf. Daarbij heeft zij verzocht rekening te houden met het door verdachte reeds ondergane voorarrest, de toepassing van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en het tijdsverloop sinds de gepleegde feiten. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht in strafmatigende zin mee te wegen dat verdachte door het contactverbod met zijn medeverdachte, tevens zijn beste vriend, reeds zwaar is getroffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 8 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, bestaande uit geweldsdelicten en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft zich aanvankelijk schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Vijf maanden later heeft verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan mishandeling in vereniging, openlijke geweldpleging en bedreiging, waarbij meerdere slachtoffers betrokken waren, onder wie het slachtoffer van de eerdere geweldpleging.
Het gedrag van verdachte veroorzaakte angst en pijn bij de slachtoffers. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke geweldsfeiten zich nog lang onveilig voelen en lange tijd gebukt kunnen gaan onder negatieve psychische gevolgen. Ook in het algemeen vormen deze feiten een grove inbreuk op de rechtsorde. Openlijke geweldpleging versterkt en bevestigt de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.
De rechtbank vindt de houding van verdachte ten opzichte van de door hem gepleegde feiten zorgelijk. Verdachte neemt niet tot nauwelijks verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Hij ontkent de feiten grotendeels en probeert zichzelf in een slachtofferrol te plaatsen door anderen te beschuldigen van het geven van valse verklaringen.
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoon van verdachte. De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 18 december 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. Voorts houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf tevens rekening gehouden met de rapportage van de reclassering van 8 januari 2026, waaruit - kort samengevat - volgt dat verdachte vanaf 24 januari 2024 onder toezicht staat van de reclassering in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. In die periode heeft verdachte zich goeddeels, na enige waarschuwingen, aan de afspraken en voorwaarden bij het toezicht gehouden. Verdachte lijkt momenteel zijn leven op orde te hebben en verder toezicht is volgens de reclassering niet nodig.
Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hoewel de aard en ernst van het bewezenverklaarde op zich oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een andere reactie geboden is. Rekening houdend met het tijdsverloop en het feit dat verdachte is vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde, acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van 190 uren, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, en een proeftijd van twee jaren, een meer passende sanctie. Met oplegging van een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de aard en ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, maar wordt ook rekening gehouden met het tijdsverloop en de persoon van verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 141, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 190 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 95 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. L.N. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. Krijger en mr. Dijkstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.