AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor mishandeling, openlijke geweldpleging en bedreiging in Leek en Midwolde
Op 20 januari 2024 heeft verdachte samen met een medeverdachte meerdere personen mishandeld in de tuin en op straat te Leek, waarbij zij gebruik maakten van houten voorwerpen zoals een knuppel en een stuk hout. Diverse slachtoffers werden op het hoofd en lichaam geslagen, waarbij ook bedreigingen met een vuurwapen werden geuit.
Daarnaast heeft verdachte op 9 september 2023 te Midwolde openlijk geweld gepleegd tegen een persoon en opzettelijk een telefoon van het slachtoffer beschadigd en weggenomen. De verklaringen van slachtoffers en getuigen waren onderling consistent ondanks enkele verschillen in details, en werden ondersteund door waarnemingen van een verbalisant.
De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend en wees het verweer van de verdediging af. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd het beslag op geldbedragen opgeheven en teruggegeven aan verdachte.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/022873-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Leek, gemeente Westerkwartier, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of andere op dat moment aanwezige personen in/rondom de overkapping/tuin aan [adres] heeft mishandeld door in de rondte te slaan met een knuppel, althans een houten voorwerp en/of daarbij
die [slachtoffer 1] op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of
Van [slachtoffer 2] op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;
2
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Leek, gemeente Westerkwartier, openlijk, te weten op/aan [adres] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door (meermalen) met een knuppel, althans een houten voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 3] te slaan
een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door (meermalen) met een knuppel,
althans een houten voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan
- een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door (meermalen) met een knuppel, althans een
houten voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan
dit door hem, verdachte, gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten
een gezwollen onderkaak en een snee bij het oor voor [slachtoffer 3]
een zwelling achter het oor en een gezwollen hand voor [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Leek, gemeente Westerkwartier, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Volgende keer kom ik met een vuurwapen en schiet ik in je knieschijven", althans woorden
van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op of omstreeks 9 september 2023 te Midwolde, althans in Nederland, openlijk, te weten, op het terrein van [bedrijf] , in elk geval op of aan de
openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 3] al dan niet met gebalde vuisten te slaan en/of te schoppen;
5
hij op of omstreeks 9 september 2023 te Midwolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangevers en getuigen over de kleur en het formaat van de vermeende slagwapens en over hetgeen zich in de tuin zou hebben afgespeeld op wezenlijke punten uiteenlopen, zodat volgens haar onvoldoende wettig bewijs aanwezig is. Voorts heeft zij gesteld dat de overtuiging onder druk staat nu aangever [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) heeft verklaard dat hij verdachte een vervelend persoon vindt en het hem niet zou deren indien verdachte enige tijd wordt opgesloten, hetgeen de betrouwbaarheid van diens verklaring aantast.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het onder 4 en 5 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Ten aanzien van feit 4 en 5:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 januari 2024, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024018118 d.d. 16 februari 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .
Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 22 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het conflict met [slachtoffer 3] speelt al langere tijd. [naam 1] en ik liepen de tuin binnen via de achterzijde. Ik heb mij geprobeerd te verweren met een stuk hout. Toen [naam 1] en ik bij de snackbar
waren, werd ik gebeld door [slachtoffer 3] . Ik ben vervolgens op straat uit de auto gestapt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2024, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 20 januari 2024 was ik op [adres] te Leek. Omstreeks 21:30 uur zag ik [naam 1] samen met [verdachte] de tuin binnen komen. Ik hoorde [naam 1] en [verdachte] op het feestje roepen: Waar is die kankerlijer? [naam 1] en [verdachte] hadden beide een knuppel bij zich en ze begonnen om zich heen te slaan. Ik werd op de linkerkant van mijn hoofd, op mijn linkerbovenarm en op mijn linkerhand geraakt. Buiten op straat troffen wij [naam 1] en [verdachte] weer op de rotonde [adres] te Leek. Hier kreeg ik weer klappen van beide op genoemde plaatsen en mijn broer [slachtoffer 3] werd ook geraakt op zijn hoofd. Ik hoorde [verdachte] vervolgens roepen: Volgende keer kom ik met een vuurwapen en schiet ik in je knieschijven.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 22 januari 2024, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik hoorde al een beetje dat ze, dat [naam 1] , zou komen ofzo. Ze waren boos op [slachtoffer 3] ofzo. Dat is via snapchat gegaan. [naam 2] ontving ze eerst en daarna had [slachtoffer 3] ook nog een beetje woorden op snap en daar gingen ze een beetje dreigen. [naam 1] had een honkbalknuppel bij zich. [verdachte] had een soort plank bij zich, dat je ook gebruikt met sport. Met slagbal. Ik ben door beiden geslagen. Ik weet niet welk letsel door wie is veroorzaakt. We stonden voor het huis. Ze kwamen er weer aanrijden. [slachtoffer 2] had toen ook nog een klap gehad van [verdachte] . Hij sloeg [slachtoffer 2] op zijn hoofd met dat racketding. [verdachte] zwaaide met dat racketding naar mijn hoofd. [verdachte] sloeg [slachtoffer 3] op zijn hoofd bij zijn kaak links met dat racketding. [naam 1] zwaaide met een knuppel. Ik werd op mijn arm geraakt.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 januari 2024, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 3] :
Ik zag dat [naam 1] en [verdachte] naar binnen liepen, onder de overkapping. Ik zag dat [verdachte] een steel van een bijl in zijn handen had. Ook zag ik dat [naam 1] een honkbalknuppel in zijn handen had.
Vervolgens zag ik dat ze in het rond sloegen. Op een gegeven moment stonden wij voor de woning. Ik zag dat de auto ter hoogte van de rotonde [adres] / [adres] stil stond. Ik zag dat [verdachte] en [naam 1] weer naar ons toe kwamen lopen. Ik zag dat [verdachte] weer een steel van een bijl vasthield en [naam 1] een honkbalknuppel. Vervolgens zag ik dat ze [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] sloegen. Ik zag dat ze op hun hoofd werden geslagen. Voordat ze naar hun auto liepen zei [verdachte] iets van “Ik schiet je dood”, in woorden van gelijke strekking.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 januari 2024, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op een bepaald moment kwamen [verdachte] en [naam 1] de tuin in gelopen. Ik zag dat zij allebei knuppels en stokken in de handen hadden. Ze moesten [slachtoffer 3] hebben. Ze begonnen in het rond te slaan met die dingen.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2024, opgenomen op pagina 118 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik ben met [naam 1] meegelopen naar zijn slaapkamer boven. In zijn kamer zag ik een houten steel staan met een rond uiteinde. Mogelijk de steel van een honkbalknuppel.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Feit 1 en 2
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de verklaringen van de aangevers en de getuigen niet als overtuigend bewijs kunnen worden aangemerkt. De rechtbank constateert dat de verschillen in de verklaringen met name zien op de positie van de aanwezigen, het uiterlijk van de gebruikte wapens en de woorden die verdachten hebben gebruikt. Dergelijke verschillen passen volgens de rechtbank binnen de waarneming van een chaotische en gewelddadige situatie, waarin meerdere personen betrokken waren en doen niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.
De kern van de verklaringen is immers onderling consistent: verdachte en zijn medeverdachte waren gewapend aanwezig en hebben geweld gebruikt. Deze kern wordt verder ondersteund door de waarneming van verbalisant [verbalisant] , die in de slaapkamer van de medeverdachte een houten steel met rond uiteinde, gelijkend op de steel van een honkbalknuppel heeft zien staan. Ook verklaren de aangevers en getuige consistent dat de verdachten bij de tweede confrontatie, ongeveer een kwartier later tijdens de openlijke geweldpleging voor de woning, dezelfde wapens bij zich hadden.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij in de tuin een stuk hout op de grond vond en dit bij het verlaten van de tuin heeft weggegooid niet aannemelijk, nu deze verklaring door geen ander bewijsmiddel wordt ondersteund.
Voorts acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte en zijn medeverdachte na dreigementen via social media ongewapend naar een locatie zouden gaan waar ten minste tien personen aanwezig waren, waaronder het slachtoffer van het eerdere geweldsincident. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat dit slachtoffer de medeverdachte zou hebben opgebeld om het eerdere incident “op te lossen”, terwijl hij zich op een feestje bevond.
Gezien deze omstandigheden, de onderlinge overeenstemming van de verklaringen en de overige bewijsmiddelen, concludeert de rechtbank dat bewezen is dat verdachte en zijn medeverdachte gezamenlijk geweld hebben gebruikt en zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling in vereniging en openlijke geweldpleging.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 3] heeft bedreigd. Hoewel uit de bewijsmiddelen niet expliciet volgt dat de uitlating van verdachte rechtstreeks tot het slachtoffer was gericht, legt de rechtbank deze uitlating in de gegeven context wel zo uit. Verdachte heeft verklaard dat er al langere tijd een conflict met het slachtoffer speelde, en de overige bewijsmiddelen bevestigen dat er eerder een incident tussen hen heeft plaatsgevonden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 20 januari 2024 te Leek, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] in de tuin aan [adres] heeft mishandeld door in de rondte te slaan met een knuppel, althans een houten voorwerp en
daarbij die [slachtoffer 1] op het hoofd en lichaam te slaan;
2
hij op 20 januari 2024 te Leek, openlijk, te weten op [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door met een knuppel, op het hoofd van die [slachtoffer 3] te slaan
een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door meermalen met een knuppel, op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan
een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door met een knuppel, op het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan;
3
hij op 20 januari 2024 te Leek, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Volgende keer kom ik met een vuurwapen en schiet ik in je knieschijven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op 9 september 2023 te Midwolde, openlijk, te weten, op het terrein van [bedrijf] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door op het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 1] al dan niet met gebalde vuisten te slaan en te schoppen;
5
hij op 9 september 2023 te Midwolde, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander, toebehoorde heeft beschadigd en weggemaakt.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van mishandeling
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
bedreiging met zware mishandeling
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en wegmaken
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van het voorarrest. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de houding van verdachte, diens persoonlijke omstandigheden en de omstandigheid dat verdachte meer geweld heeft toegepast dan zijn medeverdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor het opleggen van een taakstraf. Daarbij heeft zij verzocht rekening te houden met het door verdachte reeds ondergane voorarrest, de toepassing van artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht en het tijdsverloop sinds de gepleegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 13 maart 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten, bestaande uit geweldsdelicten en een bedreiging met zware mishandeling. Verdachte heeft zich aanvankelijk schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en het wegmaken en beschadigen van de telefoon van een slachtoffer. Vijf maanden later heeft verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan mishandeling in vereniging, openlijke geweldpleging en bedreiging, waarbij meerdere slachtoffers betrokken waren, onder wie tevens het slachtoffer van de eerdere geweldpleging.
Het gedrag van verdachte veroorzaakte angst en pijn bij de slachtoffers. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke geweldsfeiten zich nog lang onveilig voelen en lange tijd gebukt kunnen gaan onder negatieve psychische gevolgen. Ook in het algemeen vormen deze feiten een grove inbreuk op de rechtsorde. Openlijke geweldpleging versterkt en bevestigt de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid. Daarnaast heeft verdachte met zijn handelen laten zien geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen.
De rechtbank acht de houding van verdachte ten opzichte van de door hem gepleegde feiten zorgelijk. Verdachte neemt niet tot nauwelijks verantwoordelijkheid voor zijn handelen bij de bewezenverklaarde feiten. Hij ontkent de feiten grotendeels en probeert zichzelf in een slachtofferrol te plaatsen door anderen
te beschuldigen van het geven van valse verklaringen.
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoon van verdachte. De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 18 december 2025 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. Hiervoor is hem een werkstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen jeugddetentie opgelegd. Voorts houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf tevens rekening gehouden met de rapportage van de reclassering van 13 maart 2025, waaruit - kort samengevat - volgt dat verdachte vanaf 24 januari 2024 onder toezicht staat in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis. De reclassering ziet op grond van de houding van verdachte geen aanknopingspunten voor interventies. Gebleken is dat verdachte tijdens dit toezicht wederom verdacht wordt van strafbare feiten waarvoor hij momenteel in voorlopige hechtenis verblijft.
Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Hoewel de aard en ernst van het bewezenverklaarde op zich oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een andere reactie geboden is. Rekening houdend met het tijdsverloop acht de rechtbank oplegging van een taakstraf van 200 uren, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, en een proeftijd van twee jaren, een meer passende sanctie. Met oplegging van een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de aard en ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, maar wordt ook rekening gehouden met het tijdsverloop en de persoon van verdachte.
Beslag
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen geld mag worden teruggegeven aan verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen geld dient te worden teruggegeven aan verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het geld teruggegeven dient te worden aan verdachte omdat uit het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat dit geldbedrag in relatie staat tot een strafbaar feit.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 141, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
een taakstraf voor de duur van 200 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
het geldbedrag van 695,00, geregistreerd onder goednummer 1682585, en
het geldbedrag van 50,00, geregistreerd onder goednummer 1682140.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Brouwer, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. L.N. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. Krijger en mr. Dijkstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.