ECLI:NL:RBNNE:2026:3105

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
18-102465-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 7 WVWArt. 8 WVWArt. 176 WVWArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor schuld aan dodelijk verkeersongeval, veroordeeld voor verlaten plaats ongeval en rijden onder invloed

Op 11 juni 2024 vond in Oude Pekela een dodelijk verkeersongeval plaats waarbij het slachtoffer ter plaatse overleed. Verdachte werd beschuldigd van roekeloos rijgedrag, verlaten van de plaats van het ongeval en rijden onder invloed van alcohol. Forensisch onderzoek wees uit dat het ongeval werd veroorzaakt door het aantrekken van de handrem, maar het was onduidelijk wie dit had gedaan. Verdachte had een alcoholpromillage van 0,99 mg/ml in haar bloed.

De rechtbank concludeerde dat verdachte de bestuurder was van het voertuig, maar dat niet bewezen kon worden dat zij de handrem had aangetrokken of dat zij schuld had aan het ongeval. Daarom werd zij vrijgesproken van de primaire en subsidiaire tenlasteleggingen van roekeloosheid en gevaarlijk rijgedrag. Wel werd bewezen verklaard dat zij de plaats van het ongeval had verlaten terwijl het slachtoffer was overleden en dat zij had gereden onder invloed van alcohol.

De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand op met een proeftijd van 1 jaar, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het verlaten van het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar gezondheid. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat de schade niet rechtstreeks voortvloeide uit de bewezen feiten.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van schuld aan ongeval, veroordeeld voor verlaten plaats ongeval en rijden onder invloed met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-102465-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 juli 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026.
Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. H.LP. Fauser advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
primair
zij op of omstreeks 11 juni 2024 te Oude Pekela, althans in de gemeente Pekela, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
  • te rijden onder invloed van alcohol, te weten 0,99 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval meer dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen,
  • te trekken aan de handrem van dat voertuig, althans een ander er niet van te weerhouden aan die handrem te trekken, terwijl het voertuig een snelheid van 60 km/u, althans een aanzienlijk hoge snelheid, had, als gevolg waarvan het voertuig in een slip is geraakt en/of in de rechterberm tegen een boom is gebotst, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair:
zij op of omstreeks 11 juni 2024 te Oude Pekela, althans in de gemeente Pekela als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres] ,
  • heeft gereden onder invloed van alcohol, te weten 0,99 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval meer dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed, waarvan zij wist of redelijkerwijs moest weten, dat gebruik de rijvaardigheid kon verminderen,
  • heeft getrokken aan de handrem van dat voertuig, althans een ander er niet van heeft weerhouden aan die handrem te trekken, terwijl het voertuig een snelheid van 60 km/u, althans een aanzienlijk hoge snelheid had, als gevolg waarvan het voertuig in een slip is geraakt en/of in de rechterberm tegen een boom is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
zij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Oude Pekela, gemeente Pekela op/aan [adres] , op of omstreeks 11 juni 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood, dan wel aan een ander letsel en/of schade was toegebracht;
3
zij op of omstreeks 11 juni 2024 te Oude Pekela, althans in de gemeente Pekela, als bestuurder van een motorrijtuig, (een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,99 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 primair en subsidiair en bewezenverklaring van feiten 2 en 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair. De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de feiten 2 en 3.
Oordeel van de rechtbank
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vast.1
Op 11 juni 2024 omstreeks 00:20 uur kwam er bij de meldkamer Noord-Nederland een melding binnen van een verkeersongeval met letsel op [adres] te Oude Pekela. Op [adres] ter hoogte van de kruising met [adres] werd door de politie in de rechterberm een auto met kenteken [kenteken] aangetroffen en nabij de auto een beschadigde boom. Links achterin het voertuig zat het slachtoffer [slachtoffer] . Het slachtoffer, zo bleek later, is op de plaats van het ongeval overleden. Op ongeveer 800 meter van de plaats van het ongeval werden twee verdachten die nacht rond 01:00 uur in een sloot aangetroffen door de politie.2 Uit het bloedonderzoek van verdachte bleek dat zij een alcoholgehalte van 0,99 milligram alcohol per milliliter bloed had.3 Uit het bloedonderzoek van medeverdachte bleek dat hij een alcoholgehalte van 0,88 milligram alcohol per milliliter bloed had.4
Uit forensisch onderzoek is gebleken dat het aantrekken van de handrem de oorzaak van het verkeersongeval is geweest. Als gevolg van het aantrekken van de handrem blokkeerden beide achterbanden en kwam de auto daardoor in een ongecontroleerde dwarsslip terecht. Er werden geen aanwijzingen gevonden waaruit zou kunnen blijken dat de snelheid van de auto onmiddellijk voor het aftekenen van de remblokkeersporen (aanmerkelijk) sneller zou hebben gereden dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 km/u.5Uit forensisch onderzoek is gebleken dat er een DNA-mengprofiel is aangetroffen op de greep van de handrem met DNA afkomstig van medeverdachte en van het slachtoffer.6
De bestuurder
De vraag die de rechtbank in de eerste plaats dient te beantwoorden, is of verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder van de auto was.
Verdachte heeft in haar meest recente verhoor verklaard dat zij niet meer weet wie waar is ingestapt in de auto. Zij heeft verklaard dat het tijdens het rijden zwart werd voor haar ogen en dat zij, toen zij weer bij bewustzijn kwam, achter het stuur zat.7 Medeverdachte heeft verklaard dat hij op de bijrijdersplek zat toen het ongeluk plaatsvond.8
De verklaringen van verdachten vinden steun in de verklaring van getuige [getuige] die aan [adres] woont. [getuige] heeft verklaard dat hij na het horen van een harde klap een auto in zijn tuin zag staan. Hij zag daarbij een man tegen de voorkant van de auto duwen terwijl een vrouw op de bestuurdersstoel zat.9
De rechtbank betrekt bij haar beoordeling tevens de letselbevindingen die de forensisch arts na het ongeval bij verdachte en medeverdachte heeft vastgesteld. Bij verdachte is na het ongeval onder meer op
de bovenzijde van de linkerschouder een kras van 4 cm aangetroffen. De algemene ontstaanswijze van dit letsel is volgens de forensisch arts door uitwendig inwerkend stomp geweld, hetgeen zou kunnen passen bij druk van een veiligheidsgordel van een auto die gebotst is.10 Bij medeverdachte is onder meer een kneuzing aangetroffen op de borstkas enkele centimeters onder zijn rechter sleutelbeen. De algemene ontstaanswijze van dit letsel is volgens de forensisch arts door stomp uitwendig drukkend geweld tegen de boven/voorzijde van de rechterzijde van de borstkas. Onder zijn rechtertepel doorlopend tot de linkerzijde van de onderbuik is een lichtgele vaag begrensde bandvormige lijn aangetroffen. De algemene ontstaanswijze van dit letsel is volgens de forensisch arts door uitwendig inwerkend stomp geweld, hetgeen kan passen bij druk van een veiligheidsgordel bij een botsing.11
Op basis van de voorgaande feiten, de verklaringen van verdachten en de getuigenverklaring van [getuige] komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de bestuurder was van de auto.
Rijden onder invloed
Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verdachte de bestuurder van de auto was, dat zij een alcoholgehalte van 0,99 milligram alcohol per milliliter bloed had en zij bovendien zelf heeft verklaard dat zij, voordat zij in de auto stapte, wijn heeft gedronken,12 acht de rechtbank het onder feit 3 ten laste gelegde rijden onder invloed wettig en overtuigend bewezen.
Artikel 6 WVW Pro
Van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is sprake indien de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, het aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
De rechtbank dient daartoe te beoordelen of kan worden vastgesteld dat verdachte aan de handrem heeft getrokken. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Uit forensisch onderzoek blijkt dat er een DNA-mengprofiel is aangetroffen op de greep van de handrem met DNA afkomstig van medeverdachte en van het slachtoffer. Verdachte en medeverdachte hebben niets verklaard over het in de bewuste nacht aan de handrem trekken en dus ook niet over wie aan de handrem heeft getrokken. Verdachte heeft wel verklaard dat medeverdachte ook gebruikmaakte van haar auto en dat zij zelf de handrem nooit gebruikt. Ook heeft zij verklaard dat het slachtoffer nooit gebruikmaakte van haar auto omdat hij geen rijbewijs had.13 De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte aan de handrem heeft getrokken.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de schuld van verdachte hierin is gelegen dat zij heeft nagelaten om een ander ervan te weerhouden aan de handrem te trekken. De rechtbank is van oordeel dat het van een bestuurder wordt verwacht dat diens aandacht op de weg en het verkeer is gericht en dat niet kan worden gevergd dat de bestuurder belet dat een passagier aan de handrem trekt; het aantrekken hiervan kan immers in zeer kort tijdsbestek plaatsvinden zonder dat de bestuurder hiervan op de hoogte is.
Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte aan de handrem heeft getrokken en evenmin van haar kon worden gevergd dat zij een ander zou beletten plotseling aan de handrem te trekken, terwijl daarnaast niet is gebleken van anderszins gevaarlijk rijgedrag door verdachte, is er geen sprake van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag. Volgens vaste jurisprudentie is de enkele vaststelling van het rijden onder invloed onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.
Artikel 5 WVW Pro
Het subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 5 WVW Pro, waarin strafbaar wordt gesteld het zich zodanig op de weg gedragen dat gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het gaat daarbij om concrete gevaarzetting of hinder. Bij de vraag of een bepaalde handeling kan worden aangemerkt als gevaarlijk gaat het om de handeling in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval.
Nu, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat verdachte aan de handrem heeft getrokken en evenmin van haar kon worden gevergd dat zij een ander ervan zou weerhouden om plotseling aan de handrem te trekken, ligt de vraag voor of enkel het rijden onder invloed valt onder artikel 5 WVW Pro. Weliswaar leidt het onder invloed van alcohol besturen van een auto in algemene zin tot verkeersonveilige situaties, maar onder de gegeven omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat het rijgedrag van verdachte als zodanig gevaarzettend of hinder veroorzakend is geweest.
Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde.
Verlaten van de plaats van het ongeval
Vaststaat dat verdachte als bestuurder betrokken was bij het ongeval en dat zij de plaats van dit ongeval heeft verlaten. Verdachte heeft verklaard dat zij na het ongeval bij het slachtoffer is gaan kijken en geprobeerd heeft hem wakker te maken, maar dat het slachtoffer niet reageerde. Verdachte en medeverdachte zijn vervolgens, in paniek aldus verdachten -, weggerend.14 Getuige [getuige] heeft verklaard dat toen hij naar de man en de vrouw riep dat hij de politie ging bellen, de vrouw uit de auto kwam en samen met de man wegrende.15 Uit het voorgaande volgt dat verdachte zich ervan bewust was dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval was overleden, dan wel letsel had opgelopen. Verdachte heeft desondanks de plaats van het ongeval verlaten.
De rechtbank acht derhalve het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
Verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2
zij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Oude Pekela, gemeente Pekela op [adres] , op 11 juni 2024 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood, dan wel aan een ander letsel en schade was toegebracht;
3
zij op 11 juni 2024 te Oude Pekela, althans in de gemeente Pekela, als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,99 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
  • Feit 2: overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
  • Feit 3: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0.99 mg/l).
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit en 2 en 3 wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de op te leggen straf aangesloten bij de strafeis van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, het reclasseringsrapport d.d. 18 juni 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het rijden onder invloed zoals ten laste is gelegd, is een geldboete van 550,00 het uitgangspunt. Voor het verlaten van de plaats van het ongeval zijn er geen oriëntatiepunten, maar wordt blijkens bestendige rechtspraak doorgaans een taakstraf opgelegd. De rechtbank ziet in het onderhavige geval aanleiding om van deze uitgangspunten af te wijken.
Een geldboete is gelet op de draagkracht van verdachte niet passend. Daarbij zou een geldboete geen recht doen aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, waarbij met name het verlaten van de plaats van het ongeval zwaar weegt. Verdachte heeft, nadat er met de auto die zij bestuurde een ongeval had plaatsgevonden, de plaats van het ongeval verlaten en het dodelijk gewonde slachtoffer achtergelaten zonder hulp in te schakelen. Uit de slachtofferverklaringen van de nabestaanden blijkt dat naast het gemis van het slachtoffer, het verlaten van het slachtoffer, die tevens een vriend van verdachte en medeverdachte was, extra verdriet en boosheid voor hen meebrengt. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
De rechtbank ziet ook in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om af te wijken van de uitgangspunten. Na het ongeval is bij verdachte vastgesteld dat zij twee tumoren in haar hoofd heeft, waarvan zij in het dagelijks leven veel hinder ondervindt. Gelet op de gezondheidstoestand van verdachte acht de rechtbank een taakstraf niet uitvoerbaar. Nu een geldboete niet passend is en een taakstraf niet uitvoerbaar, acht de rechtbank een gevangenisstraf de aangewezen strafmodaliteit. Rekening houdend met het tijdsverloop sinds de feiten en de gezondheidstoestand van verdachte, zal de rechtbank deze gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen en hieraan een kortere proeftijd verbinden dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles overwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 1 jaar, passend en geboden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. ​
[naam 1] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [naam 2] , tot een bedrag van 3.254,09 ter vergoeding van materiële schade en 30.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [naam 3] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [naam 4] , tot een bedrag van 30.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
5. [ [naam 5] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gelet op de gevorderde vrijspraak voor feit 1 primair en subsidiair.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1 primair en subsidiair. Subsidiair heeft de raadsvrouw inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, waaruit de gestelde schade zou zijn voortgevloeid, niet bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is door het onder feiten 2 en 3 bewezenverklaarde geen rechtstreekse schade toegebracht aan de benadeelde partijen. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c en 57 Wetboek van Strafrecht en artikelen 7, 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart de vorderingen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] niet-ontvankelijk.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.
Mr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Verwezen wordt naar het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Noord-Nederland,
met nummer PL0100-2024154314, gesloten op 31 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de digitale paginas van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2024 pagina 225 e.v., inhoudend het relaas van
verbalisanten.
3 Een proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 27 juli 2024, pagina 150 e.v., inhoudend het relaas van
verbalisanten. Een deskundigenrapport van [ziekenhuis] d.d. 24 juli 2024, opgemaakt door dr. T.M. Bosch, pagina 160 e.v.
4 Een proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 6 maart 2025, pagina 163 e.v., inhoudend het relaas van
verbalisanten. Een deskundigenrapport van [ziekenhuis] d.d. 18 juni 2024 opgemaakt door dr. T.M. Bosch, pagina 172 e.v.
5 Een proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 6 november 2024, pagina 28 e.v., inhoudend het relaas
van verbalisanten.
6 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid d.d. 5 juli 2025, opgemaakt door dr. M. Hidding, pagina 79 e.v.
7 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 12 mei 2026, pagina 3 e.v. van het aanvullend
proces-verbaal met nummer PL0100-2024154272-65, gesloten op 28 mei 2026.
8 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 12 juni 2024, pagina 270 e.v.
9 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2024, pagina 218 e.v., inhoudend de getuigenverklaring
van [getuige] .
10 Een letselrapport forensische geneeskunde van de GGD Groningen d.d. 13 juni 2024, opgemaakt door dr.
[arts] , pagina 97 e.v.
11 Een letselrapport forensische geneeskunde van de GGD Groningen d.d. 13 juni 2024, opgemaakt door dr.
[arts] , forensisch arts KNMG, pagina 89 e.v.
12 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 13 juni 2024, pagina 282 e.v.
13 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 12 mei 2026, pagina 3 e.v. van het aanvullend
proces-verbaal met nummer PL0100-2024154272-65, gesloten op 28 mei 2026.
14 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2024, pagina 218 e.v., inhoudend de getuigenverklaring
van [getuige] .
15 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2024, pagina 225 e.v., inhoudend de verklaring van
verdachte [verdachte] .