ECLI:NL:RBNNE:2026:310

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
18-096707-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 138 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting, mishandeling, lokaalvredebreuk en dwang

Verdachte heeft zich binnen een periode van minder dan twee maanden schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Op 12 februari 2025 drong hij wederrechtelijk een opvanglocatie voor asielzoekers binnen en sloot hij een slachtoffer kort op in haar kamer door de deur op slot te doen en haar op het bed te duwen, waardoor zij haar kamer niet kon verlaten. Op 30 maart 2025 achtervolgde verdachte een voorbijgangster, werkte haar tegen de grond, trok haar broek en onderbroek naar beneden en probeerde haar te verkrachten. Het slachtoffer verzette zich hevig, waarop verdachte haar in het oor en gezicht beet, wat blijvend letsel veroorzaakte.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van slachtoffers en getuigen, camerabeelden, forensisch onderzoek en DNA-onderzoek dat de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict bevestigde. De verdediging ontkende de betrokkenheid van verdachte, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank achtte verdachte volledig toerekeningsvatbaar en legde een gevangenisstraf van drie jaar op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers: €8.200 aan het eerste slachtoffer en €1.500 aan het tweede slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank gelastte tevens de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week wegens het plegen van nieuwe strafbare feiten binnen de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en betaling van schadevergoedingen aan de slachtoffers.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-096707-25
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-048459-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-339916-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.O. Roosjen, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

(in de zaak met parketnummer 18-096707-25)
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1. ​
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging, voorgenoemde [slachtoffer 1]
  • gedurende enige tijd heeft gevolgd en/of (vervolgens) heeft aangesproken en/of heeft vastgepakt en/of heeft geduwd en/of haar broek en/of onderbroek en/of blouse, althans kleding, (gedeeltelijk) heeft uitgetrokken, waardoor zij ten val is gekomen, en/of
  • (vervolgens) gedurende enige tijd met al dan niet (gedeeltelijk) ontbloot geslachtsdeel, althans lichaam, op haar is gaan liggen en/of de (ontblote) vagina, althans het lichaam, van [slachtoffer 1] heeft aangeraakt,
  • gedurende welke gedragingen hij, verdachte, voorgenoemde [slachtoffer 1] in het oor en/of het gezicht, althans het lichaam, heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te [plaats] , althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:
  • het (gedeeltelijk) uittrekken van haar broek en/of onderbroek en/of blouse, althans kleding, en/of
  • (vervolgens) gedurende enige tijd met al dan niet (gedeeltelijk) ontbloot geslachtsdeel, althans lichaam, op haar te liggen en/of de (ontblote) vagina, althans het (ontblote) lichaam van [slachtoffer 1] aan te raken,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:
  • voorgenoemde [slachtoffer 1] gedurende enige tijd te volgen en/of (vervolgens) aan te spreken en/of vast te pakken en/of te duwen en/of haar broek en/of onderbroek en/of blouse, althans kleding, (gedeeltelijk) uit te trekken, waardoor zij ten val is gekomen en/of
  • voorgenoemde [slachtoffer 1] in het oor en/of het gezicht, althans het lichaam, te bijten; 2
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door:
- voorgenoemde [slachtoffer 1] bij de nek en/of de mond en/of het lichaam vast te pakken en/of te knijpen en/of te duwen, waardoor zij ten val is
gekomen, en/of
- voorgenoemde [slachtoffer 1] in het oor en/of het gezicht, althans het lichaam, te bijten;
(in de zaak met parketnummer 18-048459-25)
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 12 februari 2025 te Groningen, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, bij een ander, te weten het verblijfdeel voorbij de klapdeuren van het pand [adres] van bij [stichting] , althans het besloten deel bij een ander of anderen dan bij verdachte in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.
hij, op of omstreeks 12 februari 2025 te Groningen, een ander, te weten [slachtoffer 2] door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten door haar kamer binnen te dringen en/of haar te beletten de kamer (aanstonds) te verlaten en/of haar in de kamer te houden en/of zijn aanwezigheid in haar kamer heeft moeten dulden door de kamer te verlaten door:
  • de deur van de kamer ongevraagd te openen en/of de kamer van die [slachtoffer 2] binnen te gaan en/of;
  • die [slachtoffer 2] (in die kamer) op een bed te gooien en/of
  • de (kamer)deur van die [slachtoffer 2] te sluiten en deze op slot te doen en/of
  • die [slachtoffer 2] één of meerdere malen vast te pakken en aan haar te trekken zodra zij zich in de richting van de deur/uitgang van die kamer begeeft,
waardoor zij niet aanstonds de kamer heeft kunnen verlaten en/of zijn aanwezigheid in haar kamer heeft moeten dulden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte onder parketnummer 18-096707-25 onder 1 primair en onder 2 ten laste is gelegd en hetgeen hem onder parketnummer 18-048459-25 onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder parketnummer 18-096707-25 onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 ten laste is gelegd, gelet op de ontkennende verklaring van verdachte. Verdachte heeft meermalen verklaard dat hij aangeefster nooit heeft gezien en dat hij niet de persoon is over wie zij in haar aangifte spreekt. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de wond aan zijn vinger is ontstaan doordat hij is gevallen.
Ook ten aanzien van hetgeen verdachte onder parketnummer 18-048459-25 onder 1 en 2 ten laste is gelegd, heeft de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft hij daartoe in het bijzonder aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ruimte achter de klapdeuren in juridische zin is “binnengedrongen”, nu hij verklaard heeft dat hij hier per ongeluk terecht was gekomen. Van opzet is dan ook geen sprake. Ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van binnendringen, nu verdachte - op zoek naar zijn eigen kamer - per ongeluk in de kamer van aangeefster [slachtoffer 2] terecht is gekomen. Volgens de raadsman is er geen wettig bewijs in het dossier dat verdachte de kamer van aangeefster is binnen gedrongen, hij aangeefster op bed heeft geduwd en haar heeft belet om haar kamer te verlaten, nu aangeefster [slachtoffer 2] de enige is die hierover verklaard heeft. Volgens de raadsman bevindt zich geen steunbewijs in het dossier. De verklaring van getuige [getuige 1] , inhoudende dat zij geschreeuw heeft gehoord en gezien heeft dat [slachtoffer 2] heel erg geschrokken was, is onvoldoende. Volgens de raadsman kan het geschreeuw van mevrouw [slachtoffer 2] ook worden verklaard doordat zij schrok van het feit dat er plotseling iemand haar kamer binnenkwam.
Oordeel van de rechtbank
In de zaak met parketnummer 18-096707-25
De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 maart 2025, opgenomen op pagina 46 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025081950 d.d. 28 juli 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik verblijf bij de opvang in [plaats] . Gisteren liep ik vanaf de opvang richting het centrum. Ik kwam een man tegen. De man bleef mij volgen. Ik heb een video gemaakt. Ik wilde terug naar het AZC gaan dus ik ging de sloot oversteken. Toen heeft hij aan mij getrokken en zijn wij gaan vechten. Hij duwde mij in de sloot. We begonnen in de sloot te vechten. Hij begon op dat moment mijn broek uit te doen. Hij zei dat ik mijn broek naar beneden moest doen. Ik deed hem omhoog. Ik ging op mijn buik liggen. Ik ging schreeuwen. Hij pakte mijn mond en mijn nek vast. Ik ging in zijn vinger bijten en ik bleef in zijn vinger bijten. Op een gegeven moment begon hij in mijn oor te bijten. Ik begon te bloeden. Hij deed een knie op mijn rug en hij pakte mijn nek vast. Hij ging mijn nek knijpen. Hij begon in mijn gezicht naast mijn oor te bijten. Hij deed zijn vinger uit mijn mond. Maar ik heb op een andere vinger van zijn hand gebeten. Later ging hij weg.
V: Hij heeft jouw broek naar beneden getrokken. Hoe zat het met je onderbroek?
A: Hij trok mijn broek en onderbroek tegelijk. Dus alles ging omlaag. Op dat moment was ik bloot. Hij was boven en ik was beneden. Ik probeerde mijn broek omhoog te doen en ik ging zo schuin met mijn billen en zo kon hij niet bij mijn vagina komen.
Toen ik hoorde dat hij mijn broek om laag ging doen, ben ik gaan vechten en deed ik mijn vagina naar beneden. Ik heb pijn, want mijn oor is gezwollen.
V: Je hebt een pleister op je wang. Waar is die voor? A: Hij heeft mij daar gebeten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 april 2025, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Op 30 maart 2025 liep ik samen met een vriendin van mij richting het centrum. Wij zagen dat twee personen aan het vechten waren in een greppel. De man lag bovenop de vrouw. Die man is onmiddellijk
uit die greppel weggegaan en liep gehaast langs ons. Wij zagen dat de man bloed had in zijn gezicht. De vrouw was aan het schreeuwen. Wij zagen dat de vrouw bloed had in haar gezicht, bij haar mond. Wij zagen dat de vrouw een blouse droeg en dat deze wat omhoog was. Wij hebben de vrouw aangesproken en zij vertelde ons dat de man, die ons net voorbij liep, haar probeerde te verkrachten. Mijn vriendin en ik hebben de man gevolgd richting het kamp ( AZC ). Wij kwamen onderweg een andere man tegen en wij zeiden tegen hem dat de man die net voorbij liep een vrouw wilde verkrachten. Deze man is de man gaan volgen. Die andere man heeft dus de man gevolgd tot aan het AZC en vertelde tegen de beveiliger dat hij een vrouw wilde verkrachten. De man had een roze/paarse broek aan, er zat modder op. De vrouw vertelde dat de man haar broek probeerde uit te doen. Daarom heeft de vrouw in zijn vinger gebeten.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 april 2025, opgenomen op pagina 99 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :
Ik was samen met mijn vriendin [getuige 2] . Wij liepen richting het winkelcentrum. Wij zagen onderweg een jongeman, in de verte. Ik keek naar hem en ik zag dat hij uit het gras liep, richting de weg. Ik zag dat hij een lichte broek droeg en op de knieën was het een andere kleur. Die man liep onze kant op en toen hij ons voorbij liep, zag ik op bloed op zijn gezicht. Ongeveer twee minuten daarna zagen wij een Afrikaanse mevrouw. Wij zagen dat de vrouw in het gras stond, daar waar de man net uitgelopen was. De vrouw was hysterisch; ze schreeuwde. De vrouw probeerde onze aandacht te trekken; ze zwaaide naar ons en riep.
Wij zagen dat de vrouw gestrest was. Wij liepen naar de vrouw en toen wij dichterbij kwamen zag ik dat ze bloedde; het zat overal. De vrouw had bloed bij haar mond, handen en haar gezicht. De vrouw was ook gebeten zei ze. Er zaten wonden aan meerdere kanten van haar gezicht.
V: Hoe zat het met de kleding van de vrouw, toen jullie bij haar aankwamen?
A: Haar kleren zaten wat verward, haar broek was wat naar beneden want ik kon haar ondergoed zien. Haar top zat wat omhoog. Haar pruik was van haar hoofd, die had ze in haar handen. Je kon zien dat er wat gebeurd was. Ze was hysterisch.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 april 2025, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Tijdens de aangifte verklaarde het slachtoffer dat ze kort voor het delict met haar telefoon aan het beeldbellen was. Slachtoffer maakte op dat moment een kort filmpje van de verdachte. Op de film is te zien dat een licht getinte man, met krullend zwart haar gekleed in blauwe Adidas sneakers, een paarse broek, en een zwarte jas in het gras op een afstand van circa anderhalve meter van het slachtoffer staat. (Het slachtoffer is niet te zien, maar verklaarde de persoon te zijn die verdachte filmt.) Op het geluid is te horen dat een vrouwspersoon in een buitenlandse taal spreekt. De man in beeld is verdachte [verdachte] .
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek naar persoon [verdachte] d.d. 4 april 2025, opgenomen op pagina 147 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 30 maart 2025 werd ik gebeld voor het onderzoeken van een verdachte. De verdachte, [verdachte] , kon gelijk worden aangehouden. Ik zag dat [verdachte] bloedgelijkende sporen op zijn beide handen had, waarbij er meer op de rechterhand aanwezig waren, ten opzichte van zijn linkerhand (zie foto 3 t/m 5). Ik zag dat [verdachte] een verwonding had aan zijn rechter middelvinger, ter hoogte van zijn vingernagel (zie foto 6). Ik zag dat er uit de verwonding nog bloed kwam. Verder zag ik dat [verdachte] , op de rugzijde van zijn rechterhand, ter hoogte van zijn duim, een rondvormige afdruk van tanden had in zijn huid (zie foto 7). Ik zag dat [verdachte] krassen aan de voorzijde van zijn hals had (zie foto 8) en één kras op zijn linkerwang, net onder zijn oog (zie foto 9). De krassen oogden alsof deze recent daar waren toegebracht. Ik zag dat de krassen in de hals van [verdachte] eruit zagen alsof deze recent waren toegebracht. Ik zag dat [verdachte] gekleed was in een paarse joggingbroek, van het merk Lacoste, en een grijze hoodie van het merk Adidas. Ik zag dat er op de kleding vuile vegen aanwezig waren en bloedgelijkende vlekken.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek naar persoon [slachtoffer 1] d.d. 4 april 2025, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Slachtoffer
Achternaam: [slachtoffer 1]
Voornamen: [slachtoffer 1]
Het volgende spoor en sporendragers werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
Biologisch spoor SIN: ZAAE3876NL
Spooromschrijving: Speeksel Sporendragers
SIN: AALR1730NL
Object: Kleding (Ondergoed)
7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.04.08.080, d.d. 28 april 2025 opgemaakt door Y. Hoiting, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
AALR1731NL#03 buitenzijde tailleband links
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen:
een relatief grote hoeveelheid DNA:
- slachtoffer [slachtoffer 1]
een relatief kleine hoeveelheid DNA:
- verdachte [verdachte]
Naast DNA-kenmerken die overeenkomen met de DNA-profielen van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] bevat deze bemonstering nog enkele kenmerken waarvan niet duidelijk is of het DNA-kenmerken van minimaal één andere (een derde) persoon of technische artefacten betreft. Indien het DNA-kenmerken van een andere persoon betreft, is het DNA-mengprofiel onvoldoende informatief om vast te kunnen stellen van wie dat DNA afkomstig kan zijn.
Bewijskracht:
- niet berekend
- meer dan 1 miljard
ZAAE3876NL#01
oor linker - nat
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen:
- slachtoffer [slachtoffer 1]
- verdachte [verdachte]
Getest op type celmateriaal:
Bewijskracht:
- niet berekend
- meer dan 1 miljard
Testresultaat:
- speeksel
- positief
ZAAE3876NL#02 wang linker - nat
DNA kan afkomstig zijn van:
een relatief grote hoeveelheid DNA :
- slachtoffer [slachtoffer 1]
Bewijskracht:
- niet berekend
- meer dan 1 miljard
een relatief kleine hoeveelheid DNA:
- verdachte [verdachte]
Testresultaat:
- positief
Getest op type celmateriaal:
- speeksel
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
AALR1731NL#03 (buitenzijde tailleband links)
DNA-mengprofiel AALR1731NL#03 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon.
ZAAE3876NL#01 (oor linker - nat)
DNA-mengprofiel ZAAE3876NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon.
ZAAE3876NL#02 (wang linker - nat)
DNA-mengprofiel ZAAE3876NL#02 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende persoon.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde
Verdachte heeft ontkend dat hij de persoon is waarover aangeefster heeft verklaard, maar de rechtbank uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat verdachte wel degelijk betrokken is geweest bij beide delicten. Zo heeft aangeefster een filmpje van verdachte gemaakt toen hij haar achtervolgde. De politie heeft de persoon op de beelden herkend als verdachte. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat zij de verdachte hard in zijn vinger heeft gebeten om zich te verweren. Het bij de verdachte aangetroffen letsel past bij deze verklaring. Ook heeft het NFI onderzoek gedaan naar aangetroffen biologische sporen bij aangeefster. Naar aanleiding van de bevindingen van het NFI omtrent de onderzoeken naar de aangetroffen biologische sporen op de linkerwang en het linkeroor van aangeefster en op de linker buitenzijde van de tailleband van het ondergoed, en de hoge bewijskracht ervan die ten aanzien van verdachte telkens zijn gerapporteerd, stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat het DNA dat is aangetroffen, van verdachte is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de persoon is geweest over wie de aangeefster in haar aangifte heeft verklaard.
De rechtbank is op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat er sprake is geweest van een poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting.
Verdachte heeft aangeefster enige tijd achtervolgd en vervolgens onverhoeds vastgepakt en in een sloot geduwd, waarbij zij is gevallen. Toen zij op de grond lag is de verdachte bovenop haar gaan liggen en heeft hij haar broek en onderbroek naar beneden getrokken. Hij heeft haar in bedwang gehouden door onder meer een knie op haar rug te zetten, in haar nek te knijpen en haar in haar oor en gezicht te bijten, kennelijk om ervoor te zorgen dat zij zou meewerken. Verdachte heeft zijn handelingen pas gestaakt toen er voorbijgangers langs kwamen.
Uit de handelingen van verdachte het op aangeefster gaan liggen en het naar beneden trekken van haar broek en onderbroek leidt de rechtbank het voornemen af tot het verrichten van seksuele handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Dat verdachte met zijn gedragingen een andere intentie had is gesteld noch gebleken. Dat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard. Aangeefster heeft tijdens deze handelingen flink tegengestribbeld en geschreeuwd. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte wist dat zij geen seksueel contact met hem wilde. Verdachte heeft als reactie hierop geweld uitgeoefend. Aangeefster heeft als gevolg hiervan meerdere verwondingen in het gezicht opgelopen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting en aan mishandeling van
[slachtoffer 1] .
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde geldt dat sprake is van steeds één samenstel van verschillende gedragingen dat twee zelfstandige strafbare feiten oplevert. Hierbij geldt dat deze gedragingen naar maatstaven van tijd en plaats zodanig samenvallen dat sprake is van één feit dat onder meer strafbepalingen is te rubriceren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop tussen het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde.
In de zaak met parketnummer 18-048459-25
De rechtbank past ten aanzien van het hierna onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025038859
d.d. 14 februari 2025, inhoudend als verklaring van [getuige 4] :
Ik ben werkzaam bij [stichting] , bij de opvanglocatie welke gevestigd is aan de [adres] te Groningen. Er kwam een man binnen. Deze man kwam binnen en probeerde direct door de klapdeuren te lopen, zodat hij het pand binnen was en daarmee wordt bedoeld de toegang tot de kamers waar mensen verblijven, de keuken etc. Daarop heb ik de man teruggeroepen en heb ik aan hem uitgelegd dat hij kon verblijven in de passantenkamer in verband met de kou. Inmiddels was zijn identiteit bij mij bekend geworden als zijnde [verdachte] . Ik heb [verdachte] uitgelegd dat hij deze nacht in de passantenkamer mocht verblijven. Deze kamer zit direct links bij binnenkomst van het gebouw en voor de klapdeuren om het pand binnen te komen waar de kamers zijn. Even later zag ik hem terugrennen vanuit het pand, door de klapdeuren, naar de passantenkamer. Hij had dus het pand betreden, terwijl
ik tegen hem had gezegd dat dit niet mocht. Ik zag een aantal vrouwen die aan kwamen lopen en de eerste vrouw, [slachtoffer 2] , vertelde mij dat [verdachte] op haar kamer was geweest en haar wilde verkrachten. [verdachte] zou geprobeerd hebben de deur op slot te doen en de vrouw op bed te willen duwen. De politie is gekomen en hebben [verdachte] aangehouden. Ik zag dat mijn collega slippers liet zien die uit de kamer van [slachtoffer 2] waren gekomen. Deze slippers waren van [verdachte] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik ben woonachting bij [stichting] . Op woensdag 12 februari 2025 bevond ik mij in mijn kamer. Ik bevond mij op mijn kamer terwijl mijn kamerdeur gesloten was. De deur was echter niet op slot. Op enig moment kwam er een man mijn kamer binnen lopen, verder te noemen als verdachte. Ik schreeuwde meermaals tegen hem 'go out, go out'. Ik zag dat verdachte mijn kamer niet uit ging. Ik hoorde dat verdachte tegen mij schreeuwde. Vervolgens zag en voelde ik dat verdachte mij met kracht op het bed gooide. Ik zag dat verdachte vervolgens meteen naar mijn kamerdeur rende en dat hij mijn kamerdeur sloot en op slot draaide. Ik stond op, vanaf het bed, en probeerde te vluchten. Ik rende naar de deur, echter hield verdachte mij fysiek tegen. Verdachte pakte mij met kracht vast en wist mij op deze manier tegen te houden. Verdachte belette mij om de deur te open. Verdachte hield mij dus, tegen mij wil, opgesloten in mijn eigen kamer. Ik kon bij de deur komen, maar kon deze niet openen. Dit omdat verdachte aan mij bleef trekken. Wel lukte het mij om luidkeels te schreeuwen en op de deuren en muren te bonken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik ben woonachtig op een kamer gelegen tegenover de kamer van aangeefster [slachtoffer 2] . Op woensdag 12 februari 2025 bevond ik mij op mijn kamer. Op enig moment hoorde ik luid geschreeuw en geklop op de muren. Ik hoorde dat lawaai afkomstig was uit de kamer van [slachtoffer 2] . Ik hoorde dat [slachtoffer 2] meermaals schreeuwde ' [naam] , help help'. Vervolgens ben ik naar de gang gerend. Op het moment dat ik de gang op stapte, zag ik dat een man de kamer van [slachtoffer 2] uit rende. Ik zag dat deze man de gang uit rende. Vervolgens zag ik [slachtoffer 2] de kamer uit komen. Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat de man, welke zojuist was weggerend, [slachtoffer 2] had opgesloten op haar kamer. Ook hoorde ik dat [slachtoffer 2] op bed gegooid was door die man. Ik zag en hoorde dat [slachtoffer 2] heel erg in paniek was en dat [slachtoffer 2] behoorlijk buiten adem was.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
22.36.58: Verdachte betreed een gang volg met kamerdeuren.
22.37.27: Verdachte opent zelfstandig de deur en stapt de kamer binnen. Van een medewerker van [stichting] , begreep ik dat dit de kamer van aangeefster [slachtoffer 2] betreft.
22.38.22: De kamerdeur tegenover de kamer van aangeefster [slachtoffer 2] gaat open. Een buurvrouw komt in deze deuropening staan en kijk verschrikt in de richting van de kamer van aangeefster [slachtoffer 2] .
22.38.29: Er opent nog een kamerdeur en ook in deze deuropening verschijnt een buurvrouw. Ook deze vrouw heeft haar aandacht op de kamer van aangeefster [slachtoffer 2] gericht.
22.38.31: De deur van aangeefster [slachtoffer 2] haar kamer gaat open. Dit is dus dezelfde deur als waar verdachte naar binnen was gegaan. Aangeefster [slachtoffer 2] , welke ik vanuit eerder contact vandaag meteen herkende, loopt achterwaarts haar kamer uit. Meteen daarna komt verdachte de kamer uit.
22.38.34: Verdachte loopt met versnelde pas rechtsaf de gang op en verdwijnt buiten beeld. Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk door binnen te dringen in de ruimte achter de klapdeuren bij [stichting] . Dat verdachte zich aldaar, zoals gezegd, per ongeluk bevond, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Immers, uit de aangifte van [getuige 4] blijkt dat verdachte bij binnenkomst een passantenkamer toegewezen heeft gekregen en dat hem daarbij duidelijk is gezegd dat hij de overige ruimtes van het pand niet mocht betreden. Verdachte heeft dit toch gedaan, zoals blijkt uit de aangifte van [getuige 4] voornoemd en voorts ook uit de beschrijving van de camerabeelden. Hiermee is verdachte wederrechtelijk binnengedrongen in de ruimte achter de klapdeuren en daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank is op basis van de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte wel degelijk in de kamer van aangeefster [slachtoffer 2] is geweest en voorts dat hij aangeefster [slachtoffer 2] middels geweld en een feitelijkheid heeft belet haar kamer te verlaten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De aangifte van [slachtoffer 2] , inhoudende dat verdachte plotseling haar kamer binnen kwam, haar met kracht op het bed gooide en haar kamerdeur op slot deed zodat zij de kamer niet kon verlaten, wordt ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte de kamer van aangeefster betreedt en ruim een minuut later pas weer verlaat. Daarnaast wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] , in die zin dat deze getuige verklaart dat zij hard geschreeuw hoort uit de kamer van [slachtoffer 2] . Dit past bij de aangifte van [slachtoffer 2] , waarin zij verklaart dat zij heeft geschreeuwd om hulp en uit paniek. Ook heeft de getuige verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte uit de kamer van de aangeefster kwam gerend. De getuige heeft voorts verklaard dat de aangeefster zeer in paniek en buiten adem was. De verklaring van verdachte, dat hij op zoek was naar zijn eigen kamer, alleen de weg wilde vragen daarbij niet in de kamer van [slachtoffer 2] is geweest, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank acht daarom ook dit feit wettig en overtuigend te bewijzen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18-096707-25 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-048459-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
(in de zaak met parketnummer 18-096707-25)
1. ​
hij op 30 maart 2025 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door en vergezellen van dwang en geweld waarbij hij, verdachte, voorgenoemde [slachtoffer 1]
  • gedurende enige tijd heeft gevolgd en (vervolgens) heeft aangesproken en heeft vastgepakt en heeft geduwd en haar broek en onderbroek (gedeeltelijk) heeft uitgetrokken, waardoor zij ten val is gekomen, en
  • hij (vervolgens) gedurende enige tijd op haar is gaan liggen, en
  • voorgenoemde [slachtoffer 1] in het oor en het gezicht, heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2
hij op 30 maart 2025 te [plaats] , [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door:
  • voorgenoemde [slachtoffer 1] bij de nek en de mond en het lichaam vast te pakken en te knijpen en te duwen, waarbij zij ten val is gekomen, en
  • voorgenoemde [slachtoffer 1] in het oor en het gezicht te bijten.
(in de zaak met parketnummer 18-048459-25)
1.
hij, op 12 februari 2025 te Groningen, het besloten lokaal, te weten het verblijfdeel voorbij de klapdeuren van het pand [adres] van [stichting] , wederrechtelijk is binnengedrongen.
2.
hij, op 12 februari 2025 te Groningen, een ander, te weten [slachtoffer 2] door geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets niet te doen of te dulden, door:
  • de deur van de kamer ongevraagd te openen en de kamer van die [slachtoffer 2] binnen te gaan en
  • die [slachtoffer 2] (in die kamer) op een bed te gooien en
  • de (kamer)deur van die [slachtoffer 2] te sluiten en deze op slot te doen en
  • die [slachtoffer 2] één of meerdere malen vast te pakken en aan haar te trekken zodra zij zich in de richting van de deur/uitgang van die kamer begeeft,
waardoor zij niet aanstonds de kamer heeft kunnen verlaten en zijn aanwezigheid in haar kamer heeft moeten dulden.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
(in de zaak met parketnummer 18-096707-25)
De eendaadse samenloop van:
Feit 1 primair. Poging tot opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van geweld; en
Feit 2. Mishandeling
(in de zaak met parketnummer 18-048459-25)
Feit 1. Het in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Feit 2. Een ander door geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets niet te doen of te dulden
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer
18-096707-25onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde en ter zake van het onder parketnummer
18-048459-25onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren (met aftrek van voorarrest).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de omtrent hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich in een periode van nog geen twee maanden tijd schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
Zo heeft verdachte zich op 12 februari 2025 schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk bij [stichting] . Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan dwang, door in datzelfde pand de kamer van slachtoffer [slachtoffer 2] binnen te gaan. Daar heeft hij het slachtoffer korte tijd opgesloten in haar kamer door de deur op slot te doen en haar vervolgens op haar bed te duwen. Op die manier heeft hij haar belet om haar kamer te verlaten. Door deze handelingen raakte het slachtoffer in paniek en heeft zij meerdere malen geschreeuwd om hulp, waarna verdachte is vertrokken. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij tot op heden nog last heeft van het voorval en dat zij nog vaak gevoelens van angst en onveiligheid ervaart.
Iets meer dan een maand later, op 30 maart 2025, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting en mishandeling. Verdachte heeft op klaarlichte dag een willekeurige voorbijgangster achtervolgd en tegen de grond gewerkt. Met geweld heeft de verdachte de broek en onderbroek van het slachtoffer naar beneden getrokken en heeft hij getracht haar te verkrachten. Het slachtoffer heeft zich uit alle macht verzet tegen deze handelingen. In reactie daarop heeft verdachte in haar oor en in het gezicht gebeten. Verdachte heeft de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer op ingrijpende wijze geschonden en zich slechts laten leiden door zijn eigen behoeften. Dat het een ingrijpende gebeurtenis is geweest die grote impact heeft gehad op haar leven blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als het onderhavige daar nog langdurig nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden.
Beide slachtoffers zijn kwetsbare vrouwen die nog maar kort in Nederland verblijven en hier op zoek zijn naar een veilige thuisbasis. Dat juist zij door de verdachte zijn overvallen vindt de rechtbank schrijnend. Verdachte neemt daarbij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden en wil geen gesprek aangaan over de feiten. Dit vindt de rechtbank kwalijk.
Ter beantwoording van de vraag op welke wijze de onderhavige zaak moet worden afgedaan heeft de rechtbank ook gekeken naar de persoon van verdachte en hetgeen de deskundigen hieromtrent adviseren.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het omtrent verdachte opgemaakte advies (traject consult), opgemaakt door GZ-psycholoog [psycholoog] , d.d. 14 juli 2025. Hieruit blijkt dat verdachte geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsvergunning is afgewezen en hij uitgeprocedeerd is. Uit het advies volgt dat het ontbreken van een verblijfsstatus maakt dat er qua forensische kaders weinig mogelijkheden zijn. Daarnaast blijkt dat verdachte niet in gesprek wil, waardoor andere interventies ook onhaalbaar worden geacht.
De rechtbank beschikt niet over een reclasseringsadvies, omdat verdachte ook niet met de reclassering in gesprek wilde gaan. Ook op de zitting heeft verdachte geen antwoord willen geven op vragen die de rechtbank aan hem heeft gesteld ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden. Dit maakt dat de rechtbank weinig weet over de persoon van verdachte.
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachtes gedrag en houding laten zien dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank heeft echter geen duidelijke aanknopingspunten om vast te stellen dat sprake is van een stoornis die heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde waardoor verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar zou moeten worden beschouwd. De rechtbank is dan ook niet van oordeel dat verdachte (in welke vorm dan ook) verminderd toerekeningsvatbaar is en acht verdachte derhalve volledig toerekeningsvatbaar.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 3 jaren (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht). De rechtbank komt daarmee tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, nu zij van oordeel is dat, gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, in dit geval met voornoemde straf voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

(in de zaak met parketnummer 18-096707-25)
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 450,00 ter vergoeding van materiële schade en 8.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van 8.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van 200,00 aan materiële schade. Ten aanzien van het bedrag van
250,00 dat is gevorderd voor de telefoon van slachtoffer, ziet de officier van justitie te weinig aanknopingspunten in het dossier. Dit bedrag moet derhalve niet-ontvankelijk verklaard worden. In totaal kan er daarmee een bedrag van 8.200,00 worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade niet betwist. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat niet uit het dossier blijkt dat de telefoon van slachtoffer kapot is gegaan naar aanleiding van de worsteling tussen het slachtoffer en de verdachte. De raadsman stelt zich daarom op het standpunt dat dit deel van de schadevergoeding, ter hoogte van 250,00, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-096707-25 onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde. De hoogte van de immateriële schade is voldoende onderbouwd en niet betwist en zal daarom worden toegewezen. Wat betreft de materiële schade overweegt de rechtbank dat deze schadepost gemotiveerd is bestreden en dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de telefoon van slachtoffer kapot is gegaan tijdens de worsteling met verdachte. Nader onderzoek naar deze schadepost zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor dat deel van de vordering, ter hoogte van 250,00, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van
8.200,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 maart 2025 tot de dag van volledige betaling.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
(in de zaak met parketnummer 18-048459-25)
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte betwist dat hij heeft gehandeld op een manier die heeft geleid tot letsel bij het slachtoffer. Uit het dossier blijkt ook niet dat er letsel is ontstaan bij mevrouw [slachtoffer 2] ; er ontbreken bijvoorbeeld medische stukken in het dossier. De raadsman refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-048459-25 onder 2 bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat met het verslag van de verpleegkundig specialist van de GGZ voldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel. De hoogte van de immateriële schade is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen. De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 12 februari 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 28 januari 2025 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 12 februari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 14 februari 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 138, 243, 284, en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18-096707-25 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-048459-25 onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van parketnummer 18-096707-25, feit 1 primair en feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 8.200,00 (zegge: achtduizend tweehonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 8.200,00 (zegge: achtduizend tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 200,00 aan materiële schade en 8.000,00 aan immateriële schade.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 66 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
(Ten aanzien van parketnummer 18-048459-25, feit 2):
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit
1.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.339916-24:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 28 januari 2025, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van één week.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Praamstra, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. M.A.W. Egberink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.