ECLI:NL:RBNNE:2026:3091

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
11909717 BU VERZ 25-2065
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • A.G.Z. Lagerweij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen boete wegens vermeende voorrangsverplichting op kruispunt gegrond verklaard

Aan betrokkene werd een boete opgelegd wegens het niet verlenen van voorrang aan bestuurders die van rechts kwamen op een kruispunt. Betrokkene stelde dat zij het andere voertuig had gezien en voldoende ruimte had om de kruising te passeren, en dat er geen gevaarlijke situatie was ontstaan. De verbalisanten verklaarden dat betrokkene geen snelheid minderde en hen niet voorliet, maar gaven geen concrete aanwijzingen over daadwerkelijke hinder.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging niet kon worden vastgesteld omdat uit de verklaring van de verbalisanten niet bleek op welke wijze zij gehinderd waren in het vervolgen van hun weg. Volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 betekent voorrang verlenen het in staat stellen van andere bestuurders om ongehinderd hun weg te vervolgen.

Daarom werd de inleidende beschikking vernietigd en het beroep gegrond verklaard. Betrokkene kreeg de zekerheidstelling terug. De uitspraak werd mondeling gedaan op 26 juni 2026 door de kantonrechter in Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens het niet verlenen van voorrang wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 270668559
zaaknummer: 11909717 BU VERZ 25-2065
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 26 juni 2026
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [plaats].

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘geen voorrang geven aan bestuurders die van rechts komen op een kruispunt’, verricht op 2 december 2024, om 17:36 uur, op [adres] in [plaats], met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 26 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: de betrokkene, haar partner en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. F. Hashimi.
1.3.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.

Beoordeling door de kantonrechter

Standpunten
3. Betrokkene voert aan dat zij het andere voertuig van rechts heeft gezien en kon beoordelen dat zij voldoende ruimte had om de kruising te passeren. Zij ging ervan uit dat het andere voertuig, een politieauto, zich hield aan de maximumsnelheid van 30 km per uur, waardoor er volgens haar geen sprake was van een gevaarlijke situatie. Verder stelt betrokkene dat er geen ongeval, noodstop of verkeersgevaar heeft plaatsgevonden. Het feit dat de agenten subjectief moesten remmen is volgens haar onvoldoende om vast te kunnen stellen dat er sprake was van een voorrangsfout. Ook benadrukt betrokkene dat zij zich niet structureel schuldig maakt aan gevaarlijk rijgedrag, waardoor een waarschuwing passender zou zijn geweest. Daarnaast hebben de verbalisanten in het zaakoverzicht verklaard dat betrokkene rechtsaf sloeg naar [adres], maar dit klopt niet; zij reed namelijk rechtdoor over [adres].
4. De vertegenwoordigster is van mening dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Overwegingen
5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
6. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “
Wij, verbalisanten, reden op [adres] en naderde stapvoets de kruising van [adres]. Wij zagen op dat moment dat er een voertuig vanaf [adres] ons passeerde. Wij zagen dat het voertuig kwam vanaf de linkerzijde en doorreed in de richting van [adres]. Wij zagen dat het voertuig geen vaart minderde en ons als rechts komend verkeer, niet voorliet op de kruising. Wij zagen dat het voertuig vervolgens rechtsaf sloeg naar [adres], zonder gebruikt te maken van zijn richtingsaanwijzer. Wij hielden de bestuurder van het voertuig staande en vroegen haar naar een rijbewijs.”
7. De kantonrechter oordeelt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) definieert ‘voorrang verlenen’ als ‘het in staat stellen van de betrokken bestuurders om ongehinderd hun weg te vervolgen [1] ’. In het zaakoverzicht hebben de verbalisanten slechts vermeld dat het voertuig van betrokkene geen snelheid minderde en dat betrokkene de verbalisanten op de kruising niet voorliet. Uit deze verklaring blijkt niet op welke wijze de verbalisanten gehinderd zijn in het vervolgen van hun weg. Dit leidt ertoe dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven en dat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren.

Conclusie

De kantonrechter:
- verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
- vernietigt die beslissing;
- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
- vernietigt die inleidende beschikking;
- bepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.
Waarvan proces-verbaal,
mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Artikel 1 van Pro het RVV 1990.