ECLI:NL:RBNNE:2026:309

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
18.106153.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetverkrachting met dwang en geweld

Op 5 april 2025 heeft verdachte in Groningen een gekwalificeerde opzetverkrachting gepleegd op een minderjarig slachtoffer, waarbij hij ondanks duidelijke verbale en non-verbale verzetssignalen het slachtoffer met dwang en geweld heeft binnengedrongen en seksueel heeft misbruikt. Het slachtoffer was zichtbaar onder invloed van alcohol en probeerde zich te verzetten, wat werd ondersteund door blauwe plekken en krasletsels.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, camerabeelden, forensisch onderzoek en een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, waaruit bleek dat het DNA van verdachte op het slachtoffer was aangetroffen. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking, middelengebruik en psychische problematiek. De straf werd vastgesteld op 38 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, inclusief bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €10.000,- aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict, met een BEM-clausule ter bescherming van het minderjarige slachtoffer. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en hield rekening met het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, voor gekwalificeerde opzetverkrachting met dwang en geweld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.106153.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hartman, advocaat te Diemen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I.M. Schaafsma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 april 2025 te Groningen, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft hij:
  • de vagina van voorgenoemde [slachtoffer] meermaals en/of gedurende enige tijd met de vingers en/of penis gepenetreerd en/of
  • voorgenoemde [slachtoffer] op de lippen, althans het lichaam, gezoend,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en
welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door:
  • haar, ondanks dat zij hem meermaals terugduwde, het toilet in te volgen en/of vervolgens de deur naar het toilet, die zij dicht gedaan had, te openen en/of meermalen voorbij te gaan aan verbale en non verbale signalen van verzet en/of weerstand en vervolgens
  • haar bij haar lichaam te pakken en/of met kracht vast te houden en/of haar in een positie tegen de muur te zetten en/of haar om te draaien en/of haar broek, althans haar kleding, naar beneden en/of uit te trekken en/of hierbij gebruik te maken van zijn fysiek overwicht
  • haar vervolgens meermaals en gedurende enige tijd onverhoeds te penetreren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 april 2025 te Groningen, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft hij:
  • de vagina van voorgenoemde [slachtoffer] meermaals en/of gedurende enige tijd met de vingers en/of penis gepenetreerd en/of
  • voorgenoemde [slachtoffer] op de lippen, althans het lichaam gezoend,
terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft niet onderkend dat bij aangeefster de wil tot seksueel contact ontbrak. In zijn optiek is er geen sprake geweest van een verkrachting. Hij heeft gehandeld vanuit een geheel eigen referentiekader waarbij ook zijn culturele achtergrond een rol speelt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 8 april 2025, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025088156 d.d. 6 juli 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
V: Tegen wie doe je de aangifte? A: [verdachte] . Hij is 24 jaar.
V: Vertel eens in je eigen woorden wat er zaterdag gebeurd is.
A: We zijn langs een cafetaria gelopen. Ik liep de wc in. Ik moest echt heel nodig plassen. Wat ik dan altijd doe, dan ga ik eerst op de wc-bril zitten en doe dan pas de deur op slot. In dit geval kwam hij toen de wc in en ging hij mij verkrachten.
V: Vertel eens over het verkrachten?
A: Toen ik hem zag, ging ik staan en probeerde ik mijn broek omhoog te doen. Hij probeerde mijn broek naar beneden te doen. Hij probeerde mij te vingeren, dat is ook gelukt. Ik ging tegenstribbelen, maar hij heeft me omgedraaid en me geneukt. Toen klopte de politie op de deur. Hij draaide zich om naar de deur toe. Ik deed mijn broek omhoog en ik begon te huilen.
V: Welke cafetaria?
A: Dit is het [straatnaam] en daar zit de [naam horeca 1] en dan heb je de patatzak (cafetaria). V: Wat is het eerst wat je kan herinneren?
A: Dat ik op de wc zit en dat ik mijn broek al naar beneden heb en dat ik vanuit dat ik op de wc zat de deur op slot wilde doen. Toen kwam hij naar binnen en ging me overal aanraken.
V: Waar raakte hij jou aan?
A: Ik ging snel staan en deed snel mijn broek omhoog. Ik weet niet precies waar hij mij aanraakte, maar ik denk in mijn zij. Hij begon ook mijn broek naar beneden te doen en ging mij vingeren.
V: Wat bedoel je met vingeren?
A: Hij ging met zijn vinger in mijn kutje.
V: Hoe was je toen? Stond je, zat je of anders?
A: Ik stond voor het toilet. Ik stond omgedraaid met mijn rug tegen de muur en mijn gezicht naar de wc. V: Hoe kwam het dat je zo stond?
A: Hij zette me op die positie. Hij draaide mij. Ik probeerde hem van me af te slaan, maar dat lukte niet want hij was veel te sterk.
V: Wat deed de man met zijn vingers in jouw kutje?
A: Hij deed zijn vinger erin en haalde die eruit, maar dan vet snel. V: En dan?
A: Toen probeerde hij zijn lul in mij te doen. Dat lukte eerst niet, want ik probeerde te bewegen. Maar het lukte uiteindelijk wel, want een man is natuurlijk veel sterker.
V: Waar waren zijn handen?
A: Aan mij en aan zijn lul. Ik heb op mijn rechterheup een blauwe plek en ik heb een kras op mijn linkerzij. Ik heb nog een paar blauwe plekken op mijn bovenarmen. Ook mijn knieën zijn blauw en op mijn rechterknie zit een kras.
V: Wat deed de lul in jouw kutje? A: Die ging erin en eruit.
V: En hoe stopte het?
A: De politie klopte op de deur. V: Hoe wist je dat?
A: Toen de deur openging zag ik gelijk een politiemevrouw. V: Wat heb je verteld aan de politie?
A: Dat hij mij had verkracht.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 april 2025, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
V: Hoe is het gegaan?
A: Ik begon mijn dienst op 5 april 2025 rond 17.00 uur. Ik zat op het moment dat het meisje en de man binnenkwamen in ons keukentje en had vanuit daar zicht op de zaak. Ik hoorde dat een van hen om de sleutel van de wc vroeg aan mijn collega.
V: Hoe ging het verder?
A: Ik zag dat het meisje eerst naar binnenging en de deur achter haar dicht deed. Toen zag ik dat de man de deur opende en dat het meisje hem wegstuurde. Dit gebeurde twee keer achterelkaar. De derde keer dat de man de deur opendeed ging hij ook naar binnen en ging de deur ook echt dicht.
V: En toen?
A: Op een gegeven moment heb ik voorzichtig de eerste deur van de wc-ruimte geopend. V: Wat heb je daar gehoord en gezien?
A: Ritmisch gebeuk hoorde ik. Het klonk als huid-op-huidgebeuk.
A: Ik zie in mijn telefoon dat het om 18.20 uur was dat ik met mijn telefoon 112 belde. V: En toen?
A: Na twee minuten kwam de politie ongeveer. Die gingen toen het halletje in en bonsden op de deur. Het duurde echt wel even voor die deur open ging. Ik zag dat het meisje overstuur was.
V: Waaraan kon jij zien dat het meisje overstuur was?
A: Ik hoorde haar een soort van huilend schreeuwen, iets zei van: “godverdomme” en “laat me met rust klootzak” en “ik wilde gewoon naar de wc”. Ik zag dat ze huilde.
Wat misschien nog wel goed is om te benoemen is, dat ik kon zien dat ze hem wegduwde. Dit was wat ik aan het begin vertelde, toen ze de wc binnengingen. Ik zag echt dat ze hem met haar arm wegduwde.
V: Heb je toen ook gehoord wat er werd gezegd?
A: Ik hoorde dat ze zei: “Ik ben eerst, ga weg.” Ik hoorde dat ze dit ook met een boze stem tegen de man zei.
V: En de deur naar de wc zelf, was die op slot, van het slot of anders?
A: Ik heb gezien dat hij op het rode schijfje stond. Dan is de deur op slot.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2025, opgenomen op pagina 59 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Ik heb de camerabeelden bekeken van 5 april 2025 in de [naam horeca 2] aan de [straatnaam] te Groningen. De beelden, welke ik ga beschrijven, zijn van de entree van de frietzaak.
18.04.29 uur: Ik zie een vrouw binnenkomen. Omdat ik ook al eerder andere camerabeelden heb bekeken herken ik de jonge vrouw, hierna te noemen het slachtoffer.
18.04.34 uur: Ik zie dat er een man ook de winkel binnenloopt. Ook hiervoor geldt dat ik eerdere camerabeelden heb bekeken en hem dus zodanig herken als de verdachte.
18.06.13 uur: Ik zie dat het slachtoffer de wc-deur opent. Ik zie dat de verdachte achter haar aan loopt. Ik zie dat zij een vinger naar hem uitsteekt. Ik zie dat het slachtoffer de verdachte met een hand wegduwt.
18.06.21 uur: Ik zie dat het slachtoffer de deur dichtdoet en nogmaals met haar vinger naar hem wijst. Hierop trekt ze de deur dicht. Ik zie dat de verdachte naar de deur loopt en deze opentrekt en naar binnen loopt.
18.06.33 uur: Ik zie dat de verdachte achterwaarts naar buiten stapt. Ik zie een arm van het slachtoffer. Hierop sluit de verdachte de deur en blijft voor de deur staan. Op dat moment dat hij voor de deur staat, draagt de verdachte nog een jas. Onder zijn jas draagt hij een overhemd.
18.06.46 uur: Ik zie dat de verdachte de deur van de wc opendoet, de ruimte instapt en de deur achter zich sluit.
18.15.49 uur: Ik zie dat een medewerker van de frietzaak naar de wc-deur loopt en aan de deurklink zit. Ik zie dat hij de deur naar de wc-ruimte opent en ik zie dat hij naar buiten loopt.
18.20.36 uur: Ik zie dat de medewerker zijn telefoon pakt een nummer intoetst en naar buiten loopt.
18.22.56 uur: Ik zie dat een medewerker van de frietzaak naar buiten loopt en de politiecollega's opvangt. Ik zie dat de collega's de wc-ruimte inlopen.
18.24.22 uur: Ik zie dat de verdachte de wc-ruimte uitloopt. Ik zie dat hij zijn overhemd niet op een goede wijze draagt. Zijn rechterschouder en rechterarm zijn ontbloot.
18.29.54 uur: Ik zie dat het slachtoffer in de deuropening staat samen met de vrouwelijke collega. Ik zie dat het slachtoffer aan het huilen is. Hierop loopt zij de wc-ruimte uit.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek persoon d.d. 7 april 2025, opgenomen op pagina 113 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 5 april 2025 om 23:04 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan.
Door de forensisch arts zijn vijf vaginale bemonsteringen van het slachtoffer [slachtoffer] genomen. Hiervoor werd de zogeheten zedenkit gebruikt, welke werd voorzien van SIN ZAAE3469NL.
Door de forensisch arts werden letsels waargenomen op de onderste helft van het lichaam, op de benen en rondom de ellebogen. Ik heb de letsels bemonsterd en toegevoegd aan de zedenkit, voorzien van SIN ZAAE3469NL.
5. Een afzonderlijk bijgevoegd deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.07.08.078, d.d. 28 juli 2025, opgemaakt door dr. ing. M. van Gent, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:
Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek: onderzoeksset zedendelicten ZAAE3469NL van [slachtoffer]
ZAAE3469NL#01
buitenste schaamlippen nat
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen:
- slachtoffer [slachtoffer]
- verdachte [verdachte]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
Getest op type celmateriaal:
- spermavloeistof
- spermacellen
Testresultaat:
- positief
- waargenomen
Gecombineerde conclusie type en herkomst celmateriaal:
Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van
[verdachte] .
ZAAE3469NL#02
binnenste schaamlippen nat
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen:
- slachtoffer [slachtoffer]
- verdachte [verdachte]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
Getest op type celmateriaal:
- spermavloeistof
- spermacellen
Gecombineerde conclusie type en herkomst celmateriaal:
Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van
[verdachte] .
Testresultaat:
- positief
- waargenomen
ZAAE3469NL#03
diep vaginaal
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen:
- verdachte [verdachte]
- slachtoffer [slachtoffer]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
Getest op type celmateriaal:
- spermavloeistof
- spermacellen
Gecombineerde conclusie type en herkomst celmateriaal:
Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van
[verdachte] .
Testresultaat:
- positief
- waargenomen
ZAAE3469NL#05
krasletsel nat
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen:
- slachtoffer [slachtoffer]
- verdachte [verdachte]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
ZAAE3469NL#01 (buitenste schaamlippen nat), #02 (binnenste schaamlippen nat) en #03 (diep vaginaal) Van deze bemonsteringen is een DNA-profiel van het sperma afgeleid waarvan is aangenomen dat de DNA-kenmerken van één persoon afkomstig zijn. Voor dergelijke DNA profielen is vastgesteld dat wanneer het DNA-profiel van een persoon ermee overeenkomt de bewijskracht meer dan één miljard is. Daarom geldt voor de overeenkomsten met het DNA profiel van [verdachte] :
DNA-profielen ZAAE3469NL#01, #02 en #03 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het sperma in de bemonstering afkomstig is van [verdachte] , dan wanneer het sperma in de bemonstering afkomstig is van een willekeurige onbekende man.
ZAAE3469NL#05 (krasletsel nat)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen. Tevens is aangenomen dat [slachtoffer] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel ZAAE3469NL#05 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.
Opzetverkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet.
Uit de voormelde bewijsmiddelen volgt dat verdachte herhaaldelijk voorbij is gegaan aan door aangeefster geuite verbale en non-verbale signalen van verzet. Uit de beschrijving van de camerabeelden en de getuigenverklaring blijkt dat aangeefster verdachte heeft weggestuurd bij het toilet. Aangeefster heeft zelf verklaard dat zij, toen verdachte het toilet was binnengedrongen, heeft tegengestribbeld en heeft geprobeerd verdachte van zich af te slaan, wat wordt ondersteund door de aanwezigheid van blauwe plekken en krasletsels op haar lichaam. Van enige positieve wilsuiting is geen sprake geweest. Uit het voorgaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte wist dat bij aangeefster de wil tot seksueel contact ontbrak. Dat hij gezien zijn achtergrond en problematiek mogelijk onvoldoende besef heeft gehad van het strafbare karakter van zijn handelen maakt, wat daar ook van zij, niet dat er geen sprake is geweest van opzet.
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolg door dwang, geweld of bedreiging.
Verdachte heeft zichzelf aan aangeefster opgedrongen. Ondanks dat aangeefster hem fysiek uit het toilet heeft geduwd en daarbij heeft gezegd dat hij weg moest gaan is verdachte het toilet binnengegaan waarna hij de deur op slot heeft gedraaid. Vervolgens heeft hij, terwijl aangeefster tegenstribbelde, haar broek naar beneden gedaan en haar met kracht vastgehouden, omgedraaid en met haar rug tegen de muur gezet. Aangeefster heeft als gevolg hiervan letsel opgelopen in de vorm van blauwe plekken en krassen.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 5 april 2025 te Groningen met [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft hij:
- de vagina van voorgenoemde [slachtoffer] meermaals en gedurende enige tijd met de vingers en penis gepenetreerd
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en
welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang en geweld, door:
  • haar, ondanks dat zij hem meermaals terugduwde, het toilet in te volgen en vervolgens de deur naar het toilet, die zij dicht gedaan had, te openen en meermalen voorbij te gaan aan verbale en non-verbale signalen van verzet en weerstand en vervolgens
  • haar bij haar lichaam te pakken en met kracht vast te houden en haar in een positie tegen de muur te zetten en haar om te draaien en haar broek naar beneden te trekken en hierbij gebruik te maken van zijn fysiek overwicht
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:
opzetverkrachting, terwijl het feit werd voorafgegaan en vergezeld van dwang en geweld.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld. Deze bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte vanwege het ontbreken van de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidsstelling met deze eis langer vast zal zitten dan bij een geheel onvoorwaardelijke straf van 38 maanden en heeft daarom verzocht, de duur van het voorwaardelijk strafdeel gelijk te stellen aan een derde deel van de duur van de geëiste gevangenisstraf. Het is van belang dat verdachte een vorm van behandeling en toezicht krijgt en dat in de straf te verdisconteren. Daarnaast moet in het voordeel van verdachte worden meegenomen dat het feit in licht verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.
Ten aanzien van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr dient te worden bezien of die passend is, gelet op de grote impact ervan op verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering en Pro Justitia, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gekwalificeerde opzetverkrachting.
Verdachte heeft, terwijl hij onder invloed van alcohol en softdrugs was, twee willekeurige en minderjarige meisjes waaronder het slachtoffer in het Noorderplantsoen aangesproken en samen met hen alcohol genuttigd. Toen het slachtoffer op een gegeven moment vertrok is verdachte met haar meegelopen en heeft hij haar gevolgd toen zij een horecagelegenheid inliep voor een toiletbezoek. Het slachtoffer was op dat moment zichtbaar onder invloed van alcohol. Verdachte is het toilet binnengedrongen, ondanks dat het slachtoffer hem wegduwde en mondeling duidelijk maakte dat hij weg moest gaan. Op het toilet heeft hij haar hardhandig vastgegrepen, haar broek naar beneden getrokken en is hij zowel met zijn vingers als met zijn penis bij haar binnengedrongen. De verkrachting stopte pas nadat de door het personeel gealarmeerde politie ter plaatse kwam en hem dwong de deur te openen.
Door zijn gedragingen heeft verdachte op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en hij heeft zich geenszins om het welzijn van het slachtoffer bekommerd. Dat het feit een behoorlijke impact op het slachtoffer heeft gehad en nog steeds heeft, blijkt uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding en het gegeven dat recentelijk voor het slachtoffer professionele hulp is ingeschakeld.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte in 2022 onherroepelijk is veroordeeld voor een zedendelict, te weten: schennis van de eerbaarheid.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Pro Justitia rapportage, opgemaakt door GZ-psycholoog
D.R. van der Velden, gedateerd op 24 juli 2025. Daarin is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een lichtverstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van middelen. Er zijn daarnaast aanwijzingen voor psychotische en traumagerelateerde klachten.. Ook ten tijde van het tenlastegelegde was sprake van deze stoornissen en een doorwerking daarvan op zijn gedragingen. Het ontbreekt verdachte aan voeling en besef van het strafbare en schadelijke karakter van het feit en hij legt de
verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Hij is onvoldoende in staat zijn seksuele lust te sturen, controleren of stoppen en snapt niet dat dit van hem als volwassen man wordt verwacht. Zijn middelengebruik vermindert zijn toch al beperkte sturingsvermogen. Het advies is om het feit in verminderde mate toe te rekenen.
Het risico op vergelijkbaar seksueel delictgedrag wordt als bovengemiddeld ingeschat. Beschermende factoren zijn er niet. Om het recidivegevaar te verminderen wordt
een klinische behandeling geadviseerd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Bovendien wordt geadviseerd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel te overwegen om verdachte langdurig via toezicht te kunnen monitoren.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 21 januari 2026. De reclassering schat het recidiverisico eveneens als hoog in. Het advies is een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten: een meldplicht bij de reclassering, opname in een behandelinstelling en (na afronding van de klinische behandeling) ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en verbod op het gebruik van verdovende middelen.
Daarnaast adviseert de reclassering evenals de Pro Justitia rapporteur om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het door verdachte begane feit een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Bij het bepalen van de hoogte daarvan neemt de rechtbank als uitgangspunt de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), waarbij aansluiting is gezocht bij de oriëntatiepunten voor het oude artikel 242 Sr Pro: verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang. Als uitgangspunt geldt daarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. Enerzijds ziet de rechtbank als strafverzwarende omstandigheden dat het slachtoffer minderjarig was en verdachte wist dat zij onder invloed van alcohol verkeerde, waarmee verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.
Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de conclusie van de psycholoog, die de rechtbank overneemt, dat het feit in verminderde mate aan verdachte is toe te rekenen, hetgeen in strafverminderende zin wordt meegewogen.
Alles afwegende is naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest. Overeenkomstig de adviezen van de psycholoog en de reclassering legt de rechtbank daarbij de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden op, een en ander zoals hierna in het dictum is bepaald.
Gelet op de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde feit en de problematiek van verdachte die verband houdt met zijn delictgedrag is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank de op te leggen bijzondere voorwaarden en het op te leggen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr en zal deze
maatregel ook opleggen. De rechtbank acht het ter bescherming van de algemene veiligheid van anderen nodig dat na de gevangenisstraf gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat van de benadeelde partij heeft verzocht om te beslissen dat de toegekende vergoeding op een BEM-rekening zal worden gestort middels een zogenoemde BEM-clausule.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijk vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot zij achttien jaar is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38z en 243 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel
ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
- een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden, dat veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de behandelinstelling nodig acht, laat opnemen en behandelen door CTP Veldzicht of een soortgelijke forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, en andere problematiek, naar inschatting van de behandelaren. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor
begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. zich na afronding van de klinische behandeling, gedurende de resterende proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk na klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
4. na de klinische opname, gedurende de resterende proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo snel mogelijk na afronding van de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
5. gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I en lijst II en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn een urine-, een ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Legt aan de verdachte op
de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van het primaire feit:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 10.000,- (zegge: tienduizend euro), betreffende immateriële schade;
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.000,- (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2025
tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag betreft immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 75 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , te openen rekening met een BEM-clausule.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. L.M. Praamstra en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.