ECLI:NL:RBNNE:2026:305

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/18/250631 / FT RK 25/1343
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b FwArt. 304 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium ondanks niet tijdige huurbetaling ter bevordering minnelijke schuldregeling

Verzoeker heeft op 5 december 2025 gelijktijdig met een verzoek tot schuldsanering een moratoriumverzoek ingediend om ontruiming van zijn woning te voorkomen. De rechtbank heeft op 21 januari 2026 uitspraak gedaan over dit verzoek.

De verhuurder voerde verweer vanwege niet tijdige en onvolledige huurbetalingen sinds het tussenvonnis en een oplopende huurachterstand sinds het ontruimingsvonnis van november 2024. Tevens werd gewezen op het wisselen van drie beschermingsbewindvoerders in korte tijd, wat het vertrouwen in tijdige betaling ondermijnt.

De rechtbank oordeelde dat de huurachterstand en de te late betalingen niet zwaarwegend genoeg zijn om het moratorium te weigeren. De beschermingsbewindvoerder heeft de huurbetalingen alsnog voldaan en automatische incasso correct ingesteld. Er is voldoende inkomen om de vaste lasten te betalen en de huur voor komende maanden is al klaargezet.

De voorziening wordt daarom toegewezen voor een periode van zes maanden vanaf 5 december 2025, met de voorwaarde dat lopende verplichtingen tijdig en volledig worden nagekomen. Het moratorium vervalt bij intrekking van het schuldsaneringsverzoek of bij niet-nakoming van verplichtingen. De rechtbank benadrukt het belang van rust voor het slagen van de minnelijke schuldregeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratoriumverzoek toe en schort de ontruiming op voor maximaal zes maanden onder voorwaarden van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/250631 / FT RK 25/1343

vonnis van 21 januari 2026

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
Stichting Accolade, vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit N.V.,
Postbus 19212 3001 BE Rotterdam,
hierna te noemen: de verhuurder.

PROCESGANG

Op 5 december 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw). Beide verzoeken zijn ingediend door [schuldhulpbedrijf] .
Op 5 december 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 14 januari 2026, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen. Bij de behandeling van de zaak zijn verschenen verzoeker tezamen met mevrouw [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) en mevrouw [beschermingsbewindvoerder van bewindvoeringsbedrijf ] (hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder).
De verhuurder heeft op 8 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro teneinde een ontruiming van de woning op 9 december 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Op 6 januari 2026 heeft de schuldhulpverlener tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt dat verzoeker sinds 26 november 2025 onder beschermingsbewind staat. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de vaste lasten kunnen worden betaald. Bij het verslag zijn bewijzen gevoegd, waaruit blijkt dat de huurbetalingen van de maand december 2025 en januari 2026 hebben plaatsgevonden op 10 december 2025 respectievelijk 6 januari 2026.
De verhuurder voert verweer. Kort samengevat heeft de verhuurder aangevoerd dat de huur sinds het tussenvonnis niet tijdig en ook niet volledig is voldaan. Daarbij is de huurachterstand sinds het ontruimingsvonnis van 12 november 2024 verder opgelopen. Tot slot heeft de verhuurder aangevoerd dat verzoeker in korte tijd drie beschermingsbewindvoerders heeft gehad. De verhuurder heeft er dan ook geen vertrouwen in dat het vanaf nu anders zal gaan.
Ter zitting heeft de schuldhulpverlener aangevoerd dat de beschermingsbewindvoerder de verhuurder heeft aangeschreven over de hoogte van de huur. Omdat een reactie hierop is uitgewezen, heeft de beschermingsbewindvoerder de huur afgeleid uit de bankafschriften van verzoeker die zij tot haar beschikking had. Het bedrag dat te weinig is betaald, zal alsnog worden nabetaald. Verder heeft de schuldhulpverlener erkend dat de huur te laat is betaald. De beschermingsbewindvoerder dacht dat zij de huur op automatische incasso had ingesteld. Toen bleek dat dit niet het geval was, is de huur alsnog op 6 januari 2026 nabetaald. Voor de huurbetaling is de automatische incasso nu op de juiste wijze ingesteld, zodat de huur vanaf deze maand telkens vóór de eerste van de maand wordt overgemaakt. De huur voor februari 2026 is al klaargezet. De schuldhulpverlener heeft herhaald dat er voldoende inkomen is om de vaste lasten, waaronder de huur, te kunnen betalen. De beschermingsbewindvoerder heeft die verklaring bevestigd. De beschermingsbewindvoerder heeft daaraan toegevoegd dat het contact met verzoeker goed verloopt.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan en ook dat de huur van december 2025 en januari 2026 niet tijdig en volledig is voldaan, maar de rechtbank is daarbij van oordeel dat de omissies die hieraan ten grondslag lagen in onderhavig geval niet een afwijzing van het moratoriumverzoek rechtvaardigen. Immers heeft de beschermingsbewindvoerder na ontdekking dat er iets was misgegaan met de automatische incasso alsnog meteen de huur overgemaakt en heeft zij ook bij de verhuurder geïnformeerd naar de hoogte van de huur. Nu zij door het verweerschrift van de (actuele) hoogte van de huur is geraakt en zij ook ter zitting heeft verklaard dat het te weinig betaalde over de maanden december 2025 en januari 2026 zal worden nabetaald, zal de rechtbank het verzoek toewijzen. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat ter zitting is verklaard dat verzoeker voldoende inkomen ontvangt om de huur te kunnen betalen alsmede dat de huur nu via automatische incasso vóór de eerste van de lopende maand zal worden voldaan, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd.
Gelet op het belang van verzoeker om thans in relatieve rust aan de sanering van de schulden te kunnen gaan werken, acht de rechtbank de gevraagde voorziening dan ook gerechtvaardigd en zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.

BESLISSING

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 november 2024 op verzoek van verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 5 december 2025;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
21 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.