ECLI:NL:RBNNE:2026:3047

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
18-224286-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SvArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en mishandeling met mes tijdens uitgaansavond

Op 17 augustus 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door met een mes in de buik van slachtoffer 1 te steken, wat leidde tot een levensbedreigende verwonding. Tevens heeft verdachte slachtoffer 2 met een mes in het bovenbeen/bil gestoken, wat als mishandeling is bewezen verklaard.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaardde bij slachtoffer 1. Voor het incident met slachtoffer 2 was onvoldoende bewijs voor poging tot zware mishandeling, maar mishandeling werd wel bewezen. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 360 dagen op, waarvan 54 dagen onvoorwaardelijk (gelijk aan voorarrest) en 306 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een werkstraf van 150 uur. De schadevergoedingen van €32.125,48 aan slachtoffer 1 en €43,19 aan slachtoffer 2 werden toegewezen, inclusief wettelijke rente. Verdachte moet zich melden bij jeugdbescherming en meewerken aan behandeling en herstelbemiddeling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 dagen jeugddetentie (waarvan 306 voorwaardelijk) en 150 uur werkstraf voor poging tot doodslag en mishandeling met mes.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-224286-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Stas en mr. A. Derks, advocaten te Almere. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Westerhof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Coevorden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer 1] ) met een (op een) mes (gelijkend (scherp en/of puntig) voorwerp) (met kracht) in de buik, althans het (onder)lichaam, en/of in de richting van het hoofd en/of de hals/keel, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Coevorden, althans in Nederland, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer 1] ) met een (op een) mes (gelijkend (scherp en/of puntig) voorwerp) (met kracht) in de buik, althans het (onder)lichaam, en/of in de richting van het hoofd en/of de hals/keel, heeft gestoken;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Coevorden, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer 1] ) met een (op een) mes (gelijkend (scherp en/of puntig) voorwerp) (met kracht) in de buik, althans het (onder)lichaam, en/of in de richting van het hoofd en/of de hals/keel, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Dalen, (althans) in de gemeente Coevorden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (- zakelijk weergegeven -) (die [slachtoffer 2] ) met een (op een) mes (gelijkend (scherp en/of puntig) voorwerp) (met kracht) in het/de (boven)been/bil, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Dalen, (althans) in de gemeente Coevorden, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem met een (op een) mes (gelijkend (scherp en/of puntig) voorwerp) (met kracht) in het/de (boven)been/bil, althans het lichaam, te steken.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever [slachtoffer 2] heeft gestoken. Er is daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangever met de nodige terughoudendheid dient te worden bekeken. Er kan niet uitgesloten worden dat de herinnering van aangever over de dader is beïnvloed door informatie die hij voorafgaand aan zijn verklaring van derden en/of de politie heeft ontvangen. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben daarnaast geen steekincident waargenomen, terwijl zij zich volgens het dossier in de directe omgeving van aangever bevonden.
Eventuele andere verklaringen van getuigen in het dossier berusten enkel op geruchten en het verrichte DNA-onderzoek naar de broek van aangever levert juist contra-indicaties op voor de verdenking.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 december 2025, opgenomen op pagina 40 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025221232 d.d. 21 december 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 september 2025, opgenomen op pagina 142 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2025, opgenomen op pagina 65 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een forensisch geneeskundige letselrapportage, op 4 mei 2026 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts, verbonden aan GGD Drenthe.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte in de nacht van 17 augustus 2025 aangever [slachtoffer 1] opzettelijk met een mes in de buik en richting de hals heeft gestoken. Als gevolg hiervan is de darm van aangever geperforeerd waarbij een tak van de slagader werd geraakt en een levensbedreigende bloeding ontstond. De rechtbank acht het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dat hij de aanmerkelijke kans dat hij aangever met het mes dodelijk zou verwonden bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1.
De door verdachte op de terechtzitting van 9 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Op 17 augustus 2025 was ik bij het festival [festival] in Dalen. Na afloop van het festival was er een ruzie tussen twee groepen bij de fietsenstalling bij de uitgang. Ik heb de groepen uit elkaar gehaald. Ik droeg een rood vest. Op dat moment had ik een mes bij mij.
2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 oktober 2025, opgenomen op pagina 327 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025221232 d.d. 21 december 2025, inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:
O: Er is een getuige die het volgende verklaart (
de rechtbank begrijpt de getuige [getuige 2] ): “() [slachtoffer 2] en ik fietsen naast elkaar weg bij het feestterrein. Plotseling stond er iemand voor de fiets van [slachtoffer 2] . Ik zag dat [slachtoffer 2] tegen deze jongen op fietste. ()”
V; Wat kan jij hierover verklaren? A: Dat is de ruzie die ik bedoelde.
3.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 augustus 2025, opgenomen op pagina 235 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:
Op 17 augustus 2025 omstreeks 01.00 uur bevond ik mij op het festivalterrein
[festival] . We pakten de fietsen en fietsten weg tussen twee groepjes door. Toen ontstond er een conflict tussen mij en een jongen die voor mijn fiets geduwd werd. Even later kwam de verdachte, genaamd [getuige 2] , eraan. Ik zat op de fiets, [getuige 2] stond naast mij en ik voelde een tik op mijn linker achterbil. Mijn kameraad en ik reden vervolgens samen weg en toen voelde ik nattigheid aan mijn bil en ik zag dat ik toen bloed aan mijn hand had en ik zag dat ik een gat in mijn broek had.
V: Kun je ons vertellen welke kleding [getuige 2] aanhad?
A: Hij droeg een rode trui en had een goudkleurige bril op en hij had zijn haar in een scheiding.
4.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 augustus 2025, opgenomen op pagina 245 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Toen kwamen er plotseling 2 jongens aanlopen. Eén van die jongens had een rode trui aan en droeg een brilletje. Ik was op een gegeven moment bij mijn fiets en zag dat de jongen met het rode shirt iets uit zijn zak pakte. Ik zag dat het iets zwarts was en dat hij het in zijn handpalm droeg. [slachtoffer 2] stond daar nog bij die jongens. Bij de uitgang van het feestterrein bij de asfaltweg zag ik [slachtoffer 2] voor het eerst weer. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] tegen mij zei: “Volgens mij ben ik net gestoken, want ik heb
allemaal bloed op mijn been”.
5.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 september 2025, opgenomen op pagina 142 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:
A: [verdachte] gaf mij zijn bril, een Cartier bril met doorzichtige glazen en gouden montuur. ()
V: [getuige 2] had een wapen bij zich die dag/avond. Wat vind jij daarvan?
A: Ik wist dat hij een mes bij zich had toen we bij [festival] waren. Ik heb hem ook gevraagd waarom hij dat mee had. Hij zei toen als er iets gebeurt dan verdedig ik mezelf. Nadat we weggingen bij [festival] zei [getuige 2] nog: een mongooltje deed stoer.
6.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 augustus 2025, opgenomen op pagina 231 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Op dinsdag 26 augustus 2025 stuurde ik de volgende mail naar de coördinator, [naam] , van de EHBO tijdens het [festival] in Dalen: “
Er heeft zich die nacht een jongen
gemeld met een steekwond. Daar willen wij graag van weten hoe dat is gegaan.”
Ik ontving onderstaande reactie: “
Ik heb jouw vraag uitgezet bij de teamleider en hieronder de reactie. Teamleider: de verwonding was klein, maar diep. Hij heeft hechtstrips gehad en het advies naar de huisartsenpost te gaan.
Bewijsoverweging
Vaststelling van de feiten
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de nacht van 17 augustus 2025 aangever [slachtoffer 2] met een mes in zijn bovenbeen/bil heeft gestoken. In zijn aangifte heeft aangever verklaard dat de dader een rode trui aan had en een goudkleurige bril droeg. Dit komt exact overeen met wat verdachte die avond droeg. Daar komt bij dat verdachte zelf ook heeft verklaard dat hij betrokken was bij het incident met aangever [slachtoffer 2] en getuige [getuige 2] . Verder staat vast dat verdachte ten tijde van het incident een mes bij zich droeg. Tot slot stelt de rechtbank vast dat aangever een kleine maar diepe wond heeft opgelopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte verantwoordelijk is voor het letsel bij aangever en dat dit letsel is veroorzaakt door het mes dat verdachte bij zich droeg. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het resultaat van het onderzoek dat is verricht aan het mes op sporen van de broek van aangever het ten laste gelegde bevestigt noch ontkracht, zodat het oordeel van de rechtbank daardoor niet anders wordt.
Mishandeling
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte juridisch gekwalificeerd dient te worden. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen met welke kracht en meer specifiek op welke plek verdachte heeft gestoken. Daardoor kan ook niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld of het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd. De rechtbank acht dit handelen zoals hiervoor vastgesteld daarom niet te kwalificeren als een poging tot zware mishandeling, zodat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde. Wel staat vast dat aangever door het handelen van verdachte een steekwond heeft opgelopen. De rechtbank acht dan ook de mishandeling, zoals onder 2 subsidiair ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 17 augustus 2025 te Coevorden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een mes in de buik en in de richting van het hoofd en/of de hals/keel, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op 17 augustus 2025 te Dalen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem met een mes in het/de bovenbeen/bil te steken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair poging tot doodslag 2 subsidiair mishandeling
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, een voorwaardelijke jeugddetentie van 210 dagen met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde en ter terechtzitting van 9 juli 2026 aangevulde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft zij gevorderd om aan verdachte een werkstraf van
150 uren op te leggen. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie voorts gevorderd deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren, gelet op de ernst van het ten laste gelegde en de bestaande problematiek bij verdachte waarvoor behandeling nog moet plaatsvinden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het advies van GZ-psycholoog M.C.G. Smeets over te nemen en het onder 1 primair ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het opleggen van een werkstraf is minder passend, omdat dit de voortgang van school in de weg kan staan en omdat voorkomen moet worden dat verdachte wordt overvraagd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 17 augustus 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft tijdens een uitgaansavond met een mes in de buik van het slachtoffer gestoken. Het slachtoffer [slachtoffer 1] liep hierdoor een geperforeerde darm op, waarvoor meerdere operaties noodzakelijk waren. Dat het letsel niet dodelijk is geweest, is een toevallige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Het slachtoffer ervaart als gevolg hiervan blijvende gezondheidsrisicos en draagt de rest van zijn leven een zeer ontsierend litteken op zijn buik mee. Waar verdachte heeft verklaard dat hij zich die avond bedreigd voelde, ziet de rechtbank verdachte als de enige agressor in het geheel. Hij was degene die de confrontatie met het slachtoffer bleef opzoeken, zelfs nadat zijn vrienden hem al meerdere keren bij slachtoffer weg probeerden te halen. Na afloop van de confrontatie heeft verdachte berekenend gehandeld door zijn telefoon en het mes weg te gooien.
Eerder die nacht heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 2] door hem in zijn bovenbeen/bil te steken. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat verdachte ogenschijnlijk zonder aarzeling in één nacht twee keer een mes heeft gebruikt. Met zijn handelen heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van de slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte angst aangejaagd en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten vijftien jaar oud. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.
Uit de over verdachte opgemaakte Pro Justitia-rapportages blijkt dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde kampte met een posttraumatische-stressstoornis en een depressieve stoornis. Deze
depressieve stoornis ontstond in volle omvang na de ten laste gelegde feiten. Daaraan voorafgaand was er wel sprake van overbelasting, samenhangend met het langdurige ziektebed van zijn grootvader en de zorgtaken die verdachte hierin op zich nam, de druk die hij ervaarde op school en de druk die uitging van de sportclub waar hij speelde. Anders dan de psycholoog en de verdediging en met de psychiater en de officier van justitie ziet de rechtbank echter onvoldoende aanknopingspunten om het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Verdachte heeft geen inzicht gegeven (of kunnen geven) in zijn gedachtegang voor, tijdens en na de geweldshandelingen die hij heeft gepleegd, zodat onduidelijk is gebleven of en zo ja, op welke wijze zijn problematiek heeft doorgewerkt in het gedrag ten tijde van het bewezen verklaarde.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 juli 2026 en de evaluatiebrief van Jeugdbescherming Noord van 7 juli 2026. Daaruit komt naar voren dat verdachte tijdens de schorsingsperiode weinig tot geen begeleiding van de jeugdreclassering heeft gehad en dat zijn schoolgang vrijwel volledig stil heeft gelegen. Ook enige vorm van behandeling is uitgebleven. De rechtbank ziet dat ondanks het ontbreken van hulpverlening het verdachte de afgelopen periode redelijk goed is vergaan en hij geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het recidiverisico wordt door de psycholoog en de psychiater ingeschat als laag-matig.
De straf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, in het bijzonder de poging tot doodslag, oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Het gemak waarmee verdachte een mes heeft gebruikt in twee geweldssituaties waarbij naar het oordeel van de rechtbank geen dreiging uitging naar verdachte, baart de rechtbank zorgen, mede gelet op de bij verdachte aanwezige problematiek. Desondanks zal de rechtbank aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan dat het voorarrest heeft geduurd. Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 54 dagen. De rechtbank overweegt daartoe dat in het jeugdstrafrecht, anders dan in het volwassenstrafrecht, de nadruk vooral ligt op de pedagogische beïnvloeding en het voorkomen van recidive en minder op vergelding. De rechtbank is met de deskundigen en de betrokken partijen van oordeel dat het van essentieel belang is dat verdachte de juiste behandeling en begeleiding krijgt, zodat het recidiverisico kan worden verminderd tot laag. Het voorwaardelijke deel van de op te leggen jeugddetentie is groter dan door de officier is geëist. Daarmee brengt de rechtbank de ernst van de feiten tot uitdrukking, die door een jeugddetentie van kortere duur zou worden miskend. Tot slot zal de rechtbank de gevorderde werkstraf aan verdachte opleggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, waarvan 306 dagen voorwaardelijk, en een werkstraf voor de duur van 150 uren, passend is en oplegging daarvan ook geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming in haar rapport van 7 juli 2026 geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden, met uitzondering van het drugsverbod, waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden. Daarbij zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbinden de meldplicht en de verplichting tot het vinden en behouden van dagbesteding.
De rechtbank zal niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar zijn. Aan de wettelijke eis dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, is namelijk niet voldaan.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 2.125,48 ter vergoeding van materiële schade en 30.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 52,26 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] en de materiële schade in de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de immateriële schade in de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] bepleit dat de immateriële schadevergoeding moet worden gematigd, gelet op de draagkracht van verdachte. De materiële schade die de benadeelde [slachtoffer 1] heeft gevorderd kan wat de verdediging betreft worden toegewezen.
Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] gesteld dat onvoldoende blijkt op welke datum de broek is aangeschaft, hetgeen het onmogelijk maakt om te toetsen of rekening moeten worden gehouden met een afschrijvingspercentage.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1]Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag dat niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 augustus 2025.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 30.000,00 aan immateriële schade gevorderd wegens de psychische gevolgen die benadeelde heeft ervaren. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Bij het vaststellen van de omvang van de geleden schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. De rechtbank constateert dat alleen door acuut ingrijpen van omstanders en medische zorg het letsel van benadeelde niet dodelijk is geweest. Benadeelde heeft drie buikoperaties moeten ondergaan en heeft in totaal 22 dagen in het ziekenhuis gelegen. De prognose is dat hij blijvende gezondheidsrisicos zal houden en dat is, gelet op zijn jonge leeftijd, bijzonder ingrijpend, nu hij de gevolgen daarvan vermoedelijk gedurende een groot deel van zijn leven zal ondervinden. Uit de toelichting op de vordering tot schadevordering blijkt dat benadeelde tot op heden dagelijks last heeft van een verminderde eetlust en druk op zijn buik. Daarbij komt dat benadeelde de rest van zijn leven een zeer ontsierend litteken op zijn buik zal meedragen. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld met genoemde factoren rekening gehouden en weegt bovendien mee dat het letsel opzettelijk aan benadeelde is toegebracht.
Gelet op het voorgaande en rekening houdend met het strafbare feit dat in het onderhavige geval bewezen is verklaard, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van 30.000,00 billijk. Het verzoek van de verdediging om de schadevergoeding te matigen wijst de rechtbank af omdat de draagkracht van de verdachte geen rol speelt bij de bepaling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag. De vordering wordt toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 augustus 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 52,26 aan materiële schade gevorderd. Op basis van de onderbouwing concludeert de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade ter hoogte van 43,19 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 augustus 2025.
De rechtbank verklaart [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 360 dagen.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
306 dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
1. dat veroordeelde zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, locatie [plaats] , en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;
2. dat veroordeelde gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle door middel van eventuele (onverwachte) urinecontroles hierop;
3. dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en ambulante behandeling door Accare FJP of een door de jeugdreclassering soortgelijke aan te wijzen instelling, waarbij veroordeelde zich houdt aan de door die instelling te geven huisregels;
4. dat veroordeelde op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met de aangevers, tenzij met goedvinden van de jeugdreclassering en onder begeleiding van professioneel betrokkenen contact eventueel nodig is in het kader van herstelbemiddeling;
  • [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2003;
  • [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2005.
  • dat veroordeelde onderwijs volgt en/of een andere dagbesteding heeft;
6. dat veroordeelde meewerkt aan herstel- en/of slachtofferbemiddeling.
Geeft aan Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 32.125,48 (zegge: tweeëndertig duizend honderd vijfentwintig euro en achtenveertig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 32.125,48 (zegge: tweeëndertig duizend honderd vijfentwintig euro en achtenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 2.125,48 aan materiële schade en 30.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Benadeelde partij [slachtoffer 2] ten aanzien van feit 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 43,19 (zegge: drieënveertig euro en negentien cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 43,19 (zegge: drieënveertig euro en negentien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. F. Sieders en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juli 2026.
Mr. N.A. Vlietstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.