ECLI:NL:RBNNE:2026:3040

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2603500:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken stabiele situatie

Verzoeker heeft op 10 februari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank behandelde het verzoek op 15 juni 2026, waarbij de schuldhulpverlener van Stichting de Gemeentelijke Kredietbank aanwezig was, maar verzoeker zelf niet is verschenen ondanks correcte oproeping.

De schuldhulpverlener gaf aan dat verzoeker meerdere malen per e-mail was benaderd en geïnformeerd over de zitting en het belang van verschijnen. Verzoeker heeft een schuldenlast van €10.014,03, ontstaan tussen april 2024 en juli 2025, voornamelijk door overmatig cannabisgebruik en verslaving.

Verzoeker had een verzoek tot onderbewindstelling ingediend maar dit op eigen initiatief ingetrokken en is ook gestopt met het budgetbeheer via de GKB. De schuldhulpverlener twijfelt aan de bereidheid en mogelijkheid van verzoeker om de verplichtingen van de WSNP na te komen.

De rechtbank oordeelt dat door het ontbreken van verschijning en onvoldoende onderbouwing niet kan worden vastgesteld of verzoeker te goeder trouw is geweest en of hij zijn verplichtingen kan nakomen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.

Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van nakoming verplichtingen en ontbreken stabiele situatie.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Rekestnummer: NL:TZ:2603500:R-RK
Vonnis van 22 juni 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],
wonende aan [adres],
hierna te noemen: verzoeker,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek af.

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoeker heeft op 10 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026, alwaar [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) is verschenen en gehoord. Verzoeker is, hoewel daartoe op juiste wijze opgeroepen, zonder opgaaf van reden niet verschenen. Desgevraagd heeft de schuldhulpverlener verklaard dat er in de afgelopen periode meerdere keren per e-mail contact is geweest met verzoeker, ook met betrekking tot een dreigende ontruiming en een ter voorkoming daarvan aan te vragen voorlopige voorziening, waarbij meerdere keren met verzoeker is gesproken over de zitting van vandaag en het belang om te verschijnen.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het voorgaande voldoende is gebleken dat verzoeker op de hoogte was van de zitting van vandaag en dat, hoewel de verzoeker niet is verschenen, het verzoek ter zitting behandeld kan worden.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
Verzoeker heeft een schuldenlast van € 10.014,03, welke ontstaan is in de periode van april 2024 tot en met juli 2025. Volgens de eigen verklaring van verzoeker zijn de schulden ontstaan als het gevolg van overmatig cannabisgebruik en een verslaving hieraan.
2.6.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoeker op zijn advies een verzoek tot onderbewindstelling bij de kantonrechter heeft ingediend. De woningstichting heeft een ontruiming van de woning van verzoeker aangezegd en volgens de schuldhulp-verlener kan verzoeker in aanmerking komen voor een andere woning indien hij zich onder beschermingsbewind laat stellen. Echter, verzoeker heeft het verzoek tot onderbewind-stelling vorige week op eigen initiatief en zonder overleg ingetrokken, omdat hij niet onder beschermingsbewind wil. Verzoeker weet volgens de schuldhulpverlener dondersgoed wat er voor hem op het spel staat. De schuldhulpverlener heeft dan ook grote bedenkingen of verzoeker de verplichtingen voortvloeiende uit de Wsnp wel kan en wil nakomen. Voorts is het onduidelijk of verzoeker zijn (cannabis)verslaving onder controle heeft, nu verzoeker hiervoor (nog) niet in behandeling is. Een ander zorgelijk punt is volgens de schuldhulp-verlener dat verzoeker eveneens is gestopt met het budgetbeheer via de GKB.
2.7.
Nu verzoeker niet ter zitting is verschenen beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om het verzoekschrift op de onderdelen ontstaan van de schulden en goede trouw naar behoren te kunnen beoordelen. Evenmin kan, nu verzoeker niet ter zitting is verschenen, beoordeeld worden of hij de verplichtingen die in de schuldsaneringsregeling gelden naar behoren zal kunnen nakomen. Dit alles klemt temeer nu gebleken is dat verzoeker niet alleen de aanvraag tot onderbewindstelling heeft ingetrokken, maar ook is gestopt met het budgetbeheer. Op basis hiervan en het de door de schuldhulpverlener ter zitting geschetst beeld en geuite twijfel in de mogelijkheid tot nakoming van de verplichtingen door verzoeker, zal de rechtbank het verzoek bij gebrek aan een toereikende onderbouwing afwijzen.

3.BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.