ECLI:NL:RBNNE:2026:30

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/955
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de aftrekbaarheid van rente en financieringskosten bij hypotheeklening in het belastingrecht

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 8 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. Eiser had een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd gekregen voor het jaar 2021, waarbij de inspecteur de rentelasten en financieringskosten van een hypothecaire lening bij ASR Levensverzekering N.V. niet in aftrek heeft toegelaten. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht heeft gehandeld, omdat de lening bij ASR niet voldeed aan de voorwaarden voor een eigenwoningschuld zoals vastgelegd in de Wet IB 2001. Eiser had de lening bij Florius overgesloten naar ASR, maar de nieuwe lening had een looptijd die niet in overeenstemming was met de wettelijke vereisten. Eiser stelde dat de lening met terugwerkende kracht als eigenwoningschuld moest worden aangemerkt, maar de rechtbank volgt deze redenering niet. De rechtbank concludeert dat de inspecteur de rente en financieringskosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten. Wel constateert de rechtbank dat er enkele onvolkomenheden in de aanslag zaten, waardoor het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd moet worden tot € 59.759. Het beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag wordt verminderd en de belastingrentebeschikking wordt aangepast. Eiser krijgt ook een vergoeding voor proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/955
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Amsterdam,de inspecteur,
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 januari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.904.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 254 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Namens eiser is verschenen mr. M.J. Bakker en namens de inspecteur is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door [medewerker belastingdienst] .

Feiten

2. Eiser is sinds 10 december 2014 eigenaar van de woning aan het adres [adres] (de woning). Eiser stond samen met zijn toenmalige partner voor het gehele jaar 2021 ingeschreven op dit adres in de Basisregistratie Personen.
2.1.
Op 9 december 2014 heeft eiser voor de financiering van de woning een hypothecaire geldlening bij Florius voor een startbedrag van € 153.400. De geplande einddatum van deze lening was 1 januari 2045. De schuld uit hoofde van deze lening is door de inspecteur aangemerkt als een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001.
2.2.
Op 1 november 2021 is de lening bij Florius overgesloten naar een hypothecaire geldlening bij ASR Levensverzekering N.V. (ASR). Het startbedrag van de lening bij ASR was € 140.612 en de lening had als geplande einddatum 1 december 2051.
2.3.
De inspecteur heeft op 28 maart 2022 de aangifte IB/PVV 2021 van eiser ontvangen. Eiser heeft een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 55.013. De inkomsten uit eigen woning zijn als volgt aangegeven:
Inkomsten eigen woning € 830
Af: aftrekbare rente € 7.874
Af: financieringskosten eigen woning € 5.169
--------------
Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning -/- € 12.213
Aandeel eiser in inkomsten eigen woning -/- € 10.923
2.4.
Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2021 is de inspecteur afgeweken van de door eiser ingediende aangifte en heeft de in 1.1. genoemde aanslag vastgesteld. De inspecteur heeft de rentelasten voor zover die zien op de door ASR verstrekte lening en de financieringskosten eigen woning niet in aftrek toegelaten. De inkomsten uit eigen woning zijn in de aanslag als volgt vastgesteld:
Inkomsten eigen woning € 830
Af: aftrekbare rente € 7.574
--------------
Saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning -/- € 6.744
Aandeel eiser in inkomsten eigen woning -/- € 6.032
2.5.
In 2024 is de lening bij ASR zodanig aangepast dat deze uit twee leningdelen is gaan bestaan. De schuld behorende bij het leningdeel eindigend op nummer 103 bedroeg op 1 september 2024 € 130.067,92. De looptijd van dit leningdeel is aangepast en heeft nu als geplande einddatum 1 januari 2045. Voor zover van belang is in de hypotheekofferte over deze wijziging het volgende opgenomen:

U heeft al een lening bij de ASR Levensverzekering N.V., hierna te noemen a.s.r. Nu wilt u de lening aanpassen.
(…)
Wanneer passen wij uw lening aan?
Wij passen uw lening aan per 1 september 2024, als u voor deze datum heeft voldaan aan alle voorwaarden.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2021 juist is vastgesteld. Meer in het bijzonder beoordeelt de rechtbank of de rentelasten en financieringskosten die zien op de lening bij ASR in aftrek kunnen worden gebracht.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht de rentelasten en financieringskosten die zien op de lening bij ASR niet in aftrek heeft toegelaten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de daarop drukkende aftrekbare kosten. [1] Onder aftrekbare kosten vallen onder meer de rente van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld en de kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld. [2] Van een eigenwoningschuld is alleen sprake als de schuld tijdens de looptijd wordt afgelost en de looptijd van de lening ten hoogste 360 maanden is. [3] Als een schuld tijdens de looptijd voor hetzelfde of een lager bedrag wordt vervangen door een nieuwe schuld, geldt dat de looptijd van de nieuwe contractuele verplichting nog maximaal de resterende looptijd van de voorgaande schuld mag zijn. [4]
4.1.
Uit de feiten volgt dat na de oversluiting van de lening bij Florius, de nieuwe lening bij ASR (opnieuw) een looptijd had van 360 maanden. Bij het oversluiten is in 2021 dus geen rekening gehouden met de al verstreken looptijd van de lening bij Florius. De lening bij ASR had maximaal een looptijd mogen hebben tot 1 januari 2045 om de rentelasten aan te kunnen merken als een eigenwoningschuld. [5] Terecht is tussen partijen is niet in geschil dat de schuld bij ASR voor het jaar 2021 in beginsel niet kan worden aangemerkt als een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001.
4.2.
Eiser stelt echter dat de schuld bij ASR met terugwerkende kracht aangemerkt moet worden als een eigenwoningschuld. Vóór het onherroepelijk worden van de aanslag IB/PVV 2021 is namelijk alsnog voldaan aan de vereisten. Eiser wijst ter onderbouwing naar de aanpassing van de lening bij ASR in 2024 (2.5.). De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de aflossingsverplichtingen (met als voorwaarde dat de lening in maximaal 360 maanden annuïtair moet worden afgelost) bij het aangaan van de schuld moeten zijn overeengekomen in de leningovereenkomst. [6] De rechtbank overweegt dat uit de wetssystematiek volgt dat ook bij het oversluiten van een lening geldt dat bij het aangaan van de nieuwe schuld de aflossingsverplichtingen moeten zijn overeengekomen in de leningovereenkomst. Hoewel de looptijd van de lening bij ASR uiteindelijk is aangepast, is deze wijziging pas per 1 september 2024 ingegaan (2.5.). Voor het jaar 2021 kan eiser dit daarom niet helpen. Dat de looptijd is aangepast terwijl de aanslag nog niet onherroepelijk vaststond maakt dit niet anders. De lening bij ASR voldeed in 2021 niet aan de wettelijke voorwaarden en dit kan niet met terugwerkende kracht worden hersteld. De schuld bij ASR kan voor het jaar 2021 niet worden aangemerkt als een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur terecht de rente die ziet op de hypotheek bij ASR niet in aftrek heeft toegelaten.
4.3.
Eiser voert daarnaast aan dat de financieringskosten voor zesentwintig dertigste deel wel in aanmerking komen voor aftrek. Ter motivering wijst eiser erop dat de lening bij ASR voor 26 jaar wel kwalificeert als eigenwoningschuld en slechts voor vier jaar niet. Volgens eiser is het daarom redelijk en billijk om voor zesentwintig dertigste deel aftrek van de financieringskosten toe te staan. Dit standpunt vindt geen steun in het recht. In de Wet IB 2001 is geen bepaling opgenomen die een dergelijke verdeling van de aftrekbaarheid van de financieringskosten naar verhouding mogelijk maakt. Wat betreft eisers beroep op de redelijkheid en billijkheid overweegt de rechtbank dat zij moet rechtspreken volgens de wet. De rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. [7] De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de financieringskosten voor zover die zien op de hypotheekschuld bij ASR terecht niet in aftrek heeft toegelaten.
4.4.
De inspecteur heeft in beroep naar voren gebracht dat er enkele onvolkomenheden zitten in de aanslag IB/PVV 2021. Het belastbaar inkomen uit werk en woning moet als gevolg daarvan worden verminderd tot € 59.759. De rechtbank zal gelet hierop het beroep gegrond verklaren en de aanslag verminderen tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.759.
5. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. De belastingrentebeschikking volgt de aanslag. Omdat de aanslag wordt verminderd, wordt de belastingrentebeschikking in overeenstemming met de aanslag verminderd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond (4.4.). De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag IB/PVV 2021 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.759. De belastingrentebeschikking valt hierdoor ook lager uit.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2021 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 59.759;
  • vermindert de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de inspecteur tot betalen van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van
mr.R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 8 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.110 van de Wet IB 2001.
2.Artikel 3.120, eerste lid van de Wet IB 2001.
3.Artikel 3.119a, eerste lid van de Wet IB.
4.Artikel 3.119c, derde lid van de Wet IB.
5.Artikel 3.119c, derde lid van de Wet IB.
7.Artikel 11 Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.