ECLI:NL:RBNNE:2026:2936

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/1535
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening bij mijnbouwschadevergoeding

Eiser diende een aanvraag in voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende een vergoeding van €1.500 toe, waartegen eiser bezwaar maakte. Na afwijzing van het bezwaar stelde eiser beroep in bij de rechtbank, maar dit beroep werd te laat ingediend.

De rechtbank stelde vast dat het beroep uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit moest worden ingediend, wat niet is gebeurd. Eiser had eerder een klacht ingediend die hij als beroepschrift aanmerkte, maar de rechtbank kwalificeerde deze klacht als een zuiver klaagschrift, waardoor het beroep alsnog te laat was.

Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege onduidelijkheid over de rechtsmiddelen, mede door een foutieve mededeling van een medewerker van het Instituut. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het besluit nog niet onherroepelijk was en het klaagschrift niet als verzoek tot herziening kon worden aangemerkt.

De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat eiser geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt. De uitspraak werd gedaan door rechter J.Y.B. Jansen op 29 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1535

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.R. Feitsma),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigde: mrs. R.L. Gritter en R.D. Langezaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het Instituut op de aanvraag van eiser voor de vergoeding van immateriële schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met de hoogte van de toegekende schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Het Instituut heeft eiser met het besluit van 30 augustus 2024 een schadevergoeding van € 1.500,- toegekend. Met het bestreden besluit van 4 november 2024 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de hoogte van de schadevergoeding gebleven.
2.1.
Eiser heeft op 17 april 2025 beroep bij deze rechtbank ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft eiser op 28 april 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken toe te lichten waarom het beroep is ingediend buiten de wettelijke indieningstermijn. Eiser heeft bij brief van 12 mei 2025 de gevraagde toelichting gegeven. De rechtbank heeft het Instituut vervolgens bij brief van 13 mei 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken op de toelichting te reageren. Het Instituut heeft op 27 mei 2025 gereageerd en vervolgens op 12 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het Instituut.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Dat is alleen anders als het te laat indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
3.2.
De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of eiser zijn beroepschrift buiten de wettelijke termijn heeft ingediend. Als dat het geval is, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de te late indiening verschoonbaar is, om een oordeel te kunnen geven over de ontvankelijkheid van het beroep.
Wat zijn de standpunten van partijen?
4. Eiser stelt dat hij tijdig beroep heeft ingesteld, en dat het Instituut zijn doorzendplicht [5] heeft verzaakt. Eiser heeft op 20 november 2024, dus binnen de wettelijke termijn, een klacht ingediend bij het Instituut. Dit had moeten worden aangemerkt als beroepschrift. Bij de klacht heeft eiser namelijk aangegeven dat hij het niet eens is met het bestreden besluit en waarom hij meent dat hij aanspraak heeft op een hogere vergoeding. Uit de inhoud van de klacht is dus af te leiden dat hij zich niet kon verenigen met het bestreden besluit. Bovendien geeft het Instituut in de reactie op het klaagschrift aan dat het uit de klacht afleidt dat eiser zich beroept op het vertrouwensbeginsel. Eiser licht toe dat zijn klacht te maken heeft met een telefoongesprek met een medewerker van het Instituut op 5 november 2024 waarin hij naar de status van zijn bezwaar informeerde. Daarop zou de medewerker hebben verklaard dat het besluit klaarstond, en dat in het besluit vermeld zou zijn dat eiser recht heeft op € 5000,- immateriële schadevergoeding. Een dag later, op 6 november 2024, ontving eiser echter per post het besluit van 4 november 2024. Hierin verklaart het Instituut het bezwaar ongegrond, en blijft het bij de toekenning van € 1.500,- vergoeding voor immateriële schade.
4.1.
Daarnaast stelt eiser dat in een vergelijkbaar geval het Instituut een brief naar aanleiding van een besluit op bezwaar wel heeft aangemerkt als beroepschrift en in dat geval de brief heeft doorgezonden aan de rechtbank. Ter onderbouwing heeft eiser een kopie van de doorgezonden brief in die zaak overgelegd.
4.2.
Eiser stelt subsidiair dat, indien de rechtbank oordeelt dat het beroep te laat is ingediend, de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De klacht had namelijk als verzoek tot herziening van het bestreden besluit moet worden aangemerkt. Dit verzoek wordt gerechtvaardigd door de nieuwe omstandigheid dat hem is medegedeeld dat een vergoeding van € 5000,- is toegekend. De reactie op de klacht van 21 januari 2025 moet dan worden aangemerkt als een afwijzing van dat verzoek. Omdat bij die brief geen beroepsclausule is opgenomen, wist eiser niet dat hij binnen zes weken beroep kon instellen. Eiser ging er van uit dat hij een jaar de tijd had om een rechtsmiddel in te stellen. In de reactie op zijn klacht stond namelijk vermeld dat hij binnen een jaar de kwestie kon voorleggen aan de Nationale Ombudsman. Eiser had tot eind maart 2025 geen juridische bijstand, en nadat hij een advocaat inschakelde heeft die gemachtigde binnen twee weken nadat hij stukken had ontvangen van eiser en constateerde dat eiser geen beroepschrift had toegezonden aan de rechtbank, een beroepschrift ingediend.
5. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat de klacht van eiser van 20 november 2024 naar zijn aard geen beroepschrift is, maar een zuiver klaagschrift. Eiser is op de hoogte gesteld van de openstaande rechtsmiddelen door middel van de rechtsmiddelenclausule onder het bestreden besluit en nogmaals telefonisch op 7 november 2024. Tijdens dit gesprek is aan eiser uitgelegd dat hij de mogelijkheid heeft om een klacht in te dienen, of in beroep te gaan bij de rechtbank. Eiser heeft er zelf voor gekozen om gebruik te maken van de klachtenprocedure middels het invullen van een klachtenformulier en het Instituut had geen reden om eraan te twijfelen dat het om een klacht ging. Eiser heeft bovendien tijdens de klachtenprocedure telefonisch laten blijken dat hij zich ervan bewust was dat het indienen van een klacht niet hetzelfde is als het starten van een juridische procedure tegen de genomen beslissing.
Is het beroep te laat ingediend?
6. Vast staat dat het bestreden besluit is genomen op 4 november 2024 en op diezelfde dag bekend is gemaakt. Dit betekent dat het beroep uiterlijk op 17 januari 2025 had moeten worden ingediend. Eiser heeft op 17 april 2025 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het bestreden besluit. Dat is buiten de wettelijke termijn. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de klacht van 17 januari 2025 had moeten worden aangemerkt als beroep en het door de rechtbank ontvangen beroepschrift een aanvulling daarop betreft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
Het bestreden besluit is op 4 november 2024 via het digitale dossier van eiser aan hem bekendgemaakt en diezelfde dag per post verzonden. Uit de stukken blijkt dat de servicedeskmedewerker tijdens het telefonisch contact van de dag daarop, op 5 november 2024, een passage uit een besluit heeft voorgelezen, waarin vermeld werd dat er een vergoeding van € 5000,- is toegekend. Achteraf bleek dit niet het besluit gericht aan eiser te zijn, maar een besluit dat bestemd was voor een ander persoon. Op 7 november 2024 heeft deze medewerker tijdens een telefonisch contact toegelicht dat zij per ongeluk een verkeerd besluit had voorgelezen, waarvoor zij excuses maakt. Deze excuses zijn nogmaals herhaald op de zitting van 7 mei 2026.
6.2.
Eiser heeft zijn klacht over de onjuiste mededeling ingediend middels een klachtenformulier nadat hij op 27 november 2024 nogmaals telefonisch contact had met het Instituut.
De rechtbank overweegt dat eiser door middel van de beroepsclausule in het bestreden besluit op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de rechtbank. Uit de telefoonnotitie van 27 november 2024 blijkt verder dat dit nogmaals telefonisch aan eiser is toegelicht en dat is uitgelegd dat het ook mogelijk is om een klacht in te dienen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van deze telefoonnotitie. De enkele stelling van eiser dat hem het verschil niet duidelijk is gemaakt, is daarvoor onvoldoende. Verder overweegt de rechtbank dat eiser al eerder een klacht heeft ingediend in een andere procedure. Eiser is dus bekend met de klachtenprocedure bij het Instituut. Eiser heeft bovendien een klachtenformulier ingevuld. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat eiser met zijn schrijven van 20 november 2024 een klacht wilde indienen en niet een beroepschrift. Het telefoongesprek waarin de mededeling werd gedaan dat eiser een vergoeding van € 5.000,- zou ontvangen vond bovendien plaats op 5 november 2024, een dag nadat het bestreden besluit is verstuurd. Deze vermeende toezegging was dus geen onderdeel van het bestreden besluit en heeft bij de besluitvorming geen rol gespeeld. Het Instituut hoefde daarom ook niet op grond van de inhoud van de klacht aan te nemen dat het een beroep tegen het bestreden besluit betrof. Het Instituut heeft naar het oordeel van de rechtbank de doorzendplicht dus niet geschonden. Dat er in een ander geval een brief wel is aangemerkt als beroep en naar de rechtbank is doorgestuurd, maakt dit niet anders. Deze gevallen zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig verschillend, dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen.
6.3.
Omdat de rechtbank oordeelt dat het schrijven van eiser van 17 januari 2025 niet is aan te merken als beroepschrift, is het beroep van 17 april 2025 te laat ingediend.
Is de te late indiening verschoonbaar?
7. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de te termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank overweegt daartoe dat het bestreden besluit ten tijde van het indienen van de klacht nog niet onherroepelijk was. Daarom volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat het klaagschrift moet worden aangemerkt als een verzoek om herziening van het bestreden besluit. Een besluit kan namelijk alleen worden herzien als het onherroepelijk is geworden.
7.1.
Nu het Instituut het klaagschrift niet als herzieningsverzoek had hoeven aanmerken, bestond er voor het Instituut ook geen plicht om een beroepsclausule bij de reactie te voegen. De beroepsgrond dat eiser niet kon weten dat hij binnen zes weken na deze brief beroep moest instellen, en de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar is, kan daarom niet slagen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Artikel 6:15 van Pro de Awb.