De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen in de periode van 23 november 2017 tot en met 23 november 2022. Verdachte wist of moest redelijkerwijs vermoeden dat de geldbedragen, ter waarde van ongeveer 98.238 euro, afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte deze gelden heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en gebruikt.
Het bewijs bestond uit onder meer politieonderzoeken, MMA-meldingen, bankgegevens, verklaringen van verdachte en getuigen, en een analyse van contante stortingen en uitgaven. De verklaringen van verdachte en zijn vader over de herkomst van het geld waren inconsistent en onvoldoende concreet. De levensstijl van verdachte kon niet worden verklaard uit legale inkomsten. De rechtbank concludeerde dat het vermoeden gerechtvaardigd was dat het geld uit illegale bron afkomstig was.
De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat onvoldoende was onderzocht of het geld een legale herkomst had. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde werd bevestigd, zonder strafuitsluitingsgronden. Gelet op de ernst van het feit, de duur en omvang van het witwassen, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een taakstraf van 240 uur op, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De redelijke termijn was overschreden, wat strafverminderend werd meegewogen.