ECLI:NL:RBNNE:2026:2892

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/18/24/83 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 356 lid 2 FwArt. 358 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling met verlening van schone lei na tussentijdse procedure

De schuldsaneringsregeling (WSNP) van de schuldenares werd bij vonnis van 20 maart 2024 van kracht met een looptijd van 18 maanden tot 20 september 2025. Een schuldeiser, [bedrijf] B.V., verzocht op 7 juni 2024 om tussentijdse beëindiging van de regeling, wat door de rechtbank op 25 oktober 2024 werd afgewezen. Dit vonnis werd bekrachtigd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar de Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak door naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat het vonnis van de rechtbank bevestigde. Hiertegen stelde de schuldeiser opnieuw cassatie in, welke door de Hoge Raad op 5 juni 2026 werd verworpen.

De bewindvoerder bracht op 20 juni 2025 een schriftelijk verslag uit waarin werd geadviseerd de WSNP te beëindigen met verlening van de schone lei. Op 22 september 2025 vond een verificatievergadering plaats. De schuldeiser maakte bezwaar tegen de schone lei en verzocht om verlenging van de WSNP, maar dit verzoek werd op 23 februari 2026 afgewezen. De rechtbank stelde het salaris van de bewindvoerder vast op €13.491,34 inclusief onkosten en omzetbelasting.

De rechtbank concludeert dat de schuldenares niet tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en verleent de schone lei. De WSNP zal van rechtswege eindigen zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, waarna de vorderingen onder de regeling niet langer afdwingbaar zijn.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de WSNP met verlening van de schone lei en wijst het verzoek tot verlenging af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/24/83 R
vonnis van 26 juni 2026
in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenares], geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
de schuldenares,
bewindvoerder: mr. A.L.S. Verhoog.

1.PROCESGANG

1.1.
Bij vonnis van 20 maart 2024 is ten aanzien van de schuldenares de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
1.2.
De looptijd van de WSNP is vastgesteld op 18 maanden, derhalve eindigend op
20 september 2025.
1.3.
Op 7 juni 2024 heeft [bedrijf] B.V. (hierna [bedrijf]) verzocht om tussentijdse beëindiging van de WSNP. Dit verzoek is bij vonnis van deze rechtbank van
25 oktober 2024 afgewezen. [bedrijf] heeft hoger beroep ingesteld.
1.4.
Bij arrest van 12 december 2024 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van deze rechtbank bekrachtigd. [bedrijf] heeft cassatie ingesteld.
1.5.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 16 mei 2025 het arrest van het Gerechtshof Arnhem Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch voor verdere afhandeling en beslissing.
1.6.
Op 21 augustus 2025 heeft het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch arrest gewezen en het vonnis van deze rechtbank bekrachtigd. [bedrijf] heeft hiertegen opnieuw cassatie ingesteld.
1.7.
Door de bewindvoerder is op 20 juni 2025 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de WSNP. De bewindvoerder heeft geadviseerd de WSNP te beëindigen met verlening van de zogenaamde schone lei”.
1.8.
Op 22 september 2025 heeft een verificatievergadering inzake de schuldsaneringsregeling van de schuldenares plaatsgevonden.
1.9.
Bij brief van 18 december 2025 heeft [bedrijf] bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de schone lei aan de schuldenares en heeft zij verzocht de looptijd van de WSNP te verlengen.
1.10.
De zaak is behandeld ter zitting van 9 februari 2026. Bij vonnis van 23 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoek om de looptijd te verlengen afgewezen en de beslissing voor het overige aangehouden voor de duur van zes maanden of zoveel eerder de Hoge Raad een beslissing heeft genomen op het ingestelde cassatieberoep.
1.11.
De schuldenares heeft tegen het vonnis van 23 februari 2026 hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 28 mei 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van deze rechtbank bekrachtigd.
1.12.
Bij arrest van 5 juni 2026 heeft de Hoge Raad het hiervoor onder 1.6 genoemde cassatieberoep verworpen.
1.13.
De rechtbank heeft vervolgens vonnis bepaald op heden.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
Uit het verslag van de bewindvoerder blijkt dat de bewindvoerder van mening is dat de schuldenares niet in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling is tekortgeschoten. De bezwaren die [bedrijf] eerder heeft opgeworpen zien niet op de periode na aanvang van de schuldsaneringsregeling en behoeven daarom naar het oordeel van de rechtbank hier geen bespreking meer. De rechtbank conformeert zich aan de bevindingen van de bewindvoerder.
2.2.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de ‘schone lei’ toekennen.
2.3.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 13.941,34 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van het griffierecht ad € 820,00 voor het deponeren van de slotuitdelingslijst niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.
2.4.
Ingevolge artikel 356 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw) zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege geëindigd zijn, zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Alsdan zijn de vorderingen die vallen onder de werking van de schuldsaneringsregeling van de schuldenares krachtens artikel 358 lid 1 Fw Pro niet langer afdwingbaar.

3.BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
verstaat dat de schuldsaneringsregeling van rechtswege zal zijn geëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden;
3.2.
stelt vast dat de schuldenares niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
3.3.
stelt het salaris voor de bewindvoerder, een en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op € 13.491,34.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.