ECLI:NL:RBNNE:2026:288

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
18/274200-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen onttrekking minderjarige en mishandeling gezinsvoogd

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van onttrekking aan het gezag en verbergen van een minderjarige, alsmede mishandeling van een gezinsvoogd.

De feiten betreffen perioden in oktober 2025 waarin verdachte samen met anderen haar minderjarige zoon onttrok aan het wettig gezag en hem verborgen hield voor justitie en politie. Daarnaast mishandelde zij op 14 augustus 2025 een medewerkster van Jeugdbescherming Noord door haar met kracht op de schouder en/of bovenarm te slaan.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, mede door de duidelijke bekentenis van verdachte en diverse proces-verbalen. Er werd geoordeeld dat sprake was van voortgezette handelingen, waarbij de gedragingen als één ongeoorloofd wilsbesluit werden gezien.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en het reclasseringsrapport dat een hoog recidiverisico signaleerde. Verdachte kreeg een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Een contactverbod met haar zoon werd niet opgelegd, omdat het civielrechtelijk kader voldoende bescherming biedt.

De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bepaalde dat de opgelegde taakstraf kan worden vervangen door 40 dagen hechtenis bij niet-naleving.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/274200-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te van [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
2
zij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 te Groningen en/of Slagharen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
3
zij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 te Coevorden en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
4
zij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 te Coevorden en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
5
zij op of omstreeks 14 augustus 2025 te [plaats] [slachtoffer 2] , medewerkster van Jeugdbescherming Noord en/of gezinsvoogd, heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met kracht op de schouder en/of bovenarm te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 oktober 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025272870 d.d. 1 december 2025, inhoudend de verklaring van [naam] namens Jeugdbescherming Noord;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 34 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2025, opgenomen op pagina 45 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2025, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam] namens [slachtoffer 2] .
Voortgezette handeling
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voortgezette handeling ten aanzien van zowel feiten 1 en 2 als feiten 3 en 4. De gedragingen van feiten 1 en 2 alsmede van feiten 3 en 4 hangen zo nauw met elkaar samen dat zij in beide gevallen de uiting zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
zij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
2
zij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
3
zij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
4
zij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
5
zij op 14 augustus 2025 te [plaats] [slachtoffer 2] , medewerkster van Jeugdbescherming Noord en gezinsvoogd, heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met kracht op de schouder en/of bovenarm te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
de voortgezette handeling van:
medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.
medeplegen van opzettelijk een minderjarige die onttrokken is aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken.
de voortgezette handeling van:
3. medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.
4. medeplegen van opzettelijk een minderjarige die onttrokken is aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken.
5. mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 110 uur, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, en met daaraan een contactverbod met haar zoon [slachtoffer 1] , tenzij er toestemming is voor contact van de jeugdbescherming, als bijzondere voorwaarde verbonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een lagere taakstraf en voor een kortere proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf. Een contactverbod met haar zoon heeft volgens de raadsman, gelet op het reeds aanwezige civielrechtelijke kader, geen toegevoegde waarde.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering
d.d. 8 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, samen met haar ex-partner (medeverdachte), twee keer schuldig gemaakt aan onttrekking van haar minderjarige zoon [slachtoffer 1] aan het opzicht van de jeugdbescherming. Ook heeft zij [slachtoffer 1] opzettelijk verborgen en onttrokken aan de nasporing van ambtenaren van justitie of politie. Hoewel de rechtbank begrijpt dat verdachte haar zoon erg mist door de uithuisplaatsing en zich de emoties bij verdachte kan voorstellen, acht de rechtbank het handelen van verdachte onjuist en onverantwoordelijk. Verdachte heeft haar zoon gestimuleerd om weg te lopen. Zij nam voor lief dat [slachtoffer 1] zich moest verstoppen, meerdere dagen alleen thuis is geweest en door de politie uit huis werd gehaald. Met haar handelen heeft verdachte niet bijgedragen aan het welzijn en een positieve ontwikkeling van haar zoon. De rechtbank rekent verdachte dit aan. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan mishandeling van de gezingsvoogd. Het is kwalijk dat de gezinsvoogd tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden te maken heeft gekregen met (verbale) agressie en geweld. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de gezinsvoogd en haar gevoel van veiligheid aangetast.
De rechtbank heeft acht geslagen op het voornoemde reclasseringsrapport. De reclassering concludeert dat er veel zorgen zijn op alle leefgebieden van verdachte, waardoor het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Zo kent verdachte een lange verslavingsgeschiedenis, zijn er meldingen van instabiel en onvoorspelbaar gedrag, vermoedens van een licht verstandelijke beperking, is er sprake van impulsiviteit, emotie regulatieproblemen, instabiele relaties, afwezigheid van dagbesteding, financiële problemen en een onveilige, weinig beschermende leefomgeving. De motivatie van verdachte is wisselend en fragiel. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, mits verdachte voldoende gemotiveerd is. De reclassering heeft het advies niet met verdachte kunnen bespreken en haar motivatie niet kunnen toetsen.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarbij als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Gelet op de houding van verdachte ter zitting ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden en het belasten van de reclassering met het toezicht daarop. De rechtbank ziet thans ook geen aanleiding om contact tussen verdachte en haar zoon te verbieden en gaat ervan uit dat de omgangsregeling in het civielrechtelijk kader voldoende waarborgen biedt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 56, 57, 279, 280 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. C. Brouwer en
mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.