ECLI:NL:RBNNE:2026:2805
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning afgewezen wegens juiste waardebepaling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €335.000 per 1 januari 2023, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024. Hij stelde dat de waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar te hoog was en dat vergelijkbare woningen minder waren gestegen. Tevens verzocht hij om niet te beslissen voordat de rechtbank uitspraak deed over het belastingjaar 2023.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waardebepaling met een taxatiematrix en verkoopgegevens van vergelijkbare twee-onder-een-kapwoningen in dezelfde plaats. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de referentieobjecten goed vergelijkbaar waren en de prijs per vierkante meter niet te hoog was.
De rechtbank verwierp het argument van belanghebbende dat de waardestijging beperkt moest blijven tot het gemiddelde percentage van de referentieobjecten, omdat de WOZ-waarde wordt bepaald op basis van transacties en niet op basis van waardestijgingen. Ook was het niet onrechtmatig dat de heffingsambtenaar het bezwaar behandelde voordat uitspraak was gedaan over het voorgaande belastingjaar, aangezien de Wet WOZ een termijn stelt voor uitspraak op bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en de aanslag OZB, en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €335.000 blijft gehandhaafd.