ECLI:NL:RBNNE:2026:2784

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/2135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 22.26 OmgevingsplanArt. 5.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorst last onder bestuursdwang verwijderen hekwerk

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland heeft op 14 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak over een voorlopige voorziening tegen een last onder bestuursdwang. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier had verzoekers opgedragen een hekwerk te verwijderen dat zij op hun perceel hadden geplaatst, omdat dit in strijd zou zijn met het Omgevingsplan en de Omgevingswet.

Verzoekers hadden bezwaar gemaakt tegen deze last en vroegen om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het hekwerk verwijderd zou worden voordat op het bezwaar was beslist. Het college stemde in met opschorting van de bestuursdwang totdat de voorzieningenrechter zou beslissen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, omdat zonder schorsing het hekwerk zou worden verwijderd voordat het bezwaar was behandeld. Bij de belangenafweging werd meegewogen dat het hekwerk al sinds oktober 2025 aanwezig was en dat het college ruim de tijd had gehad om het besluit te nemen. De belangen van verzoekers bij het behoud van het hekwerk, onder meer vanwege privacy en veiligheid, wogen zwaarder dan de belangen van het college en de derde partij bij onmiddellijke verwijdering.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het griffierecht aan verzoekers vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot verwijdering van het hekwerk is geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2135

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam], uit [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. R.H. de Kamper)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [woonplaats] (derde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de last onder bestuursdwang om een hekwerk te verwijderen van het perceel aan de [adres] in [woonplaats]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
2. Met het bestreden besluit van 30 juni 2026 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoekers. Deze last luidt:
“U dient de overtreding van artikel 22.26 van het Omgevingsplan en artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunt u doen door het gehele hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden van het perceel LEE01-I-3135. (…)
U heeft tot en met donderdag 2 juli 2026 de tijd om aan de last te voldoen oftewel om het hekwerk te verwijderen en verwijderd te houden. Op vrijdagochtend vindt een hercontrole plaatst. Als geconstateerd wordt dat de overtreding dan niet is beëindigd oftewel als het hekwerk nog aanwezig is gaan wij op vrijdagochtend 3 juli 2026 over tot het uitvoeren van bestuursdwang. Dit betekent dat wij de bovengenoemde last gaan uitvoeren door het hekwerk te verwijderen en af te voeren.”
2.1.
Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op 2 juli 2026 laten weten dat het bereid is de effectuering van de bestuursdwang op te schorten totdat uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure
kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan moeten verzoekers het hekwerk verwijderen voordat er een beslissing is genomen op het bezwaarschrift tegen het besluit danwel het college past bestuursdwang toe en verwijderd het hekwerk op kosten van verzoekers. Het spoedeisend belang is hiermee gegeven.
3.1.
Wat de voorzieningenrechter doet, is de belangen van de betrokken partijen wegen en op basis daarvan al dan niet een voorlopige voorziening treffen. Onderdeel van die belangenafweging kan een inschatting over de rechtmatigheid van het besluit zijn, maar dat hoeft niet en is bovendien niet doorslaggevend. Het blijft het bestuursorgaan dat zelf tot een volledige heroverweging moet overgaan. De voorzieningenrechter zal dit verzoek uitsluitend beoordelen aan de hand van een belangenafweging.
3.2.
Als het besluit niet wordt geschorst, wordt het hekwerk op korte termijn verwijderd als verzoekers niet aan de last voldoen. Verzoekers hebben toegelicht het hekwerk tijdelijk te hebben geplaatst om hun privacy en veiligheid te beschermen, direct zichtcontact te beperken en verdere escalatie van een langdurig burenconflict te voorkomen. Zij twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en hebben belang bij het in stand houden van het hekwerk totdat op het bezwaar is beslist.
3.3.
Daartegenover staat het belang van het college en derde bij verwijdering van het hekwerk. Uit de stukken blijkt dat het hekwerk sinds oktober 2025 aanwezig is. Het college heeft op dinsdag 30 juni 2026 een last onder bestuursdwang opgelegd en daarbij verzoekers tot en met donderdag 2 juli 2026 de tijd gegeven om te voldoen aan de last. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op het tijdsverloop tussen het plaatsen van het hekwerk en het opleggen van de last, niet in waarom het college niet kan wachten tot na een beslissing op bezwaar. De door de derde partij genoemde belangen bij verwijdering van het hek zijn niet zodanig spoedeisend dat het hekwerk daarom op heel korte termijn zou moeten worden verwijderd. Dit wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigd door het lange voorbereidingstraject van het college.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
4.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van €200,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.