ECLI:NL:RBNNE:2026:2765

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
84/201834-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.10 lid 1 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 7.11 lid 3 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 4.3 OmgevingswetArt. 1a WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging voor asbestverwijdering zonder sloopmelding

Verdachte werd beschuldigd van het verwijderen van asbest zonder de vereiste sloopmelding bij het bevoegd gezag in twee afzonderlijke zaken. In de eerste zaak ging het om het verwijderen van losse asbesthoudende buizen die niet als onderdeel van een bouwwerk konden worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden en sprak verdachte vrij.

In de tweede zaak betrof het verwijderen van asbesthoudende buizen uit een bouwwerk waarvoor een geldige sloopmelding was gedaan en een aanvullende melding volgens artikel 7.11 lid 3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) was ingediend. De rechtbank stelde vast dat deze uitzondering op de hoofdregel van artikel 7.10 Bbl van toepassing was, waardoor geen nieuwe sloopmelding vereist was en de reactietermijn van vier weken niet gold.

De rechtbank concludeerde dat verdachte zich terecht op deze uitzondering had beroepen en sprak hem vrij van strafbaarheid. Hierdoor werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging voor het tweede feit. Het vonnis werd gewezen door de economische politierechter Janssens en uitgesproken op 13 juli 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het eerste feit en ontslagen van alle rechtsvervolging voor het tweede feit wegens toepassing van een wettelijke uitzondering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 84/201834-25
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 84/201821-25
Vonnis van de economische politierechter d.d. 13 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2026. Het onderzoek is op 29 juni 2026 gesloten.
Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. L. Hoekstra, advocaat te Leeuwarden, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.S. Bond.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Onder parketnummer 84/201821-25
zij op of omstreeks 13 september 2024 te De Westereen, in de gemeente Dantumadeel, in ieder geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder en/of in afwijking van een sloopmelding asbest, te weten:
  • “Bron 8: buis van 5 meter”
  • “Bron 9: buis van 3 meter”
heeft verwijderd uit een bouwwerk ( [bedrijf] gelegen aan [adres] ), terwijl:
  • de verwijdering van voornoemde asbestbronnen niet ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden was gemeld bij het bevoegd gezag
  • de termijn van vier weken niet overeenkomstig artikel 7.10 lid 3 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving was verkort door het bevoegd gezag.
Onder parketnummer 84/201834-25
zij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2024 te Grou, in de gemeente Leeuwarden, zonder en/of in afwijking van een sloopmelding asbest, te weten:
  • bron 1: 66 m buis heeft verwijderd uit een/meerdere bouwwerk(en) ( [adres] ), terwijl:
  • de verwijdering van voornoemde asbestbronnen niet ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden was gemeld bij het bevoegd gezag
  • de termijn van vier weken niet overeenkomstig artikel 7.10 lid 3 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving was verkort door het bevoegd gezag;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor zowel het feit tenlastegelegd onder parketnummer 84/201821-25 als dat onder 84/201834-25. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Wat er feitelijk gebeurd is, staat niet ter discussie. Voor de beoordeling van de vraag of een enkele kennisgeving in de zin van art. 7.11 lid 3 Bbl voldoende is of een nieuwe sloopmelding (art. 7.10 Bbl) gedaan moet worden, is het van belang of het de bedoeling is geweest het asbest te verwijderen. Laat men dat zitten, dan is een kennisgeving voldoende en als het verwijderd moet worden, dient een nieuwe sloopmelding te worden gedaan. Dat is ook het standpunt dat de Raad van State en het Iplo hierover hebben ingenomen.
Aangezien verdachte telkens het aangetroffen asbest wilde verwijderen en het ook heeft verwijderd, had deze verwijdering niet zonder nieuwe sloopmelding moeten worden gedaan en was de enkele kennisgeving onvoldoende.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide feiten. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit de wet- en regelgeving, maar ook uit de jurisprudentie, kan worden opgemaakt dat geen aparte sloopmelding hoeft te worden gedaan, maar dat een enkele kennisgeving voldoende is. Hierbij wordt geen
onderscheid gemaakt in aan, op of bij het gebouw aangetroffen aanvullende asbest. Nu verdachte in beide gevallen een kennisgeving met een aanpassing van het asbestinventarisatierapport heeft gedaan door middel van een aanvullende sloopmelding, heeft zij telkens voldaan aan de geldende voorschriften.
Oordeel van de economische politierechter
De economische politierechter acht feit 1 84/201821-25 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De economische politierechter overweegt hiertoe het volgende.
( i) Uit het dossier volgt dat er een sloopmelding, als bedoeld in artikel 7.10 lid 1 en 2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna Bbl), is gedaan op 19 juli 2024 ten behoeve van de voorgenomen sloop van een bouwwerk ( [bedrijf] aan [adres] ). Een volgende melding is gedaan op 11 september 2024, in combinatie met een asbestverwijderingsrapport. Uit deze melding blijkt dat het gaat om twee op het erf aangetroffen buizen die elk asbest bevatten. Vervolgens stelt de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (hierna: FUMO), welke dienst als bevoegd gezag in de zin art. 7.10 Bbl moet worden beschouwd, dat er op 13 september 2024 in of aan een pand aan [adres] is gesloopt/verwijderd uit een bouwwerk zonder sloopmelding.
( ii) De verweten gedraging kort gezegd: het zonder een nadere sloopmelding twee asbesthoudende buizen verwijderen valt naar het oordeel van de economische politierechter in het onderhavige geval niet onder de werking van artikel 7.10 Bbl jo art. 4.3 Omgevingswet jo art. 1a WED. De economische politierechter overweegt daartoe als volgt. Het Bbl regelt asbestverwijdering uit bouwwerken. Meer in het bijzonder verbiedt voormelde bepaling uit het Bbl een bouwwerk of een gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd, zonder dat tenminste vier weken voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden een melding is gedaan aan het bevoegd gezag. Bij de sloopwerkzaamheden bij of aan het pand aan de [adres], zo begrijpt de economische politierechter, is er nadat de sloopwerkzaamheden zijn aangevangen, een tweetal losse asbesthoudende buizen aangetroffen. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de aangetroffen buizen eerder deel uit hebben gemaakt van het pand dan wel dat deze later op het sloopterrein zijn gedumpt. De economische politierechter houdt het er voor dat de aangetroffen losse buizen geen deel hebben uitgemaakt van het gesloopte bouwwerk aan de [adres], nu een andere herkomst ervan niet kan worden vastgesteld.
( iii) De economische politierechter ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of in casu met betrekking tot de verplichtingen omtrent de verwijdering van voormelde buizen met asbest art. 7.10 Bbl van toepassing is, dan wel de relevante bepalingen uit het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Laatstgenoemd besluit bevat onder meer regels met betrekking tot onder meer het verwijderen van (losse) asbesthoudende voorwerpen, al dan niet afkomstig uit een bouwwerk of een object en met betrekking tot het opruimen van asbest of asbesthoudende producten na incidenten, zoals brand of storm.
( iv) Nu niet uitgesloten kan worden dan de betreffende buizen niet afkomstig zijn of deel hebben uitgemaakt van een bouwwerk als bedoeld in art. 7.10 Bbl, komt de economische politierechter tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de buizen uit een bouwwerk heeft verwijderd.
( v) De economische politierechter zal verdachte van het feit onder 84/201821-25 vrijspreken.
Ten aanzien van het feit, tenlastegelegd onder parketnummer 84/201834-25 overweegt de economische politierechter als volgt.
( i) Naar het oordeel van de economische politierechter staat vast dat verdachte op 18 oktober 2024 uit een aantal bouwwerken aan [adres] asbesthoudende buizen heeft verwijderd. De economische politierechter overweegt dat, gelet op de plaats van waaruit de in de tenlastelegging aangetroffen buis is verwijderd, er sprake is van een bouwwerk als bedoeld in art. 7.10 Bbl, nu het blijkens de fotos ervan in het dossier, niet anders kan dan dat de buis deel heeft uitgemaakt van het te slopen of gesloopte bouwwerk.
( ii) Uit het niet zonder meer inzichtelijke - dossier volgt dat op 20 maart 2024 een sloopmelding is gedaan, nadat op 24 februari 2024 een asbestinventarisatierapport is opgemaakt ten aanzien van de te slopen panden aan [adres] . Op 7 april 2024 is door het bevoegd gezag, in casu de gemeente Leeuwarden, goedkeuring verleend aan de voorgenomen sloopwerkzaamheden van de betreffende panden in Grou. Niet uit de stukken valt af te leiden dat die werkzaamheden niet met inachtneming van de termijn als bedoeld in art. 7.10 lid 1 Bbl zijn aangevangen. Vervolgens wordt op 15 oktober 2024 een melding bij de gemeente Leeuwarden ingediend, bevattend onder meer
aanvulling op sloopmelding [nummer] asbest verwijderen tijdens sloop aangetroffen. Bedoelde sloopmelding is die van 20 maart 2024. Daarnaast wordt in deze melding (d.d. 15 oktober 2024) door of namens verdachte aangegeven dat - zo begrijpt de economische politierechter de melding op dit onderdeel - een en ander op 18 oktober 2024 verwijderd zal worden. Dat de buis daadwerkelijk op 18 oktober 2024 is verwijderd, is door de vertegenwoordigers van de FUMO tijdens een milieucontrole op 22 oktober 2024 vastgesteld, naar aanleiding waarvan de dienst een onderzoek is gestart. Bij brief van 24 oktober 2024 is door of namens de gemeente Leeuwarden toestemming gegeven onder de daarin nader omschreven voorwaarden de betreffende asbesthoudende buis te (doen) verwijderen.
( iii) De melding, die naar de sloopmelding van 20 maart 2024 verwijst, kan naar het oordeel van de economische politierechter bezwaarlijk anders gezien worden dan als een melding in de betekenis van art.
7.11
lid 3 Bbl, nu tijdens toegestane sloopwerkzaamheden asbest is ontdekt welke niet was opgenomen in het asbestinventarisatierapport van 24 februari 2024 en waarover de gemeente Leeuwarden onverwijld is geïnformeerd. De economische politierechter begrijpt het verweer dat namens verdachte ter zitting is gedaan, aldus dat art. 7.11 lid 3 Bbl als een beroep op een exceptie ten opzichte van art. 7.10 lid 1 Bbl wordt gezien, die bij aanvaarding zou moeten leiden tot vrijspraak van het tenlastegelegde op grond van art. 7.10 lid 1 Bbl.
( iv) De economische politierechter stelt voorop dat naast een eerder gedane en goedgekeurde sloopmelding, een nieuwe sloopmelding als bedoeld in art. 7.10 lid 1 Bbl niet vereist is als het geval van art. 7.11 lid 3 Bbl zich voordoet. Deze eis behoefde aan verdachte niet gesteld te worden.1 Dit brengt dan ook met zich dat de reactietermijn van vier weken in het onderhavige geval niet gold.
( v) Uit de Nota van Toelichting op het Bbl valt niet af te leiden wat het karakter van art. 7.11 lid 3 Bbl is. In elk geval kan worden aangenomen dat art. 7.11 lid 3 Bbl een omstandigheid schetst die aan de toepassing van de hoofdregel, geformuleerd in art. 7.10 Bbl, in de weg staat. De economische politierechter stelt vast dat het geval van art. 7.11 lid 3 Bbl geen onderdeel vormt van de strafbaarstelling als omschreven in art. 7.10 Bbl, doch aan te merken is als een exceptie, in het bijzonder een
fait dexcuse, ten opzichte van de hoofdregel van art. 7.10 Bbl.
( vi) De economische politierechter acht op grond van de inhoud van het dossier en gelet op het verweer dat namens hem ter zitting is gevoerd, het aannemelijk dat hij bij het verwijderen van de asbesthoudende buis gehandeld heeft op de rechtens juiste wijze, namelijk langs de weg van art. 7.11 lid 3 Bbl. Nu verdachte zich naar het oordeel van de economische politierechter derhalve met vrucht heeft beroepen op de aanwezigheid van de uitzondering op de hoofdregel, leidt dit tot een ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte wegens niet strafbaarheid van het feit.
(vii) Ten aanzien van de zaak met parketnummer 84/201834-25 ontslaat de economische politierechter verdachte van alle rechtsvervolging.

De economische politierechter

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 84/201821-25 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 84/201834-25 ten laste gelegde bewezen als voormeld maar niet te zijn een strafbaar feit. Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, economische politierechter, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze economische politierechter op 13 juli 2026.