ECLI:NL:RBNNE:2026:263

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
18.271466.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling openlijke geweldpleging met taakstraf en deels toegewezen schadevergoeding

Op 12 oktober 2025 pleegde verdachte openlijke geweldpleging tegen twee slachtoffers in Groningen. Verdachte en een medeverdachte zochten bewust de confrontatie, waarbij verdachte meerdere malen tegen de slachtoffers sloeg en schopte. De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen poging tot doodslag en zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking en opzet.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen beide slachtoffers, waarbij enig lichamelijk letsel is toegebracht. Verdachte bekende deze feiten. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 20 maanden, maar de rechtbank legde een taakstraf van 100 uur op, rekening houdend met de minder zware rol van verdachte, zijn stabiele leefsituatie, geen strafblad en een laag recidiverisico.

De rechtbank kende deels schadevergoeding toe aan de slachtoffers: aan het eerste slachtoffer €2.500,- immateriële schade en aan het tweede slachtoffer €118,82 materiële en €1.000,- immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025. De overige schadevorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte en medeverdachte zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, waarbij betaling door één van hen de ander bevrijdt van de verplichting.

De taakstraf wordt verminderd met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, tegen de maatstaf van twee uur per dag. Bij niet-nakoming van de taakstraf geldt vervangende hechtenis van 50 dagen. De rechtbank benadrukte de maatschappelijke impact van het geweld en het belang van strafrechtelijke afdoening.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur voor openlijke geweldpleging met deels toegewezen schadevergoedingen en vrijspraak van medeplegen poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.271466.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Karapetyan, advocaat te Hengelo.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1
primair
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn
mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten
[slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meerdere malen heeft geslagen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of (vervolgens), toen die [slachtoffer 1] op de grond lag, meerdere malen (met kracht, met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of een of meer andere delen van het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] meerdere malen heeft geslagen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of (vervolgens), toen die [slachtoffer 1] op de grond lag, meerdere malen (met
kracht, met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of een of meer andere delen van het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen op de openbare weg ter hoogte van [adres] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten tegen [slachtoffer 1] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • meermaals slaan tegen het hoofd en/of het lichaam en/of
  • ( vervolgens), toen die [slachtoffer 1] op de grond lag, meerdere malen (met kracht, met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of een of meer andere delen van het lichaam schoppen en/of trappen en/of stampen en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam slaan en/of stompen,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had;
2
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen op de openbare weg ter hoogte van [adres] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meerdere malen slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] ,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair en 2.
Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat door de handelingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een aanmerkelijke kans op de dood in het leven werd geroepen. Tussen hen was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Op de camerabeelden is te zien dat het verdachte is die voorop loopt als de confrontatie wordt gezocht. Hij doet dit op een moment wanneer medeverdachte al meermalen behoorlijk geweld heeft gebruikt richting aangever. Verdachte wist dus, of had zich dit op zijn minst moeten realiseren, dat het opnieuw opzoeken van de confrontatie tot nieuw geweld zou leiden. Als dat gebeurt, doet hij ook meteen mee. Als aangever [slachtoffer 2] probeert er tussen te komen, houdt verdachte hem op afstand, waardoor medeverdachte verder los kan gaan op aangever [slachtoffer 1] . En als verdachte afstand heeft gecreëerd gaat hij ook verder met waarvoor ze kennelijk kwamen: geweld tegen [slachtoffer 1] . Als aangever omhoog probeert te komen is het verdachte die trapt en uithaalt. Hoewel het meeste geweld door medeverdachte wordt gepleegd, is de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en 1 subsidiair, omdat ten aanzien van deze feiten het bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1 primair en 1 subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden is te zien dat verdachte, nadat hij in het begin van de confrontatie de aangever en medeverdachte uit elkaar probeert te houden, aangever, toen deze op de grond lag, tegen het lichaam heeft geschopt. Verdachte heeft dit ook bekend. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever. Het is de medeverdachte die veel meer en extremer geweld heeft toegepast, ook op het hoofd van aangever, en die daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, voorwaardelijk opzet op de dood van aangever had. Het medeplegen is bij
feit 1 primair niet expliciet ten laste gelegd. Nu het kennelijk wel de bedoeling is geweest om medeplegen ten laste te leggen, gaat de rechtbank uit van een kennelijke misslag. De rechtbank zal de tenlastelegging aldus lezen dat verdachte medeplegen wordt verweten. De handelingen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank echter van onvoldoende gewicht om van een nauwe en bewuste samenwerking te spreken. Van medeplegen van een poging tot doodslag, zoals door de officier van justitie gesteld, is daarom geen sprake. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat ook het subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting in voldoende mate is af te leiden dat verdachte handelingen heeft verricht waarin het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel besloten ligt.
De rechtbank acht de feiten 1 meer subsidiair en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 12 oktober 2025, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025277050 d.d. 18 november 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 12 oktober 2025, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[slachtoffer 2] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2025, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank de feiten 1 meer subsidiair en 2 wettig en overtuigend bewezen. Nu niet is komen vast te staan dat het letsel van de aangevers door het door verdachte zelf gepleegde geweld is ontstaan, zal verdachte van dit
-strafverzwarende- onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 meer subsidiair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 12 oktober 2025 te Groningen op de openbare weg, [adres] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • meermaals slaan tegen het hoofd en het lichaam en
  • vervolgens, toen die [slachtoffer 1] op de grond lag, meerdere malen met geschoeide voet tegen het hoofd en andere delen van het lichaam schoppen en/of trappen en/of stampen en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam slaan en/of stompen;
2
hij op 12 oktober 2025 te Groningen op de openbare weg, [adres] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meerdere malen slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
meer subsidiairopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een taakstraf. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een stabiele leefsituatie heeft. Hij heeft werk, geen strafblad en er is sprake van een laag recidiverisico. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de stabiele situatie van verdachte ernstig in gevaar brengen en zou contraproductief werken voor zijn verdere integratie in de Nederlandse samenleving. Bovendien dient als strafverminderende omstandigheid in aanmerking te worden genomen dat verdachte heeft getracht de partijen uit elkaar te houden en het conflict te de-escaleren, voordat hij zelf betrokken raakte bij het geweld.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 9 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee personen. Door zijn deelname aan de vechtpartij heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De rol van verdachte was aanzienlijk geringer dan de rol van zijn medeverdachte. Dit weegt de rechtbank mee bij het bepalen van de straf. Hierbij merkt de rechtbank nog wel op dat het vanuit het oogpunt van de slachtoffers bezien weinig uitmaakt hoe groot of hoe klein ieders rol in het geweld is geweest. Voor hen is het een uiterst stressvolle en ingrijpende ervaring geweest en de rechtbank rekent
verdachte dan ook aan dat hij daaraan een bijdrage heeft geleverd. Een gebeurtenis als deze brengt bovendien in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. De feiten zijn gepleegd in de openbare ruimte en nabij een uitgaansgelegenheid, waardoor verschillende mensen ongevraagd getuige waren van het uitgaansgeweld.
In strafverminderende zin heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte geen strafblad heeft en een stabiel leven heeft. Door de reclassering wordt het gevaar op herhaling als laag ingeschat. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in eerste instantie de-escalerend heeft opgetreden.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf van 100 uur moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag. De rechtbank wijkt af van de vordering van de officier van justitie, nu zij ten aanzien van feit 1 de poging tot doodslag dan wel zware mishandeling niet bewezen acht.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 573,- ter vergoeding van materiële schade en 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 218,82 ter vergoeding van materiële schade en 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] toewijsbaar is tot een bedrag van 5.553,-. De verhoging van de zorgkosten wegens het niet tijdig betalen ( 20,-), komt niet voor rekening en risico van verdachten. De vordering van [slachtoffer 2] is volledig toewijsbaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht beide vorderingen af te wijzen dan wel te matigen met minimaal 70% wegens eigen schuld ex artikel 6:101 BW Pro. De benadeelde partijen hebben zich provocerend gedragen door scheldwoorden te uiten naar getuige [getuige] , de vriendin van verdachte en zus van medeverdachte. Bovendien trad de benadeelde partij [slachtoffer 1] als agressor op door [getuige] in het gezicht te slaan.
Oordeel van de rechtbank
ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering gegrond en voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van
2.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het provocerende gedrag dat de benadeelde partij heeft getoond. Het bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de gevorderde immateriële schade.
De rechtbank beschikt met betrekking tot de gevorderde materiële schade over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen vaststellen. Dit deel is onvoldoende onderbouwd waardoor niet eenvoudig is vast te stellen wat de relatie is met het strafbare feit. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde materiële en immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering gegrond en voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van 118,82 aan materiële schade (de posten taxikosten ad 8,82 en trui ad
110,-) en 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025.
De rechtbank beschikt met betrekking tot het overige deel van de vordering, dat door de verdediging is betwist, over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen vaststellen. Dit deel is onvoldoende onderbouwd waardoor niet eenvoudig is vast te stellen wat de relatie is met het strafbare feit. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten, hoewel op verschillende wijze gekwalificeerd, samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 100 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan
[slachtoffer 1]te betalen:
  • het bedrag van 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij in diens vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.500,-(zegge: vijfentwintighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan
[slachtoffer 2]te betalen:
  • het bedrag van 1.118,82 (zegge: elfhonderd achttien euro en tweeëntachtig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij in diens vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.118,82 (zegge: elfhonderd achttien euro en tweeëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 118,82 aan materiële schade en 1.000,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2026.