ECLI:NL:RBNNE:2026:2616

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
18-087906-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens poging tot doodslag met toepassing volwassenenstrafrecht vanwege tekort behandelplekken

Op 4 februari 2025 heeft verdachte, na een ruzie met zijn moeder, een keukenmes gepakt en haar meerdere keren gestoken tijdens haar vlucht door het trappenhuis van de zesde naar de vierde verdieping. Het slachtoffer liep steekwonden op in haar rug en onder haar oksel, waarbij een longdrain werd geplaatst.

De rechtbank baseert haar oordeel op verklaringen van verdachte, het slachtoffer, getuigen, forensisch onderzoek en medische rapporten. Verdachte had bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou overlijden, wat de rechtbank kwalificeert als poging tot doodslag. De verdediging voerde geen opzet aan, maar dit werd verworpen.

Deskundigen stelden vast dat verdachte meerdere psychische stoornissen heeft en adviseerden toepassing van het jeugdstrafrecht met intensieve klinische behandeling. Door een ernstig tekort aan geschikte behandelplekken binnen het jeugdstrafrecht en financieringsproblemen, is dit niet mogelijk. Daarom past de rechtbank het volwassenenstrafrecht toe om de noodzakelijke behandeling te waarborgen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en legt bijzondere voorwaarden op gericht op behandeling en toezicht. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. De rechtbank uit haar zorg over de maatschappelijke situatie en het tekort aan behandelplekken voor jeugdigen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en toepassing van volwassenenstrafrecht wegens tekort aan behandelplekken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-087906-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling ] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 februari 2026, 11 mei 2026 en 22 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in haar buik, in haar rug, in/onder haar oksel, althans in haar (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in haar buik, in haar rug, in/onder haar oksel, althans in haar (boven)lichaam heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, waarbij verdachte partieel vrijgesproken dient te worden ten aanzien van het steken in de buik van het slachtoffer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het doden van het slachtoffer en dat er geen aanmerkelijke kans was op de dood van het slachtoffer.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 16 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik kreeg stemmen in mijn hoofd dat ik moest gaan steken. Ik ben naar de keuken gerend, heb een mes gepakt en heb mijn moeder gestoken. Mijn moeder rende toen het huis uit, maar ik ben haar achterna gerend. Ik heb mijn moeder twee of drie keer gestoken. Ik heb niet bewust op die plekken gestoken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025031008 (onderzoek NN2R025025/Apis) d.d. 24 juni 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Toen zag ik [verdachte] naar de keuken lopen. Ik zag dat hij uit de lade een grote mes pakte. Ik zag dat [verdachte] achter mij aankwam. Ik belde meteen bij de buurman aan. Die deed niet open. Ik heb bij meerdere buren aangebeld. Ik heb toen besloten om via de trappengang te vluchten. Ik dacht dat ik daarmee sneller kon vluchten. Ik weet niet exact op welk moment ben gestoken, maar ik werd in mijn rug gestoken. Terwijl hij mij stak riep hij dat hij van mij hield. Ook hoorde ik heb zeggen: "als we gaan, gaan we samen". Hij greep mij bij mijn trui. Ik heb mijn trui toen uitgetrokken om los te komen. Ik ben daarna weer gestoken onder mijn oksel. Ik voelde een hevige pijn en had moeite met ademhalen. Op de vierde verdieping deed iemand de deur open. Ik sprong daar naar binnen en deed de deur dicht. Daar heb ik de politie en ambulance gebeld.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 februari 2025, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
A: Ik heb het mes gezien. Zij probeerde de pols van de man tegen te houden en ik moet er ook nog even bij zeggen dat toen ik de deur opendeed, zij de rug keerde naar de man om weg te komen. De man heeft toen het mes in de rug gestoken. Toen is zij bij mij in de woning gekomen.
V: Wat voor mes was het?
A: Het was een groot mes. Net als een keukenmes.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 4 februari 2026, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
In het trappenhuis zagen wij op de 5e verdieping op een tussenvloer van de trappen en
de muur bloedsporen. Op de vloer van de 4e verdieping, voor de deur naar de ruimte waar de lift en de deur naar de galerij zich bevindt, zagen wij enkele rondvormige bloedspatten. Op de muur, rechts van de deur, zagen wij ter hoogte van de deurklink enkele veegsporen gezet met bloed. Op de galerijvloer voor de deur van de woning met huisnummer [nummer] , zagen wij enkele rondvormige bloedspatten. Wij zagen in betreffende woning, op de vloer in de hal, enkele bloedvlekken, deels afgedekt met een handdoek.
5. Een geneeskundige verklaring, op 6 februari 2025 opgemaakt en ondertekend door [arts] , opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, forensisch arts KNMG, voor zover inhoudend, als zijn verklaring:
gemelde behandeling/toelichting: longdrain links ingebracht
samenvatting letsel: steekwond onder linker oksel, snij-of steekwond onderrug
Letsel(s) lichaamsdeel: borst
beschrijving: hoog midden onder de linker oksel ongeveer 2 centimeter onder de okselplooi is een horizontaal georiënteerde, iets wijkende rozerode huidonderbreking met scherpe wondranden zichtbaar van ongeveer 14 millimeter lang en 2 millimeter breed.
soort: steekwond
lichaamsdeel: rug
beschrijving: op de onderrug ongeveer ter hoogte van de derde lendenwervel is een verticaal verlopende, enigszins golvende, streepvormige scherprandige rode huidonderbreking zichtbaar met een lengte van ongeveer 2,5 centimeter.
soort: snijwond
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot doodslag, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn gedragingen had kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Vaststaande feiten
De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan. Na een ruzie met zijn moeder, het slachtoffer, heeft verdachte een mes uit de keuken gepakt en is achter het slachtoffer aangegaan. Het slachtoffer is van de zesde verdieping naar de vierde verdieping gerend om aan verdachte te ontkomen. Tijdens haar vlucht is zij in ieder geval een keer gestoken en er zijn in het trappenhuis op de vijfde verdieping, op de vloer van de vierde verdieping, op de galerijvloer voor én binnen in de woning van de buurman met huisnummer [nummer] , bloedsporen aangetroffen. Voordat het slachtoffer de woning van de buurman kon binnenvluchten, is zij in haar rug gestoken.
Beoordeling
De rechtbank neemt in overweging dat in de bewijsmiddelen voldoende besloten ligt dat verdachte door het slachtoffer welbewust met een mes achterna te rennen en haar daadwerkelijk te steken, tenminste bewust de kans heeft aanvaard dat zij daardoor om het leven zou komen, welke kans als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Dit blijkt onder meer uit het door verdachte meermaals steken in het bovenlichaam van het slachtoffer, ook tijdens haar vlucht en bovendien in haar rug, nog voordat zij de woning van een buurman was binnengevlucht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermaals steken, in een ongecontroleerde situatie, in het bovenlichaam waar zich vitale organen bevinden niet zelden leidt tot de dood. Dat verdachte een vitaal orgaan heeft geraakt blijkt uit de letselverklaring en de medische ingreep, namelijk het plaatsen van een longdrain, bij het slachtoffer. Het is niet aan verdachte te danken dat het slachtoffer niet daadwerkelijk is overleden.
De verweren van de raadsman worden gelet op het voorgaande verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 4 februari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in haar rug en onder haar oksel heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair. poging tot doodslag
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren, waarbij zij rekening houdt met het advies van de deskundigen om het strafbare feit in sterk verminderde mate toe te rekenen. Daarnaast vordert zij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de volwassenenreclassering. De officier van justitie wijkt met haar eis af van de deskundigenadviezen om het jeugdstrafrecht toe te passen, nu het onmogelijk is gebleken om onder het jeugdstrafrecht een passende klinische behandelingsplek te vinden voor verdachte. De officier van justitie heeft in haar eis wel rekening gehouden met het jeugdstrafrecht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafduur gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Anders dan de officier van justitie stelt hij zich primair op het standpunt dat verdachte, zoals geadviseerd, onder het jeugdstrafrecht moet worden geplaatst en behandeld. Subsidiair begrijpt de raadsman de keuze voor het volwassenenstrafrecht, omdat het evident is dat verdachte zo spoedig mogelijk klinisch moet worden opgenomen en behandeld.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages, te weten het rapport van psychiater D.T. van der Werf van 9 januari 2026 en het rapport van GZ-psycholoog
C. Sipma van 6 januari 2026 en het reclasseringsadvies van 2 februari 2026, inclusief de aanvullende memos van 28 april 2026, 8 mei 2026 en 12 juni 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Nadat verdachte een ruzie heeft gehad met zijn moeder, het slachtoffer, is hij naar de keuken gelopen om een keukenmes te pakken. Het slachtoffer is vervolgens op de vlucht geslagen vanaf de zesde verdieping, door het trappenhuis, naar de vierde verdieping. Verdachte is achter haar aan gegaan en heeft haar tijdens de vlucht gestoken. Het slachtoffer is verder gerend en wist uiteindelijk bijna de woning van een gealarmeerde buurman binnen te vluchten, toen verdachte haar, nogmaals met het keukenmes, in haar rug heeft gestoken. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel toegebracht. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte
Volgens zowel de psychiater als de psycholoog lijdt verdachte aan meerdere psychische stoornissen. Beide deskundigen spreken van een schizofreniforme stoornis, een vroeg beginnende persisterende depressieve stoornis, een matige stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol, PTSS en een hardnekkig ouder(s)-kind-relatieprobleem; daarnaast kwam verdachte tijdens de testen uit op een zwakbegaafd niveau.
Volgens de psycholoog is hiernaast nog sprake van een voorgeschiedenis van zowel suïcidaal gedrag als
een gameverslaving. Beide deskundigen zijn van mening dat van deze psychische stoornissen sprake was ten tijde van het tenlastegelegde en dat deze stoornissen in meer of mindere mate een rol hebben gespeeld bij het tot stand komen van het tenlastegelegde. De deskundigen concluderen dat het tenlastegelegde in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Beide deskundigen adviseren vervolgens om het jeugdstrafrecht toe te passen en te starten met een intensieve klinische behandeling, waarbij verdachte, een kwetsbare jongeman, een pedagogische behandeling en begeleiding in een orthopedagogisch behandelklimaat kan worden geboden.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies en de daarop volgende aanvullende memos. Uit deze stukken en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat er door de jeugdreclassering een aanmelding is gedaan bij [instelling ] . De kans dat verdachte daar wordt geaccepteerd is, gelet op zijn (oudere) leeftijd, zeer twijfelachtig en duidelijkheid hieromtrent kan pas worden verschaft nádat er door de rechtbank een vonnis is gewezen. Bij andere jeugdklinieken kan verdachte, gelet op zijn problematiek, niet terecht. Bovendien heeft de gemeente, in tegenstelling tot de wens van de jeugdreclassering, geweigerd om de plaatsing van verdachte in het Forensisch Centrum Adolescenten (FCA) te [plaats] , te financieren. Gelet op het voorgaande heeft de reclassering daarom geadviseerd om verdachte te veroordelen conform het volwassenenstrafrecht, zodat hij geplaatst en behandeld kan worden bij [instelling ] . Complicerende factor hierbij is dat, bij acceptatie, een wachtlijst van 0-6 maanden geldt. Eventuele benodigde overbruggingszorg is niet gegarandeerd vanwege capaciteitsproblemen. Voor twee, gelet op de problematiek van verdachte, in aanmerking komende overbruggingsplekken is verdachte inmiddels afgewezen.
Toerekenbaarheid
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid over. De psychische stoornissen hebben een sterke invloed gehad op het functioneren van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het bewezen verklaarde feit in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Volwassenen- of jeugdstrafrecht?
De rechtbank is, net als de officier van justitie, de raadsman en de reclassering, van oordeel dat uit de adviezen van de psychiater en psycholoog volgt dat het jeugdstrafrecht het meest voor de hand ligt en de beste keuze is voor verdachte. Dat betekent evenwel niet dat de rechtbank ook daadwerkelijk overgaat tot de toepassing van het jeugdstrafrecht. Onder de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank geen andere reële mogelijkheid dan over te gaan tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat gedurende langere tijd is gezocht naar mogelijkheden voor een klinische behandeling van verdachte binnen het kader van jeugdstrafrecht. Om de zoektocht een kans te geven is de behandeling ter zitting zelfs meerdere keren aangehouden. Die zoektocht heeft evenwel niet geleid tot een behandelplek. Allereerst bleek de voorkeurslocatie voor behandeling (het Forensisch Centrum Adolescenten te [plaats] ) niet haalbaar vanwege moeilijkheden in de financiering.
Vervolgens bleek de intake bij een andere naar het oordeel van de betrokken deskundigen geschikte kliniek ( [instelling ] ) pas op 7 juli aanstaande te kunnen plaatsvinden, waarbij door deze kliniek op voorhand al is opgemerkt dat door de leeftijd van verdachte de opname van hem twijfelachtig is. Andere reële behandelalternatieven binnen het jeugdstrafrecht zijn niet aanwezig. Het bleek aldus schier onmogelijk is om verdachte te plaatsen onder de vleugel van het jeugdstrafrecht.
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek naar de mogelijkheden van (de locatie van) de klinische behandeling onaanvaardbaar veel tijd in beslag heeft genomen, terwijl alle betrokken partijen het erover eens waren dat het in het belang van verdachte was om op de kortst mogelijke termijn behandeld te kunnen worden. Hierdoor is een situatie ontstaan waarin de rechtbank zich nu genoodzaakt ziet een beslissing te nemen zonder dat de door deskundigen noodzakelijk geachte behandeling binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De keuze voor volwassenenstrafrecht is aldus uit noodzaak geboren. Dat acht de rechtbank zorgelijk, nu de keuze voor het toe te passen sanctiestelsel in beginsel dient te worden bepaald door wat, gelet op de persoon van de verdachte en diens ontwikkelingsfase, het meest passend is en niet door de toevallige beschikbaarheid van voorzieningen. De rechtbank acht dat zeer kwalijk en ziet dit als het pijnlijke gevolg van een vastgelopen strafrechtketen, in dit geval door het grote tekort aan beschikbare behandelplekken. De rechtbank acht dit een onacceptabele maatschappelijke ontwikkeling.
De rechtbank merkt bij het voorgaande op dat toepassing van het volwassenenstrafrecht geen wondermiddel is. De kliniek van voorkeur blijkt, anders dan voorheen, slechts bereid tot het inplannen van een intakegesprek ná het vonnis. Dat betekent dat de rechtbank bij het bepalen van de straf geen zekerheid heeft over het vervolgtraject, terwijl in dit geval juist zekerheid over een spoedige klinische behandeling in het belang van verdachte en de samenleving noodzakelijk is. De rechtbank merkt daarnaast op dat door deze handelwijze intake ná het vonnis de positie van de rechtbank en het gezag van haar uitspraak wordt miskend. Ook is duidelijk geworden dat verdachte, als hij na de intake wordt geaccepteerd, nog enkele maanden op een wachtlijst zal staan voordat tot behandeling overgegaan kan worden. Wat de rechtbank zorgen baart, is dat de overbruggingszorg na afloop van detentie vanwege capaciteitsproblemen niet blijkt te kunnen worden gegarandeerd. De rechtbank zal met dit alles zo goed mogelijk rekening houden bij de strafoplegging, waardoor zij genoodzaakt is een hogere straf op te leggen dan zij in eerste instantie voor ogen had.
De op te leggen straf
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden is. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte op de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar laatste aanvullende memo van 12 juni 2026. De rechtbank gaat hierbij ervan uit dat verdachte direct aansluitend aan de detentie zal worden geplaatst in een passende klinische behandelplek.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering en werkt mee aan huisbezoeken.
2. dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd laat opnemen in en diagnosticeren/behandelen door [instelling ] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg en/of verblijf in een instelling voor beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3. dat de veroordeelde, indien de reclassering dit nodig acht, zich gedurende de proeftijd laat
diagnosticeren en behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
4. dat de veroordeelde, indien de reclassering dit nodig acht, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor beschermd/begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
5. dat de veroordeelde, indien de reclassering dit nodig acht, gedurende de proeftijd meewerkt aan controles, om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen, van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek, een speekseltest en/of een alcoholband. De reclassering bepaalt hoe vaak, op welke dagen en tijdstippen en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.