ECLI:NL:RBNNE:2026:2608

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/4478
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet MrbArt. 33 lid 1 Wet MrbArt. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenParagraaf 34 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete motorrijtuigenbelasting wegens persoonlijke omstandigheden

Eiser was houder van een Audi Q7 die als bestelauto met grijs kenteken was geregistreerd, maar bij controle bleek het voertuig niet aan de fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto te voldoen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) en een verzuimboete van 50% op. Eiser erkende de naheffingsaanslag en betwistte alleen de hoogte van de boete.

De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was opgelegd omdat het motorrijtuig niet voldeed aan de eisen, maar dat de hoogte van de boete niet passend was. Eiser voerde aan dat hij door taalachterstand en onwetendheid niet volledig verwijtbaar was en dat zijn lage inkomen aanleiding gaf tot matiging. De inspecteur erkende matiging tot 10%, maar de rechtbank vond dit nog onvoldoende.

Gezien alle omstandigheden, waaronder de persoonlijke situatie van eiser en het feit dat hij te goeder trouw handelde, matigde de rechtbank de boete tot € 50. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd voor zover deze de boete betrof. Daarnaast werd eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.006,72.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de verzuimboete tot € 50 en bevestigt de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4478

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.W. Elzinga-Snoek),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/ Centrale Administratieve Processen/ kantoor Apeldoorn, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] )

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het tijdvak 27 mei 2024 tot en met 26 mei 2025 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd ten bedrage van € 2.605.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur eiser een verzuimboete van € 1.302 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] .

Feiten

2. Eiser is van 30 november 2022 tot en met 4 juni 2025 houder geweest van een motorrijtuig van het merk Audi, type Q7, met kenteken [kenteken] (het motorrijtuig).
2.1.
Het motorrijtuig stond in het kentekenregister van de RDW opgenomen als bestelauto met de inrichtingsomschrijving 'gesloten opbouw'. Eiser heeft in het naheffingstijdvak de mrb naar het bestelautotarief aangegeven en betaald.
2.2.
Op 20 april 2025 is het motorrijtuig door verbalisanten van de politie gecontroleerd. De melding hiervan is doorgezet naar de Belastingdienst.
2.3.
Op 22 mei 2025 is het motorrijtuig door toezichtmedewerkers van de Belastingdienst onderzocht en is geconstateerd dat het motorrijtuig niet voldoet aan de fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto. Naar aanleiding van de controle zijn de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de naheffingsaanslag mrb terecht is opgelegd en niet meer in geschil is. De rechtbank beoordeelt daarom alleen nog of de inspecteur de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de boetebeschikking terecht is opgelegd, maar dat de hoogte van de verzuimboete niet passend en geboden is. De rechtbank zal de verzuimboete verminderen naar een bedrag van € 50. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
5. Bij de constatering dat een motorrijtuig niet (meer) aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, kan de inspecteur - naast de nageheven mrb - een verzuimboete opleggen. [1] De inspecteur heeft de boete in dit geval in overeenstemming met de wettelijke bepalingen opgelegd voor het maximale bedrag van 50% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. [2]
6. Het beboetbare feit is begaan. Het motorrijtuig voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, maar eiser heeft de mrb wel naar het bestelautotarief aangegeven en betaald. De boete is dus in beginsel terecht aan eiser opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat eiser te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas).
7. Eiser heeft op de zitting bepleit dat er sprake is van avas, dan wel omstandigheden voor matiging van de boete zijn. Omdat eiser pas 10 jaren in Nederland woont, beheerst hij de Nederlandse taal niet volledig en begrijpt hij niet alle wet- en regelgeving. Eiser handelde daarom op basis van de gegevens zoals vertrekt door derden. Eiser voert aan dat hij het motorrijtuig als een bestelauto met grijs kenteken heeft gekocht en dat het motorrijtuig ook zo is opgenomen in het kentekenregister van de RDW. Daarnaast is bij een apk-keuring door een medewerker van de garage verklaard dat het grijs kenteken voertuig aan alle eisen voldeed. Volgens eiser kan hem gelet op het voorgaande geen verwijt worden gemaakt. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat zijn financiële omstandigheden aanleiding geven voor matiging van de boete. Uit de gegevens in de aangifte inkomstenbelasting 2024 volgt een bruto jaarinkomen van € 13.688. Eiser heeft op de zitting gesteld dat zijn inkomen in de jaren daarna vergelijkbaar is.
8. De inspecteur heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden niet weersproken. Op de zitting heeft de inspecteur verklaard dat van avas geen sprake is, maar dat de boete wel moet worden gematigd tot 10%, leidend tot een bedrag van € 260.
9. Van avas is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat niet aannemelijk is geworden dat eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Dat eiser zich van geen kwaad bewust was (eventueel door een taalachterstand), is onvoldoende voor het aannemen van avas.
9.1.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde boete gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden ook passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, door de boete te beperken tot 10% van de nageheven belasting, bij het opleggen van de boete nog steeds onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers persoonlijke en financiële situatie. Alle omstandigheden in aanmerking nemend acht de rechtbank een verzuimboete van € 50 in dit geval passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond voor zover het gaat om de boetebeschikking. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking.
10.1.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de inspecteur geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde van eiser heeft alleen aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Verder heeft eiser een verzoek gedaan tot vergoeding van zijn verletkosten. Op de zitting is tussen partijen afgestemd dat deze € 72,72 bedragen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.006,72.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op de boetebeschikking en voor het overige ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de verzuimboete tot een bedrag van € 50;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.006,72 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 30 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 37 in Pro samenhang met artikel 33, eerste lid , van de Wet Mrb, en artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, onderdeel 2.