ECLI:NL:RBNNE:2026:26

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
18.109565.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oordeel over noodweer in strafzaak met vuurwapen en poging tot zware mishandeling

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op noodweer slaagt, waardoor de poging tot zware mishandeling niet strafbaar is. De verdachte had zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een semiautomatisch pistool en munitie. De rechtbank heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging met betrekking tot de poging tot zware mishandeling, omdat de wederrechtelijkheid ontbrak. De rechtbank heeft echter wel een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd voor het voorhanden hebben van het vuurwapen, met aftrek van het voorarrest. De zaak kwam voort uit een incident op 19 juni 2024, waarbij de verdachte in een noodweersituatie handelde na een confrontatie met een andere persoon die een wapen op hem richtte. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in een situatie verkeerde waarin hij zich moest verdedigen, en dat zijn reactie proportioneel was in verhouding tot de dreiging die hij ondervond. De rechtbank heeft ook de omstandigheden van de verdachte in overweging genomen, waaronder zijn eerdere veroordelingen en de aanbevelingen van de reclassering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.109565.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hartman, advocaat te Diemen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. drs. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Hij op of omstreeks 19 juni 2024 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
-in de richting van die [slachtoffer] is gelopen en/of is gerend en/of
-met zijn hand in zijn zak, althans zijn broeksband, heeft gegrepen en/of een vuurwapen heeft gepakt en/of
-vervolgens het vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en/of
-met het vuurwapen (meerdere malen) heeft geschoten op en/of in de richting van die [slachtoffer]
tengevolge waarvan die [slachtoffer] door een kogel in zijn voet is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Hij op of omstreeks 19 juni 2024 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
-in de richting van die [slachtoffer] is gelopen en/of is gerend (samen met nog een onbekend gebleven persoon) en/of
-met zijn hand in zijn zak, althans zijn broeksband, heeft gegrepen en/of een vuurwapen heeft gepakt en/of
-vervolgens het vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en/of
-met het vuurwapen (meerdere malen) heeft geschoten in de richting van en/of op die [slachtoffer]
tengevolge waarvan die [slachtoffer] door een kogel in zijn voet is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Hij op of omstreeks 19 juni 2024 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] , heeft mishandeld door
-naar die [slachtoffer] toe te lopen (samen met nog een onbekend gebleven persoon) en/of
-met zijn hand in zijn zak, althans zijn broeksband, te grijpen en/of een vuurwapen te pakken en/of
-vervolgens het vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en/of
-met het vuurwapen (meerdere malen) te schieten in de richting van en/of op die [slachtoffer]
tengevolge waarvan die [slachtoffer] door een kogel in zijn voet is geraakt;
2.
hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2024 tot en met 2 augustus 2024 te Groningen
-een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock, type Gen 4, kleur zwart, (serienummer G140872) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
-(een) wapen (onderde(e)l(en)) van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een bijbehorende patroonmagazijn en/of
-munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie te weten 13 stuks kogelpatronen van het merk Fiocchi, type volmantel kaliber .40 S&W en/of 3 stuks kogelpatronen van het merk G.F.L. kaliber .40 S&W
voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 primair en 2.
Voor wat betreft feit 1 primair (de poging tot doodslag) is sprake van voorwaardelijk opzet. Het handelen van verdachte was naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans dat een schotverwonding in het lichaam dodelijk letsel op kan leveren, aanmerkelijk is. Als ongeoefend schutter heeft verdachte met een scherp vuurwapen, ongecontroleerd en van korte afstand in de richting van [slachtoffer] geschoten en hij heeft die [slachtoffer] ook geraakt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair.
Ten aanzien van feiten 1 subsidiair en 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 primair:
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen, waarbij ten minste voorwaardelijk opzet op de dood moet zijn geweest. Daarvoor is noodzakelijk dat door toedoen van verdachte een aanmerkelijke kans in het leven is geroepen dat het slachtoffer zou komen te overlijden en dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen is dat door de gedragingen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangever in het leven is geroepen. Op grond van de inhoud van het procesdossier staat vast dat verdachte driemaal met een pistool op [slachtoffer] heeft geschoten en dat die [slachtoffer] daarbij één keer in zijn rechterhiel is geraakt. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet meer weet waarop hij richtte en dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] te raken, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij tijdens het schieten naar beneden op de benen van [slachtoffer] richtte. Gezien de laatstgenoemde verklaring van verdachte en de locatie van de schotwond kan hoogstens worden aangenomen dat verdachte tenminste één keer op het onderlichaam van [slachtoffer] heeft gemikt en geschoten. Doordat verdere informatie in het dossier over op welk(e) gedeelte(s) van het lichaam van [slachtoffer] de andere kogels zijn afgevuurd ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat verdachte de schoten in de richting van of op vitale lichaamsdelen heeft gelost. De rechtbank is daarmee van oordeel dat voornoemde omstandigheden geen voorwaardelijk opzet op de dood opleveren.
De rechtbank acht feit 1 primair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feiten 1 subsidiair en 2:
De rechtbank acht feiten 1 subsidiair en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2025;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor (minderjarige) verdachte d.d. 20 juni 2024, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024162964/2024209262 d.d. 29 april 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 28 augustus 2024, opgenomen op pagina 253 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [verbalisant] ;
4. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2024.07.08.153, van 7 augustus 2024 en opgenomen op pagina 241 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. R. Hermsen, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, inhoudend zijn/haar verklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 subsidiair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair.
hij op 19 juni 2024 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- in de richting van die [slachtoffer] is gelopen (samen met een persoon) en
- met zijn hand in zijn broeksband heeft gegrepen en een vuurwapen heeft gepakt en
- vervolgens het vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en
- met het vuurwapen meerdere malen heeft geschoten in de richting van en/of op die [slachtoffer]
tengevolge waarvan die [slachtoffer] door een kogel in zijn voet is geraakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 19 juni 2024 te Groningen
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock, type Gen 4, kleur zwart, (serienummer G140872) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
- een wapenonderdeel van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een bijbehorende patroonmagazijn en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 13 stuks kogelpatronen van het merk Fiocchi, type volmantel kaliber .40 S&W en 3 stuks kogelpatronen van het merk G.F.L. kaliber .40 S&W
voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. subsidiair. poging tot zware mishandeling;
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Feit 2 is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Vervolgens is de vraag aan de orde of het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit strafbaar is.

Beroep op noodweer

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt en dat hij daarvoor van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het noodweerverweer dient te worden verworpen. Verdachte en [slachtoffer] kozen ervoor de confrontatie met elkaar aan te gaan. Op het moment dat ze elkaar troffen, trokken ze onmiddellijk hun wapens trokken en schoten over en weer. Beiden hadden duidelijk aanvallende intenties, hun gedragingen waren gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. Daarnaast had verdachte zich kunnen en moeten onttrekken aan de situatie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer de vraag moet worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (de zogenaamde subsidiariteitseis). Ten slotte dient te worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (de zogenoemde proportionaliteitseis).
Vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden
De rechtbank dient allereerst te bepalen of de door verdachte geschetste gang van zaken aannemelijk is en zij overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft vanaf het politieverhoor tot en met de terechtzitting (op hoofdlijnen) consistent het volgende verklaard. Op 19 juni 2024 werd verdachte toegevoegd in een chatgroep met voor hem onbekende personen die hem uitscholden en aanspoorden om zijn locatie te delen. Daarop heeft verdachte een foto van tankstation [naam tankstation] , gelegen aan de [adres] te Groningen gestuurd, omdat hij wilde weten wie de onbekende personen waren. Kort hierna pakte verdachte uit zijn huis een vuurwapen, welke hij in zijn broeksband aan de voorzijde stopte. Verdachte deed dit om zich te kunnen verdedigen tegen eventueel geweldgebruik tegen hem. Ook droeg hij een vest. Vervolgens begaf verdachte zich vergezeld door een vriend ( [naam] ) al lopende naar het tankstation. In de nabijheid daarvan was een jongen met een fiets van wie door gezichtsbedekking slechts de ogen zichtbaar waren. Deze jongen stond tussen een auto en een busje, kwam op verdachte af en vroeg of hij “ [bijnaam] ” was, hetgeen verdachte bevestigde. Toen trok die jongen een wapen en richtte dit op verdachte en schoot meteen op hem. Op dat moment stond de jongen met zijn fiets stil en verdachte bevond zich op een paar meter van hem. Verdachte hoorde een harde knal en zag een flits en rook, waardoor hij zijn balans verloor en stress en angst ondervond. Hij wilde weggaan en dacht dat de jongen hem dood wilde schieten. De jongen fietste een half rondje om een auto heen richting de voorkant van dit voertuig. De jongen had het wapen nog steeds in zijn hand, strekte zijn rechterarm en richtte het op het bovenlichaam van verdachte. Verdachte laadde zijn vuurwapen door het bovenste deel naar achteren te trekken en schoot drie keer. Uiteindelijk viel de jongen en toen hij zich omdraaide vluchtte verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank is de door verdachte naar voren gebrachte feitelijke toedracht voldoende aannemelijk geworden. Ten eerste wordt zijn verklaring ondersteund door de bevindingen uit het onderzoek naar de inhoud van telefoon van [slachtoffer] , waaruit volgt dat op 19 juni 2024 vanaf 22.04 uur via Snapchat berichten met een soortgelijke strekking als door verdachte genoemd zijn verzonden. Ten tweede vindt de verklaring van verdachte steun in de camerabeelden die (door de raadsman) aan het dossier zijn toegevoegd. Deze beelden zijn niet door de politie beschreven. De beelden zijn ter zitting getoond. De rechtbank constateert dat het beeldmateriaal dateert van 19 juni 2024 en dat (onder meer) het volgende waarneembaar is: vanaf 22:21:50 uur is zichtbaar dat twee manspersonen vijf seconden door het beeld lopen, waarbij geen vuurwapen te zien is. Verder is hoorbaar dat rond 22:22:06 uur door iemand wordt gezegd: “Ben jij [bijnaam] ?” Daaropvolgend is te horen het lossen van een eerste schot, een paar seconden daarna gevolgd door het afvuren van drie consecutieve schoten. Ten derde bevestigt getuige [naam] ten overstaan van de rechter-commissaris het verhaal van verdachte, met de kanttekening dat hij de afstand tussen verdachte en de andere persoon ten tijde van het eerste schot op ongeveer vier meter schat. Voorts heeft deze getuige in het bijzonder aangegeven dat hij op dat moment verdachte achter een bus probeerde te trekken en dat de persoon daarna achter een bus vandaan hun kant op kwam.
In het verlengde daarvan acht de rechtbank, gelet op de bij de politie door [slachtoffer] afgelegde verklaring en het forensisch onderzoek naar diens wapen, aannemelijk dat toen verdachte zich achter het busje schuilhield, [slachtoffer] andermaal de trekker van zijn wapen heeft overgehaald, maar dat het wapen toen blokkeerde. Uit dat onderzoek is gebleken dat het wapen van [slachtoffer] een gasalarmpistool betrof.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte geconfronteerd werd met een persoon die hem aansprak, op enkele meters afstand van verdachte gericht met een (gasalarm)pistool op hem schoot, na het wegduiken van verdachte zijn kant op ging en nogmaals met het wapen in zijn hand en met gestrekte arm wijzend naar het bovenlichaam van verdachte de trekker overhaalde, maar tevergeefs. Naar het oordeel van de rechtbank was er daardoor sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gericht tegen verdachtes lijf. Verdachte bevond zich dan ook in een noodweersituatie.
Subsidiariteitseis
De rechtbank is van oordeel dat het terugschieten met een vuurwapen door verdachte geboden was voor de noodzakelijke verdediging van zijn lijf, in die zin dat onder de gegeven omstandigheden voor verdachte geen reële en redelijke andere mogelijkheid bestond om zich aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding te onttrekken. Verdachte trof immers op straat een persoon die zich op een zeer korte afstand – enkele meters – van hem met een wapen bevond en meermaals de suggestie wekte hem te willen neerschieten en mogelijk van het leven te beroven, zelfs nadat getuige [naam] verdachte achter een bus(je) probeerde te trekken. Hierdoor bestond voor verdachte geen reële mogelijkheid zich aan de aanranding te onttrekken.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte niet weg kon komen en dat ook overigens van hem in de gegeven situatie redelijkerwijs niet gevergd kon worden zich te onttrekken aan het geweld. Hiermee is voldaan aan de zogenoemde subsidiariteitseis.
Proportionaliteitseis
De vervolgvraag is of de gedragingen van verdachte als verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding, met andere woorden of is voldaan aan de zogenoemde proportionaliteitseis.
Bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding is mede van belang of de verdachte een minder ingrijpende wijze van verdediging ter beschikking stond. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
De rechtbank oordeelt dat het driemaal schieten met een vuurwapen als verdedigingsmiddel gegeven de situatie in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Zoals eerder vastgesteld, bestond de aanranding (voordat verdachte handelde) uit het éénmaal schieten met een (gasalarm)pistool op verdachte en enkele seconden erna het (nogmaals) aannemen van een schiethouding richting het bovenlijf van verdachte.
Dat het wapen van [slachtoffer] geen echt vuurwapen bleek, maar – zo bleek uit het onderzoek van de politie – een gasalarmpistool, doet niet aan het voorgaande af, aangezien na het eerste schot door verdachte verschijnselen zijn waargenomen (harde knal, lichtflits en rook) die ook typerend zijn voor het gebruik van een daadwerkelijk vuurwapen. Verdachte kon op dat moment nergens uit afleiden dat het wapen geen kogels kon afvuren.
Verdachte verkeerde in een zeer benarde situatie waarin het voor hem onduidelijk was of hij in leven zou blijven, te meer daar [slachtoffer] na het eerste schot op verdachte afkwam en wederom zijn wapen op hem richtte. Het in die omstandigheid vervolgens door verdachte driemaal schieten op het onderlichaam van [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven situatie niet buitenproportioneel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte is gestopt met schieten op het moment dat het (levens)gevaar was geweken nadat [slachtoffer] gevallen was en niet meer omkeek. Bovendien volgt uit bevindingen van de politie dat het vuurwapen van verdachte was voorzien van een patroonmagazijn gevuld met dertien patronen en verdachte dus de mogelijkheid had om vaker te schieten, maar dat niet heeft gedaan. Concluderend acht de rechtbank dat in de gegeven omstandigheden niet van de verdachte kon worden verlangd dat hij (eerst) een ander, minder ingrijpend, verdedigingsmiddel zou kiezen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, zodat voldaan is aan de zogenaamde proportionaliteitseis.
Culpa in causa
Gedragingen van verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.
Vastgesteld kan worden dat verdachte voor zijn eigen veiligheid een vuurwapen bij zich droeg toen hij naar het tankstation ging. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet van zodanig gewicht dat gezegd kan worden dat verdachte daarmee de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht dan wel de gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. Evenmin blijkt uit de snapchatberichten dat verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat hij in een situatie terecht is gekomen waarin hij zich moest verdedigen zoals hij heeft gedaan. Immers is daaruit te herleiden dat verdachte alleen maar een locatie heeft gestuurd om iemand te ontmoeten.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in de onderhavige zaak dan ook geen sprake van culpa in causa.
Conclusie
De conclusie is dat het beroep op noodweer slaagt en dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit niet strafbaar is. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair ontslaan van alle rechtsvervolging, nu daaraan de wederrechtelijkheid ontbreekt.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte ten aanzien van feit 2 strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 gepleit voor de oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest tot en met 19 december 2025.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een semiautomatisch pistool met bijbehorend(e) patroonmagazijn en munitie. Hij heeft dit vuurwapen met toebehoren op de openbare weg in een woonwijk onder zich gehad, terwijl het buiten nog licht was. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en toebehoren brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee, nu een dergelijk wapen voorzien van patronen in het criminele circuit kan worden gebruikt en dus een bedreiging voor de veiligheid van de samenleving vormt. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt doordat verdachte, weliswaar ter verdediging, met het wapen heeft geschoten op een persoon die daardoor ook gewond is geraakt.
De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige delicten.
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 16 juli 2025. Daarin is vermeld dat vorig jaar bij verdachte (persoonlijkheids)problematiek is vastgesteld. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Daarom adviseert de reclassering de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, (indien door de reclassering noodzakelijk geacht) een ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met [slachtoffer] , een locatiegebod (met elektronische monitoring) en dagbesteding. Ook adviseert de reclassering een maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na het ondergaan van de gevangenisstraf kunnen worden toegepast.
Daarnaast adviseert de reclassering het volwassenenstrafrecht toe te passen, hetgeen de rechtbank zal volgen.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde alsmede de omstandigheden waaronder dit is begaan is naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf aangewezen. De rechtbank heeft de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) in ogenschouw genomen. De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor het voorhanden hebben van een pistool van categorie III onder 1 in de openbare ruimte uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank zal bij de hoogte van deze straf aansluiten. Voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel (en een maatregel in de zin van artikel 38z Sr) is naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte).
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden passend en geboden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1 heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 68,75 ter vergoeding van materiële schade en € 6.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu gelet op de zodanige mate van eigen schuld van de benadeelde in deze zaak voor toewijzing van de vordering geen ruimte bestaat.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien verdachte geen strafbare dader voor het betreffende feit is.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1, waaruit de schade zou zijn ontstaan, wordt verdachte van de primaire variant vrijgesproken en van de subsidiaire variant ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het voornoemde feit legt de rechtbank aan verdachte geen straf of maatregel op. De benadeelde partij zal daarom, conform het bepaalde in art. 361 lid 2 sub a Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen en te kwalificeren zoals voormeld.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte ter zake daarvan van alle rechtsvervolging.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair:
Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer] zijn eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 januari 2026.
De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.