ECLI:NL:RBNNE:2026:2586

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/18/26/1181 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 3 FwArt. 349a lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling met geslaagd beroep op hardheidsclausule

Verzoeker heeft op 18 maart 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Tijdens de zitting op 1 juni 2026 verscheen verzoeker met zijn schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder. De rechtbank constateert dat verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van een deel van zijn schulden die in de afgelopen drie jaar zijn ontstaan, waaronder belastingschulden en boetes van het CJIB.

Desondanks oordeelt de rechtbank dat verzoeker een geslaagd beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. Verzoeker heeft zijn onderneming gestaakt, staat onder beschermingsbewind en zal binnenkort weer aan het werk gaan, waardoor de oorzaak van de schuldenproblematiek onder controle is gebracht. Ook zijn niet-gebruikte auto’s zijn geschorst.

De rechtbank stelt de duur van de schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis en benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder. Er is geen aanleiding voor een eerdere ingangsdatum. Het vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met een looptijd van 18 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/26/1181 R
vonnis van 8 juni 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres ] ,
hierna te noemen: verzoeker.

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoeker heeft op 18 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 1 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met [schuldhulpverlener] , als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (hierna te noemen: de GKB) en [beschermingsbewindvoerder] , als beschermingsbewindvoeder van verzoeker en werkzaam bij de GKB.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoeker is 65 jaar en heeft een eenmanszaak gehad handelend onder de naam [bedrijf 1] . Deze onderneming is hij gestart op 1 maart 2019 en opgeheven en uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op 7 oktober 2024. De schuldenlast van verzoeker bedraagt € 35.462,08. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van verzoeker, waaronder een deel van de Belastingschulden. De totale belastingschuld bedraagt volgens het door de GKB verstrekte overzicht € 1.011,00 en bestaat uit aanslagen motorrijtuigenbelasting over het jaar 2025 en een aanslag omzetbelasting over het jaar 2024. Verder heeft verzoeker schulden laten ontstaan aan het CJIB. De CJIB-schuld bedraagt in totaal volgens het door de rechtbank opgevraagde overzicht € 2.855,20 en bestaat uit 6 opgelegde WAHV-boetes. Een deel van deze boetes zijn minder dan 3 jaar geleden ontstaan.
2.6.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij binnenkort fulltime aan het werk kan als beveiliger bij [bedrijf 2] . Volgens verzoeker is hij nog in afwachting van een ‘grijze pas’ en kan hij na ontvangst daarvan aan de slag. Tevens heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij nog één auto (kenteken [kenteken] ) in gebruik heeft. Deze auto heeft hij straks nodig voor zijn werk. De andere auto’s, die op zijn naam staan, zijn naar de sloop gebracht en geschorst. Omdat er beslag ligt op deze auto’s kunnen ze nog niet worden gevrijwaard.
2.7.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat tijdens het minnelijk traject schulden boven water zijn gekomen aan TT week Assen ontstaan op 5 juni 2024, FBTO (eigen risico) ontstaan op 2 juli 2025 en een schuld aan TKZ Incasso inzake ANWB ontstaan op 23 oktober 2025. Het beschermingsbewind verloopt voorspoedig. Verzoeker werkt goed mee. Het budget is krap. Dat is ook de reden dat de vordering van FBTO niet betaald kon worden.
2.8.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en een deel van de schulden aan het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.
2.9.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.10.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt. Tezamen met de onderbewindstelling en de omstandigheid dat verzoeker binnenkort aan het werk kan, waardoor er meer ruimte in het budget zal ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek daarom zal toewijzen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verzoeker de auto’s die op zijn naam staan en die hij niet meer gebruikt, heeft geschorst.
2.12.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen nu onderbouwing daarvan ontbreekt.

3.3. BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres ]
3.2.
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
3.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres ] ;
3.4.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op
8 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.