ECLI:NL:RBNNE:2026:2580

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/18/26/1145 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 lid 1 sub b FaillissementswetArt. 288 lid 3 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling ondanks precair financieel herstel

Verzoeker heeft op 27 februari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het faillissementsrekest tegen hem werd geschorst totdat onherroepelijk op het verzoek werd beslist. Tijdens de zitting van 4 mei 2026 verscheen verzoeker met zijn schuldhulpverlener.

De rechtbank stelde vast dat verzoeker niet volledig te goeder trouw was ten aanzien van een deel van zijn schulden, die grotendeels recentelijk zijn ontstaan vanuit zijn onderneming. Verzoeker is sinds november 2025 in loondienst en heeft zijn onderneming ontbonden, wat een belangrijke gedragsverandering vormt. De rechtbank oordeelde dat ondanks de weigeringsgrond op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro, het verzoek op grond van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Fw Pro) kan worden toegewezen omdat verzoeker de oorzaken van zijn schulden onder controle heeft gekregen.

Hoewel de financiële situatie van verzoeker precair is en er geen financiële hulpverlening is betrokken, achtte de rechtbank de recente keer ten goede voldoende. De termijn van de schuldsaneringsregeling werd vastgesteld op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis. Verzoeker heeft geen eerdere ingangsdatum verzocht of onderbouwd.

De rechtbank benoemde een rechter-commissaris en bewindvoerder en gaf de bewindvoerder last tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen. Het vonnis werd uitgesproken op 18 mei 2026 en is aanvechtbaar binnen acht dagen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen voor een termijn van 18 maanden vanaf 18 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: C/18/26/1145 R
Vonnis van 18 mei 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.PROCESGANG

1.1.
[verzoeker] heeft op 27 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Als gevolg van dit verzoek is het faillissementsrekest tegen [verzoeker] geschorst op 2 maart 2026 totdat onherroepelijk is beslist op het schuldsaneringsverzoek.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 4 mei 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met zijn schuldhulpverlener, mevrouw [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] .

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. [verzoeker] heeft een totale schulden last van €86.764,25. Het grootste gedeelte van de schulden is recentelijke ontstaan en deels vanuit de onderneming van [verzoeker] . [verzoeker] is al enige tijd bezig met het ontbinden van zijn onderneming maar omdat er nog een personeelslid in dienst was duurde dit proces langer. [verzoeker] is sinds november 2025 in loondienst. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goede trouw kan worden aangemerkt.
2.6.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.7.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.8.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Hoewel deze keer ten goede zeer recent is geweest heeft [verzoeker] op zitting toelichting gegeven waarom de omstandigheden waaruit de schulden zijn ontstaan is veranderd. Het belangrijkste daarvoor is dat hij zijn onderneming(en) heeft beëindigd en in loondienst is getreden. Daarnaast heeft [verzoeker] de kentekens op zijn naam, waarmee recentelijke WAHV-boetes zijn ontstaan, geschorst zodat geen nieuwe boetes kunnen ontstaan. Hoewel de rechtbank normaliter uitgaat van het beginsel dat de situatie één jaar stabiel moet zijn, ziet de rechtbank ook dat [verzoeker] geen kans heeft gehad om die situatie te creëren vanwege het faillissementsrekest. De rechtbank is wel van oordeel dat de financiële stabiliteit precair is doordat geen financiële hulpverlening is betrokken bij [verzoeker] en op de bankafschriften bij het verzoekschrift diverse storneringen zichtbaar zijn. [verzoeker] heeft dit toch genoegzaam toegelicht en de rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
2.9.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.10.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. Niet gebleken is dat [verzoeker] voorafgaand aan het verzoekschrift heeft afgedragen, al dan niet middels beslag. Daarnaast zijn geen bewijsstukken aangeleverd om een eventueel verzoek te onderbouwen.

3.3. BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
3.2.
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
3.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
3.4.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de
schuldenaargerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.