ECLI:NL:RBNNE:2026:2518

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/18/26/1115 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FwArt. 349a lid 1 FwArt. 295 FwArt. 327 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met verlenging voor bewindvoering

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2026 het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) toegewezen. Hoewel recent ontstane schulden niet te goeder trouw zijn, is op grond van de hardheidsclausule vastgesteld dat [verzoeker] de oorzaken van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Sinds februari 2023 staat hij onder beschermingsbewind en ontvangt hij een stabiel inkomen uit AOW.

De Wsnp-regeling is vastgesteld op 18 maanden, ingaande op 29 oktober 2024, omdat [verzoeker] vanaf die datum aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De rechtbank verlengt de regeling met 6 maanden zodat de bewindvoerder zijn taken kan uitvoeren. Gedurende deze verlenging is [verzoeker] ontheven van zijn afdracht- en sollicitatieverplichtingen, maar blijft hij medewerkingsplichtig.

De rechtbank benoemt tevens een rechter-commissaris en geeft de bewindvoerder last tot het openen van aan [verzoeker] gerichte post. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld binnen acht dagen via een advocaat.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met een ingangsdatum 18 maanden eerder en verlenging van 6 maanden voor bewindvoeringstaken.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/26/1115 R

Vonnis van 29 april 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
[verzoeker] , hierna te noemen [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

PROCESGANG

[verzoeker] heeft op 19 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: schuldsaneringsregeling).
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met zijn zoon, de heer [schuldhulpverlener] namens Kredietbank Nederland en mevrouw [beschermingsbewindvoerder van bewindvoerdersbedrijf] .

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. [verzoeker] heeft een totale schuldenlast van € 57.444,03. Een deel van deze schulden is korter dan drie jaar geleden ontstaan. De meest recente schulden zijn WAHV-boetes uit 2025. Nu [verzoeker] recent schulden heeft gemaakt, kunnen deze niet te goeder trouw worden aangemerkt.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Sinds 22 februari 2023 staat [verzoeker] onder beschermingsbewind. Zijn inkomen bestaat uit een AOW uitkering waar hij sinds december 2025 recht op heeft. Nu [verzoeker] onder beschermingsbewind staat en een vast inkomen heeft, is er, met uitzondering van de WAHV-boetes, sprake van een financieel stabiele situatie. Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat een deel van deze WAHV-boetes is ontstaan doordat hij zijn auto ter beschikking heeft gesteld aan familieleden. Zijn zoon heeft dat bevestigd. Met de familie van [verzoeker] heeft de beschermingsbewindvoerder een afspraak gemaakt dat de WAHV-boetes worden voldaan door hen. Ter zitting [verzoeker] heeft ter zitting toegezegd dat hij zijn auto niet meer aan derden ter beschikking zal stellen. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling daarom toewijzen.
De schuldsaneringsregeling duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
[verzoeker] heeft verzocht om de schuldsaneringsregeling 18 maanden eerder in te laten gaan, omdat hij 18 maanden (al dan niet door middel van beslag) heeft afgedragen. De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 29 oktober 2024, omdat [verzoeker] vanaf die datum aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Voorheen ontving [verzoeker] een participatiewet-uitkering. Op die uitkering lag sinds 6 juni 2024 beslag. [verzoeker] was door de uitkerende instantie vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht. Hoewel de daadwerkelijke ontheffing niet is bijgevoegd in het verzoekschrift is ter zitting genoegzaam gebleken dat, gelet op de situatie van [verzoeker] , hij al 18 maanden heeft voldaan aan zijn verplichtingen.
De looptijd van de Wsnp-regeling van [verzoeker] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis, echter de bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken. Daarom verlengt de rechtbank de formele looptijd van de Wsnp-regeling met zes maanden. Dat gebeurt op grond van de verlengingsbevoegdheid in artikel 349a lid 1 Fw, want als uitgangspunt wordt gehanteerd dat zes maanden een redelijke termijn is voor de bewindvoerder om zijn taken uit te voeren. Daardoor duurt de Wsnp-regeling nog zes maanden vanaf de datum van dit vonnis. [verzoeker] is gedurende de resterende periode van de Wsnp-regeling ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel (artikel 295 Fw Pro) en van zijn inspanningsverplichting (artikel 288 Fw Pro). De medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar jegens de bewindvoerder (art. 327 Fw Pro in verbinding met art. 105-105a Fw) gelden wel gedurende deze laatste maanden van de Wsnp-regeling.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden, te rekenen vanaf 29 oktober 2024,
- verlengt de termijn van deze regeling met zes maanden, zodat deze loopt tot 29 oktober 2026 en ontheft de heer [verzoeker] gedurende die periode van zijn sollicitatie- en afdrachtverplichting
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen;
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de heer [verzoeker] gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op
29 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.