Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Groningen
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoekster heeft op 11 februari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank behandelde het verzoek op 23 april 2026, waarbij verzoekster verscheen met haar schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank constateert dat verzoekster is opgehouden met betalen en niet kan voortgaan met betaling van haar schulden. Echter, op grond van artikel 288 Faillissementswet Pro moet verzoekster te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. Daarnaast moet zij aannemelijk maken dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zal nakomen.
Uit een verklaring van de behandelend psychiater blijkt dat de drugsverslaving van verzoekster sinds 15 maart 2026 onder controle is, maar zij had begin maart 2026 nog een uitglijder met cocaïnegebruik. De rechtbank acht de kans groot dat verzoekster de verplichtingen onvoldoende nakomt vanwege haar verslavingsproblematiek. Tevens is een schuld van €18.000 ontstaan door een ongeluk waarbij verzoekster zonder geldig rijbewijs reed, wat niet te goeder trouw is.
De hardheidsclausule biedt een mogelijkheid tot toelating ondanks het ontbreken van te goeder trouw, mits de oorzaak van de schulden onder controle is. De rechtbank oordeelt dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat haar situatie wezenlijk is verbeterd en dat de verslavingsproblematiek nog speelt.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en adviseert verzoekster een stabielere situatie af te wachten alvorens een nieuw verzoek in te dienen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende stabiliteit en het ontbreken van te goeder trouw handelen.