Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2512

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2603333:R-RK
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FaillissementswetBijlage III Procesreglement Verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens verslavingsproblematiek en gebrek aan te goeder trouw

Verzoekster heeft op 11 februari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank behandelde het verzoek op 23 april 2026, waarbij verzoekster verscheen met haar schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder.

De rechtbank constateert dat verzoekster is opgehouden met betalen en niet kan voortgaan met betaling van haar schulden. Echter, op grond van artikel 288 Faillissementswet Pro moet verzoekster te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. Daarnaast moet zij aannemelijk maken dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zal nakomen.

Uit een verklaring van de behandelend psychiater blijkt dat de drugsverslaving van verzoekster sinds 15 maart 2026 onder controle is, maar zij had begin maart 2026 nog een uitglijder met cocaïnegebruik. De rechtbank acht de kans groot dat verzoekster de verplichtingen onvoldoende nakomt vanwege haar verslavingsproblematiek. Tevens is een schuld van €18.000 ontstaan door een ongeluk waarbij verzoekster zonder geldig rijbewijs reed, wat niet te goeder trouw is.

De hardheidsclausule biedt een mogelijkheid tot toelating ondanks het ontbreken van te goeder trouw, mits de oorzaak van de schulden onder controle is. De rechtbank oordeelt dat verzoekster onvoldoende heeft aangetoond dat haar situatie wezenlijk is verbeterd en dat de verslavingsproblematiek nog speelt.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en adviseert verzoekster een stabielere situatie af te wachten alvorens een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende stabiliteit en het ontbreken van te goeder trouw handelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie:
Groningen
zaaknummer: NL:TZ:2603333:R-RK
vonnis van 1 mei 2026
in de zaak van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoekster.

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoekster heeft op 11 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 23 april 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met haar schuldhulpverlener mevrouw [schuldhulpverlener] en haar beschermingsbewindvoerder de heer [beschermingsbewindvoerder] , beiden werkzaam bij de GKB Assen.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5
Op grond van artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Faillissementswet kan het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. Bij die toetsing spelen de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsanering (bijlage III bij het Procesreglement Verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken) een rol. Daarin is onder 7.3.2. het volgende bepaald:
Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van verslavingsproblematiek
Een verzoeker met verslavingsproblemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat de verslaving al enige tijd onder controle is, in die zin dat de verzoeker al enige tijd geen drugs of alcohol meer gebruikt en/of al enige tijd niet meer gokt.
De periode waarover de verslaving onder controle dient te zijn bedraagt in beginsel één jaar. Deze periode kan korter of langer zijn afhankelijk van, onder meer, de ernst en de duur van de verslaving.
Dat de verslaving onder controle is, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”
Het gaat er daarbij niet enkel om dat de schuldenaar de intentie heeft om de verplichtingen na te komen, maar ook of voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar daartoe in staat is. Er zal sprake moeten zijn van een stabiele situatie, zowel op financieel vlak als op fysiek/psychisch vlak. Als er onbehandelde psychische of verslavingsproblematiek speelt bestaat het risico dat de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling onvoldoende worden nagekomen.
In het geval van verzoekster lijkt - anders dan zij beweert - sprake te zijn van verslavingsproblemen die van nadelige invloed kunnen zijn op de nakoming van de verplichtingen die de wettelijke schuldsaneringsregeling meebrengt. Tot de stukken behoort een verklaring van 24 maart 2026 van de behandelend psychiater van verzoekster, waaruit blijkt dat de drugsverslaving van verzoekster sinds 15 maart 2026 onder controle is. Daarbij wordt aangegeven dat verzoekster begin maart 2026 nog een uitglijder heeft gehad waarbij zij cocaïne heeft gebruikt, hetgeen ter zitting ook door verzoekster wordt bevestigd. De rechtbank acht de kans te groot dat verzoekster de verplichtingen onvoldoende nakomt als zij op dit moment zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit kan leiden tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Hoewel verzoekster voor wat betreft de behandeling voor haar verslavingsproblematiek op de goede weg is, acht
de rechtbank onder deze omstandigheden een toelating van verzoekster op dit moment niet in het belang van de schuldeisers, noch in haar eigen belang. Het verdient de voorkeur een meer stabiele situatie af te wachten, en dan opnieuw een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling in te dienen. Het minnelijke traject hoeft dan niet te worden overgedaan. Het verzoek zal een toelichting moeten bevatten waaruit blijkt hoe de afgelopen periode is verlopen en of de situatie stabiel is.
2.6.
De rechtbank overweegt voorts dat verzoekster ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. Tot de schuldenlijst behoort een schuld aan Centraal Beheer van € 18.000,00. Deze schuld is ontstaan in juni 2024, toen verzoekster zonder geldig rijbewijs op een scooter reed en een ongeluk heeft veroorzaakt, waarna de verzekeringsmaatschappij niet tot uitkering overging.
2.7.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.8.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting niet voldoende gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”, te meer nu er nog steeds sprake is van verslavingsproblematiek.
2.1
Gezien het bovenstaande is ten aanzien van verzoekster niet voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub b en Pro sub c van de Faillissementswet. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

3.3. BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op
1 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.