Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2510

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/18/249129 / FT RK / 25/1112
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 288 FwArt. 3 lid 1 Verordening 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende transparantie en lopende bestuurdersactiviteiten

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord en toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord werd reeds afgewezen. Verzoeker handhaafde het verzoek tot toelating tot de Wsnp, dat op 9 april 2026 ter zitting is behandeld.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker een schuldenlast van ruim €410.000 heeft en momenteel bestuurder is van een beleggingsfonds. Ondanks pogingen is het niet gelukt een aparte bankrekening voor het fonds te openen, waardoor zakelijke opbrengsten op de privérekening van verzoeker zijn ontvangen. Op die rekening zijn twee forse bedragen ontvangen die bedoeld zijn voor doorbetaling aan investeerders.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek onvoldoende transparant is, mede doordat verzoeker nog steeds bestuurdersactiviteiten verricht en de privérekening als beheerrekening fungeert. De financiële situatie is daardoor niet stabiel genoeg om het verzoek toe te wijzen. De rechtbank wijst het verzoek af en stelt dat verzoeker eerst orde op zaken moet stellen alvorens een nieuw verzoek kan worden ingediend.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende transparantie en voortdurende bestuurdersactiviteiten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/249129 / FT RK / 25/1112

vonnis van 23 april 2026

in de zaak van:

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1944 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] .

PROCESGANG

[verzoeker] heeft op 14 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet en tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Bij vonnis van deze rechtbank van 22 december 2025 is het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord afgewezen.
Op 8 januari 2026 heeft [verzoeker] de rechtbank bericht zijn verzoek tot toelating tot de Wsnp te handhaven.
Het verzoekschrift tot toelating tot de Wsnp is behandeld ter zitting van 9 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met zijn buurman, de heer [naam] , en zijn schuldhulpverlener, de heer [schuldhulpverlener] van de Gemeentelijke Kredietbank.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de Wsnp slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
[verzoeker] heeft een schuldenlast van ruim € 410.000,00. Uit het verzoekschrift is verder gebleken dat [verzoeker] op dit moment beheerder is van een beleggingsfonds, te weten [bedrijf] B.V. In de eigen verklaring over het ontstaan van de schulden heeft [verzoeker] verklaard dat hij heeft geprobeerd om voor dit beleggingsfonds een aparte bankrekening te openen om de opbrengsten van de beleggingen te kunnen uitkeren aan de participanten. Omdat het bij verschillende banken niet is gelukt om hiervoor een bankrekening te openen heeft [verzoeker] de opbrengsten op zijn privérekening ontvangen. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde bankrekeningen is gebleken dat [verzoeker] op 25 juli 2025 op zijn privérekening twee bedragen van € 6.394,95 en € 11.510,92 heeft ontvangen.
[verzoeker] heeft op de zitting verklaard dat hij bestuurder is van het beleggingsfonds. Volgens [verzoeker] worden hieruit geen inkomsten verkregen, maar gaat het puur om een beleggingsdoel. Door wet- en regelgeving lukt het [verzoeker] niet om zich als bestuurder terug te trekken uit de oudste onderneming. De forse bedragen die op de rekening zijn ontvangen, zijn bedoeld om door te betalen aan de investeerders. Hoewel het volgens [verzoeker] niet de bedoeling is dat er meer opbrengsten op zijn privérekening worden ontvangen, kan dit niet volledig worden uitgesloten nu de banken weigeren om hiervoor een bankrekening te openen.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek op dit moment te veel vragen oproept om het te kunnen toewijzen. De rechtbank overweegt dat [verzoeker] tot op heden bestuurdersactiviteiten verricht. De rechtbank stelt vast dat de privérekening van [verzoeker] nu kennelijk als beheerrekening ter beschikking wordt gesteld, waarop in ieder geval twee forse bedragen zijn ontvangen, die daar nu al ruim 8 maanden geparkeerd staan. Gelet op de geldstromen die via de rekening van [verzoeker] plaatsvinden, de gestelde bijzonderheid dat [verzoeker] niet van zijn bestuurderstaken af kan en het feit dat niet bekend is welke risico’s de bestuurdersactiviteiten met zich meebrengen, vindt de rechtbank het verzoek niet transparant genoeg. De rechtbank kan daarmee niet vaststellen dat de financiële situatie van [verzoeker] wat dat betreft stabiel genoeg is. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen. [verzoeker] dient eerst orde op zaken te stellen, waarna het hem vrijstaat om een nieuw verzoek tot toelating tot de Wsnp in te dienen.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
23 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.