Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2499

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/18/26/1087 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FwArt. 349a FwArt. 350 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling zonder eerdere ingangsdatum na eerdere beëindiging

Verzoeker heeft op 28 november 2025 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek op 20 maart 2026, waarbij verzoeker en zijn adviseurs aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker in een situatie verkeert waarin hij niet meer kan betalen en dat het centrum van zijn belangen in Nederland ligt, waardoor zij bevoegd is de procedure te openen. Hoewel verzoeker eerder in 2024 was toegelaten tot de WSNP, werd die regeling tussentijds beëindigd wegens niet verschijnen op zittingen.

De rechtbank overweegt dat sinds de wetswijziging per 1 juli 2023 de tienjaarstermijn voor hernieuwde toelating is vervallen, waardoor een ruimhartiger herkansingsbeleid geldt. Gezien de omstandigheden, waaronder miscommunicatie met de bewindvoerder en recente schulden, acht de rechtbank verzoeker te goeder trouw in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.

De rechtbank wijst het verzoek toe, stelt de duur van de regeling vast op 18 maanden vanaf het vonnis en benoemt een rechter-commissaris. Er wordt geen eerdere ingangsdatum vastgesteld omdat verzoeker dit niet heeft verzocht en de stukken geen aanleiding geven tot afwijking.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voor een termijn van 18 maanden zonder eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/26/1087 R

vonnis van 3 april 2026

in de zaak van:

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.

PROCESGANG

Verzoeker heeft op 28 november 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 20 maart 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met de heer [medewerker van schuldhulpbedrijf] , en mevrouw [medewerker van beschermingsbewindvoerdersbedrijf]

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
Bij vonnis van 28 augustus 2024 is verzoeker toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De regeling is tussentijds beëindigd bij vonnis van 29 november 2024 op grond van artikel 350 lid 3 aanhef Pro onder c Fw. Verzoeker is destijds niet verschenen op het verhoor op 30 september 2024. Ook is verzoeker niet op de tussentijdse beëindigingszitting op 8 november 2024 verschenen.
De rechtbank overweegt dat ten tijde van de wijziging van enkele WSNP bepalingen in de faillissementswet per 1 juli 2023 (wetsvoorstel 35915) als één van de uitgangspunten heeft gegolden dat er ruimhartiger en radicaler herkansingsbeleid moest komen. Om deze reden is de zogenaamde tienjaarstermijn, die was vastgelegd in artikel 288, tweede lid, onder d, Fw en die de rechter verplichtte tot afwijzing van een verzoek tot toelating indien minder dan tien jaar voorafgaand aan dit verzoek de schuldsaneringsregeling van toepassing was geweest, uiteindelijk volledig komen te vervallen. Dit is gebeurd via amendement nr. 21. In de toelichting op dit amendement staat onder andere dat de indieners van mening zijn dat iedereen die te goeder trouw is in principe een tweede kans verdient.
De vraag is of ondanks het verloop van de eerdere schuldsaneringsregeling, aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Het verloop van de eerdere schuldsaneringsregeling staat hier in de gegeven omstandigheden niet aan in de weg. Ter zitting is duidelijk geworden dat het eerste contact met de destijds benoemde bewindvoerder zeer moeizaam is verlopen en dat miscommunicatie is ontstaan over de gang van zaken tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit staat aan het aannemen van goede trouw niet in de weg.
De zeer recent ontstane schulden bij Amazon en Bol.com staan evenmin aan het aannemen van goede trouw in de weg.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn;
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan verzoeker gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.