Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2493

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
18/363030-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereiding ontploffing en brandstichting met vuurwerkbommen

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing en/of het stichten van brand. Verdachte vervaardigde twee vuurwerkbommen bestaande uit zware vuurwerkstaven en brandbare vloeistof, die hij van Amsterdam naar Winschoten vervoerde en daar in een tas achterliet.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van verdachte, forensisch onderzoek en telefoonlocatiegegevens die de aanwezigheid van verdachte in Amsterdam en Winschoten bevestigen. Verdachte handelde in opdracht van een onbekende derde die hem instrueerde via Snapchat en een chauffeur regelde. De vuurwerkbommen waren geschikt om ernstige schade en gevaar te veroorzaken.

De verdediging voerde aan dat het misdadige doel onvoldoende concreet was vastgesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het doel om mensen bang te maken voldoende was en dat medeplegen wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder positieve ontwikkelingen en eerdere veroordelingen, en de overschrijding van de redelijke termijn. De opgelegde straf bestaat uit een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 60 uur, met een subsidiaire hechtenis van 30 dagen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen en een werkstraf van 60 uur voor medeplegen van voorbereiding van ontploffing en brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/363030-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1]
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat te Amsterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 11 september 2023 tot en met 14 september 2023 te Amsterdam/Winschoten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en/of brand te stichten waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (ex artikel 157 lid 1 en Pro 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk twee vuurwerk/brandstof-combinaties (te weten 4 Cobras met daaraan gewikkeld twee flessen met brandbare vloeistof en/of drie Cobras met daaraan gewikkeld een fles met brandbare vloeistof), kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij in of omstreeks de periode van 11 september 2023 tot en met 14 september 2023 te Amsterdam/Winschoten, althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee vuurwerk/brandstof-combinaties (te weten 4 Cobras met daaraan gewikkeld twee flessen met brandbare vloeistof en/of drie Cobras met daaraan gewikkeld een fles met brandbare vloeistof), zijnde telkens een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, heeft vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het niet bekend is waarom verdachte de vuurwerkbommen moest maken en wie daartoe de opdracht heeft gegeven. Er kan daarom niet met voldoende bepaaldheid vastgesteld worden welk misdadig doel verdachte en zijn eventuele medeverdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen hadden. Hoewel het nog niet hoeft te gaan om een naar tijd en plaats gespecificeerd misdrijf, moet er wel sprake zijn van een min of meer concreet strafbaar feit. Daar is in dit geval geen sprake van. Aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte de intentie had om een brand te stichten, kan niet tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde worden gekomen.
Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 15 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik kreeg een bericht van iemand met de vraag of ik twee vuurwerkbommen kon afleveren. Ik had nog vuurwerk over van oudjaarsavond. Bij de Action heb ik twee flessen met een brandbare vloeistof gehaald. Ik heb de vuurwerkbommen gemaakt en diezelfde avond ben ik naar Winschoten gegaan om ze af te leveren. Ik ben de volgende ochtend teruggereisd met de trein, waarbij ik van de NS nog een uitstel van betaling heb gekregen. Ik begrijp van u dat deze treinreis dan op 14 september 2023 is geweest. De vuurwerkbommen heb ik dan de dag ervoor op 13 september 2023 gemaakt. Ik wist dondersgoed wat deze mensen met de vuurwerkbommen zouden doen, namelijk mensen bang maken door ze af te steken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek zelfgebouwde brandbom/VBC d.d. 19 februari 2024, opgenomen op pagina 55 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023245795 (TGO Zomereik / NNRAB23002) d.d. 24 september 2024, inhoudende als relaas van verbalisant:
Op 14 september 2023 te 10:46 uur werden twee vuurwerk brandstof combinaties aangetroffen. De voorwerpen werden door de forensische opsporing in samenwerking met de Explosieven Opruiming Dienst Defensie ter plaatse onschadelijk gemaakt, bemonsterd en veiliggesteld.
Na onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut is gebleken dat de bemonsteringen van de in de plastic flessen aanwezige vloeistoffen “een ontbrandbare vloeistof” is. Het is een alcoholhoudend product. De vloeistofmonsters zijn kleurloos. Op basis van deze waarneming en de aangetoonde samenstelling gaat het vermoedelijk om brandspiritus of
bio-ethanol.
Op de aangeleverde foto's die ten tijde van het onderzoek van de voorwerpen zijn gemaakt is het volgende zichtbaar:
Het betreft twee separate voorwerpen. Het ene voorwerp was kennelijk opgebouwd uit twee plastic containers/flessen met daarin een transparante vloeistof en daaraan middels huishoudfolie bevestigd vier
(4) staven explosief vuurwerk. Het andere was kennelijk opgebouwd uit een plastic container/fles met daarin een transparante vloeistof en daaraan middels huishoudfolie bevestigd drie (3) staven explosief vuurwerk.De explosieve staven vuurwerk hebben de uiterlijke kenmerken van de mij ambtshalve bekende Super Cobra 6 vuurwerk. Dit vuurwerk valt onder de zware vuurwerk categorieën.
De betreffende voorwerpen zijn bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing.
Gezien de aangetroffen situatie en de opbouw van de betreffende voorwerpen waren deze kennelijk eigenhandig vervaardigd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2024, opgenomen op pagina 45 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Uit analyse van deze historische verkeersgegevens kwam naar voren dat de telefoon van de verdachte op 14 september 2023 te 00:13 uur verbinding had gemaakt met de telefoonmast staande aan het [adres 2] te Amsterdam. Uit verdere analyse kwam naar voren dat de telefoon zich op 14 september 2023 vervolgens verplaatst naar Noord-Nederland. Op 14 september 2023 te 02:28 uur maakt het telefoontoestel verbinding met de telefoonmast staande aan de [adres 3] te Winschoten. De telefoonmast staande aan de [adres 3] te Winschoten bevindt zich in de nabijheid van de [adres 4] te Winschoten alwaar de rugzak met vuurwerk en flessen Ethanol werd aangetroffen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 februari 2024, opgenomen op pagina 322 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb degene die me naar Winschoten heeft gestuurd toegevoegd op Snap. Hij heeft me uitgelegd wat ik moest doen. Die jongen had iemand geregeld die me zou ophalen met de auto.
Diegene heeft me opgehaald in de Bijlmer, me naar Winschoten gebracht en afgezet. Ik ben toen naar het adres gegaan waar ik het neer moest leggen. Die jongen had dat adres voor mij ingetoetst op mijn telefoon. Hij zei tegen mij dat wanneer ik daar was de tas in de bosjes moest zetten. Niet te opzichtig, maar wel zo dat iemand die ernaar zoekt het nog kan vinden. Ik moest er een foto van maken.
Er werd me 500,- aangeboden. Dat bedrag moest ik delen met degene die me naar Winschoten heeft gebracht.

Bewijsoverweging

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het primair ten laste gelegde feit is bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had.
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte twee vuurwerkbommen heeft gemaakt die zijn samengesteld uit flessen met een brandbare vloeistof met daaraan vastgemaakt zwaar explosief vuurwerk. Deze heeft hij vervolgens in opdracht van een onbekend gebleven derde vanaf zijn woning in Amsterdam vervoerd naar Winschoten, waar hij ze in een tas heeft achtergelaten.
Gelet op de aard en de constructie van de door de verdachte vervaardigde vuurwerkbommen, zijn deze naar uiterlijke verschijningsvorm zonder meer geschikt om een ontploffing of een brand teweeg te brengen. Verdachte heeft ten tijde van het vervaardigen en voorhanden hebben van de vuurwerkbommen ook dit misdadige doel voor ogen had. Niet alleen is het moeilijk voor te stellen dat vuurwerkbommen een ander doel dienen dan het teweegbrengen van een ontploffing of het stichten van een brand, maar verdachte heeft ook verklaard dat hij dondersgoed wist waarvoor de bommen bedoeld waren, namelijk om af te steken en daarmee mensen bang te maken. Dit misdadige doel behoeft, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, niet nader geconcretiseerd te worden.
Op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang gezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tezamen met (een) andere(n) schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De voor medeplegen nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader(s) volgt uit de verklaring van verdachte. Verdachte is door een derde via Snapchat geïnstrueerd twee vuurwerkbommen te vervaardigen en deze in Winschoten af te leveren. Deze derde heeft ook een chauffeur geregeld voor het vervoer van verdachte naar Winschoten. Of de derde en de chauffeur een en dezelfde persoon zijn, kan de rechtbank uit het dossier niet opmaken. Duidelijk is evenwel dat er een zekere onderlinge taakverdeling gold tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) en dat de materiële bijdrage van verdachte significant is geweest. Gelet daarop acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen.
Het primair ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 13 september 2023 tot en met 14 september 2023 te Amsterdam/Winschoten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen en/of brand te stichten waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (ex artikel 157 lid 1 en Pro 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk twee vuurwerk/brandstof-combinaties (te weten 4 Cobras met daaraan gewikkeld twee flessen met brandbare vloeistof en drie Cobras met daaraan gewikkeld een fles met brandbare vloeistof), kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft vervaardigd en voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair medeplegen van voorbereiding van een ontploffing teweegbrengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest, proeftijd 2 jaar, en een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met het overschrijden van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft op 13 september 2023 een tweetal vuurwerkbommen gemaakt en deze in de nacht van 13 op 14 september 2023 van Amsterdam naar Winschoten vervoerd. Deze vuurwerkbommen bestonden uit flessen met een brandbare vloeistof gecombineerd met meerdere stukken illegaal en explosief vuurwerk.
Deze vuurwerkbommen waren bedoeld en geschikt om forse schade aan te richten aan gebouwen, goederen en/of mensen. Dat er uiteindelijk niets is gebeurd, is te danken aan de oplettendheid van een toevallige voorbijganger en niet aan het handelen van verdachte. Verdachte heeft enkel oog gehad voor het geld wat hij zou ontvangen en heeft zich niet bekommerd om de bezittingen, de veiligheid en het leven van anderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, maar dat hij wel een aanzienlijke documentatie heeft. Bovendien was hij twee maanden voor onderhavig feit door de meervoudige kamer van de rechtbank in Amsterdam nog veroordeeld voor twee straatroven tot onder andere een deels voorwaardelijke jeugddetentie, hetgeen hem kennelijk er niet van weerhouden heeft direct nogmaals de fout in te gaan.
Uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 28 mei 2026 blijkt dat verdachte in augustus 2025 zijn toezicht en begeleiding positief heeft afgesloten. Hij had op dat moment werk, een woonplek en hulpverlening. Deze positieve ontwikkeling is ook te zien op de documentatie van verdachte, waarop geen strafbare feiten te zien zijn die zijn gepleegd na 2023. In het kader van onderhavige zaak heeft de Raad verdachte niet uitvoerig kunnen spraken en is het voor de Raad onduidelijk gebleven hoe het nu met verdachte gaat.
Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij een baan heeft bij de [werkgever] . Zijn teamleider heeft laten weten dat ze erg enthousiast zijn over hem. Verdachte woont bij [instelling] , een instelling voor beschermd en begeleid wonen. Hij woont daar samen met twee huisgenoten. Verdachte zou graag verder willen werken naar meer zelfstandigheid en is momenteel aan het zoeken naar een instantie die hem meer mogelijkheden biedt op dit vlak. Verdachte probeert elke week af te spreken met zijn ambulant begeleider, maar soms is dat lastig in combinatie met zijn werk. Hij ziet zijn begeleider minimaal twee keer per maand.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 lid 1 EVRM Pro het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin het jeugdstrafrecht van toepassing is, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen.
De rechtbank overweegt dat in deze zaak de redelijke termijn op 20 februari 2024 is aangevangen. Daarmee is de redelijke termijn met iets meer dan een jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Straf
De zaak van verdachte maakt onderdeel uit van het strafrechtelijk onderzoek Zomereik. In dit onderzoek heeft de rechtbank twee minderjarigen veroordeeld voor het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Winschoten door een Super Cobra 6 aan te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Zij hebben elk een jeugddetentie van 180 dagen waarvan in beide gevallen ongeveer 140 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 120 uur opgelegd gekregen. De rechtbank zal dit als uitgangspunt hanteren. Bij voorbereidingshandelingen is in beginsel een vermindering met de helft aangewezen.
De rechtbank vindt het in deze zaak niet opportuun om nog een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Daarnaast houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt en de overschrijding van de redelijke termijn.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de strafeis passend en geboden is. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een voorwaardelijke jeugddetentie van 60 dagen met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van het voorarrest en een werkstraf van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 46, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl, kinderrechter, en mr. T.R. Bosker, rechter, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.