Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2482

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604699:R-RK
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord wegens onredelijke weigering schuldeiser

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 21 april 2026 het verzoek van een schuldenaar om een dwangakkoord op te leggen aan een schuldeiser die niet instemde met een schuldregeling. De schuldenaar had een voorstel gedaan waarbij een deel van de schulden werd voldaan en het resterende deel werd kwijtgescholden, ondersteund door een schuldhulpverlener van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). De schuldeiser reageerde niet op het voorstel en verscheen niet op de zitting.

De rechtbank stelde vast dat de totale schuldenlast €17.305,61 bedroeg, verdeeld over 12 schuldeisers, en dat het voorstel een uitkering van 5,08% aan gewone schuldeisers en 10,12% aan preferente schuldeisers bood. De schuldenaar ontving een uitkering op grond van de Participatiewet en was vrijgesteld van sollicitatieplicht tot november 2027 wegens lichamelijke en psychische klachten, waardoor geen afloscapaciteit aanwezig was.

De rechtbank oordeelde dat het voorstel door de GKB als bevoegde instantie was getoetst en als maximaal haalbaar en betrouwbaar werd beschouwd. Omdat de schuldeisers die instemden ruim 96% van de schuldenlast vertegenwoordigden en de weigering van de schuldeiser onredelijk was, werd het dwangakkoord toegewezen. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) werd als ingetrokken beschouwd omdat het dwangakkoord werd toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank legt een dwangakkoord op en beveelt de schuldeiser in te stemmen met de schuldregeling omdat het voorstel maximaal haalbaar is en de weigering onredelijk.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Rekestnummer: NL:TZ:2604699:R-RK
Vonnis van 21 april 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
tegen
[verweerster],
gevestigd te [adres] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
tot het bevelen van voornoemde schuldeiser(s) in te stemmen met een schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 24 februari 2026 twee verzoeken bij de rechtbank ingediend. In de eerste plaats wil [verzoeker] dat de rechtbank [verweerster] een dwangakkoord oplegt. [verweerster] moet dan meewerken aan de schuldregeling van [verzoeker] . Als de rechtbank dit verzoek afwijst, wil [verzoeker] worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
1.2.
Het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord is behandeld op de zitting van
9 april 2026. Hierbij zijn verschenen [verzoeker] samen met de heer [schuldhulpverlener] van de Gemeentelijke Kredietbank (hierna te noemen: de schuldhulpverlener). Hoewel daartoe deugdelijk te zijn opgeroepen is er niemand namens [verweerster] op de zitting verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van [verzoeker] is
€ 17.305,61. [verzoeker] heeft 12 schuldeisers. [verzoeker] heeft met behulp van zijn schuldhulpverlener een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers waarbij een deel van de schulden wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. Verzoeker heeft hiervoor een bedrag van € 900,00 gespaard dat aan zijn schuldeisers is aangeboden. De gewone schuldeisers krijgen een uitkering van 5,08% en de schuldeisers met voorrang krijgen een uitkering van 10,12%. Het voorstel is gebaseerd op een prognoseakkoord.
2.2.
[verweerster] heeft niet op het voorstel van verzoeker gereageerd. In totaal vordert [verweerster] € 652,39 van [verzoeker] . Dat is 3,76% van de totale schuldenlast.
2.3.
[verzoeker] ontvangt op dit moment een uitkering op grond van de Participatiewet. Wegens lichamelijke en psychische omstandigheden is [verzoeker] door de gemeente vrijgesteld van de sollicitatieplicht tot en met november 2027. Op basis van de huidige inkomenssituatie heeft [verzoeker] geen afloscapaciteit. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde vergelijkingstool volgt dat de schuldeisers geen uitkering zullen ontvangen wanneer [verzoeker] zal worden toegelaten tot de Wsnp, omdat de kosten die aan die regeling verbonden zijn veel hoger zijn dan de kosten van de minnelijke regeling.

3.Het verweer

3.1.
[verweerster] heeft niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om mondeling of schriftelijk verweer te voeren.

4.De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord.

4.1.
De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen toe. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
Beoordelingskader
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en schuldenaar tegen elkaar afwegen.
De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling waarbij de schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser gedwongen worden om akkoord te gaan met zo'n betalingsvoorstel. Het is dan aan de schuldenaar om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeiser om in te stemmen met het akkoord niet redelijk is.
Bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door de GKB. De GKB heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen maar een Wsnp zou worden uitgesproken. De GKB is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel goed en betrouwbaar uitgelegd met documenten en voldoende onderbouwd.
Maximaal haalbare?
4.4.
Het voorstel van [verzoeker] is het maximaal haalbare. [verzoeker] is door de gemeente vrijgesteld van de sollicitatieplicht tot en met november 2027 wegens lichamelijke en psychische klachten. [verzoeker] heeft deze klachten op de zitting nader toegelicht. Verder heeft [verzoeker] in 2020 voor het laatst gewerkt. De rechtbank verwacht daarom niet dat er binnen nu en 18 maanden grote wijzigingen in het inkomen zullen plaatsvinden. Mocht dat wel het geval zijn, dan wordt met die wijzigingen rekening gehouden in het voordeel van de schuldeisers, omdat [verzoeker] een prognoseakkoord aan zijn schuldeisers heeft aangeboden.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.5.
De schuldeisers die wel met het voorstel van [verzoeker] hebben ingestemd, vertegenwoordigen samen ruim 96% van de totale schuldenlast. Omdat [verzoeker] een maximaal haalbaar voorstel heeft gedaan, moeten de belangen van deze schuldeisers zwaarder wegen dat de belangen van verweerders omdat zij een groter percentage in de totale schuldenlast vertegenwoordigen.
Deze regeling is gunstiger dan de Wsnp
4.6.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat als [verzoeker] zou worden toegelaten tot de Wsnp, zijn schuldeisers aan het einde van de Wsnp geen hogere uitkering kunnen verwachten dan in de aangeboden schuldregeling. De Wsnp leidt tot hogere kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. De bemiddelingskosten die de GKB in rekening brengt zijn lager dan de kosten van een bewindvoerder in de Wsnp. Hierdoor blijft in de schuldregeling een hoger bedrag over voor de schuldeisers dan in de Wsnp.
4.7.
Omdat het aanbod van [verzoeker] goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, de Wsnp aan [verweerster] geen beter vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling en de overige schuldeisers met het voorstel hebben ingestemd, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van [verweerster] om akkoord te gaan niet redelijk is. Op basis van de belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal toewijzen.
4.8.
Omdat het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, hoeft het verzoek tot toelating tot de Wsnp niet meer besproken te worden. De rechtbank beschouwt het verzoek tot toelating tot de Wsnp als ingetrokken.

5.De beslissing

- beveelt [verweerster] in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.
Dit is een beslissing van mr. H.J. Idzenga, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.