AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling wegens veroorzaken dodelijk verkeersongeval door afleiding telefoon
Op 4 november 2024 veroorzaakte verdachte een verkeersongeval op de A28 nabij Assen waarbij het slachtoffer overleed. Verdachte reed met een snelheid van circa 105 km/u en botste zonder te remmen tegen een stilstaande auto met alarmverlichting. Uit forensisch onderzoek en telefoondata blijkt dat verdachte tijdens het rijden handelingen aan haar telefoon verrichtte, waardoor zij het stilstaande voertuig niet opmerkte.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte heeft schuld aan het ongeval en de dodelijke afloop. De verdediging voerde aan dat slechts een korte afleiding bestond, maar dit werd verworpen op basis van het bewijs.
De rechtbank legt een taakstraf van 240 uur op en een rijontzegging van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Er wordt geen gevangenisstraf opgelegd gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar rol als kostwinner en het feit dat zij geen eerdere strafbare feiten heeft.
De uitspraak benadrukt de ernst van het feit en het grote verdriet van de nabestaanden, maar ook dat verdachte het ongeval niet heeft gewild. De straf is passend geacht gezien de omstandigheden en de impact op het gezin van verdachte.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en 12 maanden rijontzegging wegens veroorzaken dodelijk verkeersongeval door afleiding telefoon.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-239069-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Koops, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 4 november 2024 te Assen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A28, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op een overzichtelijke weg,
tijdens het rijden handelingen te verrichten aan haar telefoon, althans haar aandacht onvoldoende gericht te houden op het vóór haar gelegen weggedeelte van die weg,
het stilstaande voertuig van [slachtoffer] , ondanks zijn alarmverlichting, (kennelijk) niet op te merken,
haar snelheid niet (voldoende) aan te passen aan de situatie ter plaatse, althans te rijden met een snelheid die zo hoog was dat zij niet in staat is gebleken om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
niet uit te wijken, als gevolg waarvan zij tegen het voertuig van die [slachtoffer] is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 4 november 2024 te Assen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A28, op een overzichtelijke weg,
tijdens het rijden handelingen aan haar telefoon heeft verricht, althans haar aandacht onvoldoende gericht heeft gehouden op het vóór haar gelegen weggedeelte van die weg,
het stilstaande voertuig van [slachtoffer] , ondanks zijn alarmverlichting, (kennelijk) niet heeft opgemerkt,
haar snelheid niet (voldoende) heeft aangepast aan de situatie ter plaatse, althans niet tijdig heeft afgeremd en haar motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht, en/of
niet is uitgeweken, als gevolg waarvan zij tegen het voertuig van die [slachtoffer] is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, waarbij zij de mate van schuld heeft gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en onoplettend.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De raadsman gaat uit van de lezing dat verdachte kort voor het ongeval per abuis op haar telefoon Facebook
heeft geopend in plaats van Flitsmeister. Dit is de enige verkeersfout die verdachte verweten kan worden. Er kan niet vastgesteld worden op welk moment verdachte de stilstaande auto daadwerkelijk heeft kunnen zien. Het enkel openen van Flitsmeister tijdens het rijden levert geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid op, zodat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek verkeer d.d. 3 juli 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025116765, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant]:
1.2
Aanleiding onderzoek
Op maandag 4 november 2024 omstreeks 08.36 uur, had op de A28 ter hoogte van hectometerpaal
178.4 links, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Assen in de gemeente Assen het verkeersongeval plaatsgevonden.
1.5
Betrokkenen
Voertuig 1
Soort voertuig: Personenauto Fabrieksmerk: Volvo
Type: XC60 Kenteken: [kenteken 1]
Voertuig 2
Soort voertuig: Daihatsu Fabrieksmerk: Daihatsu Type: Sirion 2
Kenteken: [kenteken 2]
2.1
Wegsituatie
Wij zagen dat de A28 ter hoogte van hectometerpaal 178.4 bestond uit twee rijbanen. Het ongeval had plaatsgevonden op de linker rijbaan. Wij zagen dat de linker rijbaan bestond uit twee rijstroken en één invoegstrook.
2.2
Verkeersmaatregelen
Wij zagen het volgende:
- de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 100 km/u als gevolg van artikel 62 joPro. Verkeersbord Al van bijlage 1 van het RVV 1990.
2.7
Veiligstellen videobeelden
Door collegas is een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van camera's aan voertuigen die de plaats van het verkeersongeval of de betrokken voertuigen (mogelijk) hadden vastgelegd. Op deze beelden is te zien dat de bij het ongeval betrokken Daihatsu stilstaat op rijstrook 2. Tevens is te zien dat het voertuig de alarmverlichting aan heeft.
4 Forensisch voertuigenonderzoek
De pre-crash data geeft weer dat de Volvo met een constante snelheid van 105 km/u reed tot op het moment van botsen (deze snelheid moet als indicatief worden beschouwd). Het gaspedaal werd in de vijf seconden voor de botsing niet bediend, hierdoor is het vrijwel zeker dat de Volvo reed met ingeschakelde cruise-control. De pre-crash data geeft verder weer dat er in de vijf seconden voor de botsing geen bediening van het rempedaal werd geregistreerd en dat het stuurwiel niet werd verdraaid.
7.1
Oorzaak, toedracht en gevolgen
De bestuurder van de Daihatsu reed met zijn voertuig over de A28, komende uit de richting van Groningen en gaande in de richting van Hoogeveen. Op enig moment kreeg de bestuurder van de Daihatsu vrijwel zeker pech met zijn voertuig. Hij kwam (ter hoogte van hectometerpaal 178,4) op rijstrook 2 met zijn voertuig stil te staan. De bestuurster van de Volvo reed met haar voertuig ook over de A28, komende uit de richting van Groningen en gaande in de richting van Hoogeveen. Ter hoogte van hectometerpaal 178,4 botste zij met de voorzijde van haar voertuig tegen de linker achterzijde van de Daihatsu. Ten gevolge van het ongeval raakte de bestuurder van de Daihatsu zwaargewond. Hij overleed op de plaats van het ongeval aan zijn verwondingen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2024, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Vervolgens vroeg ik haar wat er was gebeurd. Even later zei ze dat ze iets in haar auto had laten vallen en toen ze dit wilde oppakken en opkeek alles heel snel ging en vervolgens achter op de auto was geknald. Hierna heb ik haar gegevens gecontroleerd en ik zag dat het om [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] )ging.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 november 2024, opgenomen op pagina 91 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Ik ben vervolgens in de ambulance gestapt waar bestuurster van de Volvo zat. Ik vroeg haar of zij bestuurster en tenaamgestelde was van de Volvo Xc60. Ik hoorde haar dit
bevestigen. Ik heb haar vervolgens verteld dat haar telefoon mogelijk in beslag genomen gaat worden in verband met het onderzoek. Ik hoorde mevrouw vervolgens het volgende zeggen: Ik wilde de telefoon alleen maar even pakken, deze was gevallen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2025, opgenomen op pagina 121 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Ik deed onderzoek naar de data afkomstig uit de mobiele telefoon van verdachte [verdachte] . Ik zag dat er op 4 november 2024:
om 08:19:19 uur via bluetooth verbinding werd gemaakt met een device genaamd 'My Volvo Car'.
om 08:19:33 uur via WhatsApp een bericht werd verzonden door [verdachte] (owner).
om 08:26:07 de inbox van de e-mail werd geactiveerd en bezocht.
om 08:27:24 uur werd de website [website] bezocht.
om 08:27:38 uur een uitgaande oproep naar ' [contact] '. Ik zag dat het uitgaande telefoongesprek een duur had van 1 minuut en 34 seconden.
om 08:30:06 uur werd de telefoon aangesloten aan een oplader.
om 08:31:21 uur kwam er een inkomende oproep binnen van contactpersoon ' [naam] '. Deze inkomende oproep duurde 29 seconden.
om 08:35:04 uur gedurende een seconde enkele malen werd geregistreerd dat er een oplader werd aangesloten.
om 08:35:10 uur de bluetooth verbinding tussen de mobiele telefoon en My Volvo Car werd verbroken.
om 08:35:59 uur een uitgaande oproep naar 112 werd gedaan.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juli 2025, opgenomen op pagina 124 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:
Ik reed op de autosnelweg A28, linker rijbaan, ter hoogte van hectometer 178.6. Deze locatie is bij benadering gelijk aan de plaats van het verkeersongeval. Hieruit concludeer ik het
volgende:
De bestuurder van de Volvo kon ongeveer 20 seconden zicht hebben gehad tot de plaats van het verkeersongeval vanaf het moment dat de linker rijbaan weer goed zichtbaar werd na hectometer 179.2.
Dat het zicht voor de bestuurder van de Volvo op de stilstaande Daihatsu op de rijbaan beperkt kon zijn geweest door verkeer dat voor haar heeft gereden. Dit zou echter wel een verstoring in het 'normale' verkeersbeeld moeten hebben gegeven, aangezien er voor haar geen ander voertuig in botsing was geweest met de stilstaande Daihatsu en hier wel omheen hebben moeten rijden.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 november 2024, opgenomen op pagina 133 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige]:
V: Wat kunt u vertellen over het verkeersongeval op de A28 van vorige week maandag?
A: Een collega van mij vertelde ineens dat er een auto stil stond op de snelweg. Deze auto stond stil op de rijbaan en niet op de vluchtstrook of de invoegstrook. Gelukkig gingen er veel auto's omheen die ook de alarmverlichting aan hadden gezet. Nadat er een aantal auto's de stilstaande auto waren gepasseerd zag ik dat er een grote auto aan kwam rijden en tegen de stilstaande auto botste. Daarna zag ik dat de beide auto's in de sloot naast de rijbaan belandden.
V: Hoe ging het passeren van het overige verkeer ten opzichte van de stilstaande auto?
A: De meesten verminderden de snelheid. Dat viel me wel op. Gelukkig maakten een aantal gebruik van de alarmverlichting. Ik zag dat er verschillende auto's zowel via de linker-alsmede de rechterzijde van het stilstaande voertuig passeerden.
Bewijsoverweging
Feitenvaststelling
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte reed in de ochtend van 4 november 2024 in een Volvo over de A28 in de richting van Hoogeveen. De weg is verdeeld in twee rijstroken en een invoegstrook. Het slachtoffer is op enig moment met zijn auto stil komen te staan op de rechter rijstrook van deze weg. Daarbij heeft het slachtoffer zijn alarmverlichting aangezet. Verdachte is kort daarna met een snelheid van ongeveer 105 kilometer per uur op de achterzijde van de auto van het slachtoffer gebotst. Als gevolg van de botsing zijn beide autos in de greppel naast de rijbaan beland. Het slachtoffer overleed ter plekke aan zijn verwondingen.
Kort na het ongeval heeft verdachte aan verbalisant [verbalisant] verklaard dat zij iets in haar auto had laten vallen en toen ze dit wilde oppakken achter op de auto was geknald. Verbalisant [verbalisant] heeft verdachte horen zeggen dat zij de telefoon alleen maar wilde pakken, omdat deze was gevallen. Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt dat enkele momenten voor het ongeluk is geregistreerd dat een oplader werd aangesloten. Daarnaast concludeert de rechtbank uit datzelfde onderzoek dat vanaf het moment dat verdachte aan haar rit begon, zij meerdere handelingen op haar telefoon heeft verricht. Zo heeft zij haar mailbox geopend en de website van haar huisarts bezocht om een telefoonnummer op te zoeken. Verdachte heeft gebeld met haar huisarts en een inkomende oproep van een collega beantwoord. Daaruit ontstaat het beeld dat verdachte tijdens de rit tot aan de botsing met haar telefoon bezig was.
Dat beeld vindt bevestiging in de verklaring van verdachte ter zitting dat zij ter plaatse geen uitwijkende autos heeft gezien, haar geen alarmlichten zijn opgevallen en dat zij het stilstaande voertuig niet heeft waargenomen. Getuige [getuige] die zicht had op de snelweg vanaf haar werkplek heeft juist verklaard dat zij zag dat meerdere voertuigen het stilstaande voertuig passeerden en hun alarmverlichting aan hadden gezet. Daar komt bij dat uit het forensisch onderzoek naar de auto van verdachte is gebleken dat er in de vijf seconden voor de botsing geen bediening van het rempedaal werd geregistreerd en het stuurwiel niet werd verdraaid. Het gegeven dat verdachte de stilstaande auto niet heeft gezien en evenmin het door de stilstaande auto veroorzaakte onrustige verkeersbeeld heeft waargenomen, terwijl zij ongeveer 20 seconden goed zicht op de situatie moet hebben gehad, en zij ook vlak voor de botsing in het geheel niet heeft geremd of een stuurbeweging heeft gemaakt, brengt de rechtbank tot het oordeel dat zij voorafgaand aan de botsing afgeleid was door haar telefoon.
De rechtbank acht het gelet op het voorgaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tijdens het rijden handelingen verrichtte aan haar telefoon en dat zij daardoor het stilstaande voertuig van het slachtoffer niet heeft opgemerkt, waardoor zij haar snelheid niet heeft aangepast en niet is uitgeweken. Als gevolg hiervan is zij in botsing met de auto van het slachtoffer gekomen waardoor het slachtoffer is komen te overlijden.
Schuld in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994
Schuld in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) houdt in dat sprake is van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van een dergelijke schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
Zeer onoplettend
Hoewel de rechtbank begrijpt dat het stilstaande voertuig op de snelweg een verkeersgevaarlijke situatie heeft doen ontstaan, mag van verkeersdeelnemers worden verwacht dat zij hierop anticiperen. Een stilstaand voertuig op de rijbaan wijkt in die zin niet af van een andere gevaarlijke en onverwachte situatie zoals een voorwerp op de weg of een ongeval waarop verkeersdeelnemers worden geacht te kunnen anticiperen. Deelname aan het verkeer vereist een voortdurende oplettendheid en aanpassing aan onvoorziene omstandigheden. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de blik en aandacht van verdachte gedurende enige tijd niet op de weg gericht zijn geweest. Verdachte heeft vanaf het moment dat zij aan haar rit begon meerdere handelingen verricht op haar telefoon. Over de duur van de onoplettendheid staat vast dat de stilstaande auto van het slachtoffer voldoende tijdig zichtbaar was voor andere verkeersdeelnemers om op te kunnen reageren. Ook verdachte had de auto van het slachtoffer kunnen en moeten zien. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte (aanzienlijk) langer dan slechts een kort moment onoplettend is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde gedragingen van verdachte, naar hun aard en ernst en onder de omstandigheden waarin deze zijn begaan, zodanig zijn dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVWPro 1994.
Conclusie
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
zij op 4 november 2024 te Assen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A28, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, op een overzichtelijke weg,
tijdens het rijden handelingen te verrichten aan haar telefoon,
het stilstaande voertuig van [slachtoffer] , ondanks zijn alarmverlichting, niet op te merken,
haar snelheid niet aan te passen aan de situatie ter plaatse, en
niet uit te wijken, als gevolg waarvan zij tegen het voertuig van die [slachtoffer] is gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primairovertreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ` ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor het achterwege laten van een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering van 26 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop. Zij heeft haar blik en aandacht onvoldoende bij het verkeer gehad, doordat zij was afgeleid door haar telefoon. Verdachte is zonder te remmen in volle vaart tegen de auto van het slachtoffer gereden.
Daarmee heeft zij de verkeersveiligheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het is duidelijk dat verdachte het ongeval en de gevolgen voor het slachtoffer en de nabestaanden nooit heeft gewild. Ter terechtzitting is gebleken dat de impact die het verkeersongeval op het leven van de nabestaanden heeft, verdachte niet onberoerd laat.
Het overlijden van het slachtoffer heeft in het leven van de nabestaanden een groot gat achter gelaten. Dat immense verdriet blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring van de zoon van het slachtoffer, die ook namens zijn moeder, broertje en zusje het woord deed. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele strafoplegging het verdriet en het gemis van de nabestaanden kan compenseren.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte haar leven op orde heeft, maar ook dat zij deze gebeurtenis nog niet heeft verwerkt. De kans op herhaling wordt ingeschat als laag en de reclassering heeft een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd omdat interventies of toezicht niet nodig zijn. Het opleggen van een gevangenisstraf zou volgens de reclassering niet wenselijk zijn omdat verdachte drie jonge kinderen heeft en kostwinner is. Verder volgt uit het strafblad van verdachte dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
De straf
De rechtbank acht alles afwegende oplegging van een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden. De rechtbank kiest ervoor een deel van de rijontzegging voorwaardelijk op te leggen, omdat een (langdurige) ontzegging van de rijbevoegdheid een grote invloed zal hebben op haar gezinssituatie. Verdachte is kostwinner van het gezin en heeft haar rijbewijs dagelijks nodig voor haar werk, waarvoor zij meer dan 700 kilometer per week moet rijden. Bovendien is er sprake van tijdsverloop tussen het ongeval en de terechtzitting. Verdachte heeft na het ongeval bewust direct weer deelgenomen aan het verkeer om te voorkomen dat zij angst voor het rijden zou ontwikkelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden.
Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Kielman, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.
Mr. H.H. Kielman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.