Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2418

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
11905454 / CV EXPL 25-6076
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Afdeling 6.5.3 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden leiden tot afwijzing rente en incassokosten

In deze civiele procedure vordert Sportcentrum 't Rond B.V. betaling van een hoofdsom en bijkomende kosten van de gedaagde partij, die niet is verschenen. In een tussenvonnis oordeelde de kantonrechter dat het rentebeding en het beding over buitengerechtelijke incassokosten in de algemene voorwaarden oneerlijk zijn volgens afdeling 6.5.3 BW en Richtlijn 93/13/EEG.

De eisende partij betwist dit en stelt dat zij niet meer vordert dan wettelijk is toegestaan, waardoor er geen sprake is van een oneerlijk beding. De kantonrechter overweegt echter dat het niet gaat om het daadwerkelijke gebruik van de bedingen, maar om de mogelijkheid dat deze leiden tot hogere kosten dan wettelijk toegestaan, wat het evenwicht ten nadele van de consument verstoort.

Daarom worden deze bedingen buiten toepassing gelaten en worden de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen. De kantonrechter wijst de hoofdsom van € 68,95 toe en veroordeelt de gedaagde in de proceskosten. Het vonnis is verstek gewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de hoofdsom toe, verklaart de rentebeding- en incassokostenbedingen oneerlijk en wijst deze kosten af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11905454 CV EXPL 25-6076
Verstekvonnis van 26 mei 2026
in de zaak van
Sportcentrum 't Rond B.V.,
te Winschoten,
eisende partij,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders- & Incassokantoor Winschoten (GIW),
kenmerk gemachtigde: 20250665,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet in het geding verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • het tussenvonnis
  • de akte van de eisende partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 23 december 2025 heeft de kantonrechter voorshands geoordeeld dat het rentebeding en het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten oneerlijk zijn in de zin van afdeling 6.5.3 BW en Richtlijn 93/13/EEG.
De eisende partij is het daar niet mee eens en voert verweer.
2.2.
De eisende partij voert zowel ten aanzien van het rentebeding als ten aanzien van het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten aan dat zij niet meer vordert dan wettelijk is toegestaan.
Van een verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument is dan ook geen sprake, aldus de eisende partij.
2.3.
Dit verweer kan de eisende partij echter niet baten. Voor de beoordeling van de (on)eerlijkheid van bedingen in de algemene voorwaarden is niet van belang of de eisende partij daadwerkelijk gebruik maakt van een bepaling in de algemene voorwaarden. Waar het om gaat, is hoe de bepaling kan uitpakken, beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst. Nu de eisende partij met het rentebeding en het beding met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten de mogelijkheid heeft gecreëerd om de gedaagde partij met hogere kosten te belasten dan wettelijk is toegestaan, is wel degelijk sprake van een verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument.
2.4.
De kantonrechter blijft daarom bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Voornoemde bedingen zijn oneerlijk en worden buiten toepassing gelaten. Dit betekent dat de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
2.5.
Het gevorderde komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat aan hoofdsom een bedrag van € 68,95 zal worden toegewezen.
2.6.
De gedaagde partij zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij te betalen € 68,95 aan hoofdsom;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten), tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op: dagvaarding € 120,21, griffierecht
€ 135,00, salaris gemachtigde € 43,00 en nakosten € 21,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.
verklaart dit vonnis - tot zover - uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
typ: 708
coll: