Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2409

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
18.355201.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 300 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en veroordeling mishandeling zonder strafoplegging wegens langdurige voorlopige hechtenis

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 19 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging doodslag en mishandeling. Verdachte werd beschuldigd van het steken van een slachtoffer met een mes op 9 oktober 2024 en het mishandelen van een ander slachtoffer op 22 februari 2024.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging doodslag omdat het bewijs, met name de herkenning op camerabeelden, onvoldoende betrouwbaar was. De beelden waren onscherp en toonden geen onderscheidende persoonskenmerken, en de herkenning door een verbalisant vond onder omstandigheden plaats die de betrouwbaarheid ondermijnden. Ook andere bewijsmiddelen boden geen overtuigend bewijs van daderschap.

Voor de mishandeling op 22 februari 2024 werd verdachte wel schuldig bevonden, mede omdat hij dit feit had bekend. Gezien de ernst van het feit en de relationele context zou normaal gesproken een straf volgen, maar de rechtbank legde geen straf op omdat verdachte reeds 508 dagen in voorlopige hechtenis had doorgebracht voor de poging doodslag waarvan hij werd vrijgesproken.

De vorderingen tot schadevergoeding van het eerste slachtoffer werden niet-ontvankelijk verklaard, terwijl de vordering van het tweede slachtoffer werd toegewezen voor een bedrag van €683,67 plus wettelijke rente. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat, met een gijzelingsmogelijkheid bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging doodslag en veroordeeld voor mishandeling zonder strafoplegging vanwege langdurige voorlopige hechtenis.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.355201.24
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 03.063375.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , ten tijde van de zitting gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 05 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18.355201.24
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de borst, althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te Groningen aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • een doorboord hartzakje met het daartoe behorende vetweefsel, en/of
  • een aan twee zijden geperforeerd rechter ventrikel van het hart,
heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] met een mes in de borst, althans het (boven)lichaam, te steken;
Parketnummer 03.063375.24
hij op of omstreeks 22 februari 2024 te Beek, in de gemeente Beek, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar meermalen te slaan en/of uit een auto te trekken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Voor wat betreft de poging doodslag (parketnummer 18.355201.24) heeft de officier van justitie aangevoerd dat het bewijs voor het daderschap van verdachte volgt uit de camerabeelden en het feit dat verdachte door een verbalisant op die beelden is herkend. De verbalisant heeft gedetailleerd omschreven dat verdachte wordt herkend aan zijn persoonskenmerken en zijn fiets. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de steker [bijnaam 1] betreft en dat dat de bijnaam van verdachte betreft. Verder heeft aangever zelf fotos van de persoon die hem heeft gestoken naar de politie gestuurd en op die fotos wordt verdachte ook herkend. De officier van justitie heeft tenslotte opgemerkt dat het door verdachte aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig is en geen steun vindt in het dossier.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de poging doodslag wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het signalement, zoals blijkt uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , niet past bij verdachte. Ten aanzien van de herkenning op camerabeelden heeft de raadsman aangevoerd dat verbalisanten niets zeggen over de herkenbaarheid van verdachte op de beelden van het incident. Er wordt enkel iets gezegd over de kleding van verdachte en zijn fiets, maar niet over gelaatskenmerken. Ook op de beelden van vlak
voor en na het incident is verdachte niet ondubbelzinnig te herkennen. Bovendien, ook als verdachte wel op die beelden zou staan, zegt dat niets over zijn betrokkenheid bij het feit. Hij woont en verblijft immers in de binnenstad van [plaats] . Namens verdachte is ten slotte een alternatief scenario aangevoerd dat niet hij, maar een ander (Afrika) aangever heeft gestoken. Volgens de raadsman past dit scenario bij de verklaring van getuige [getuige 2] .
Voor wat betreft de mishandeling (parketnummer 03.063375.24) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank Parketnummer 18.355201.24Vrijspraak
De rechtbank acht het feit zoals ten laste gelegd onder parketnummer 18.355201.24 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Op basis van de aangifte en het GGD-verslag kan worden vastgesteld dat aangever op 9 oktober 2024 met een mes in zijn borst is gestoken. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of uit het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs volgt dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken.
De rechtbank stelt vast dat het belangrijkste bewijsmiddel voor de betrokkenheid van verdachte in deze zaak de herkenning van verdachte op camerabeelden door één verbalisant betreft.
Bij het beoordelen van dit bewijsmiddel stelt de rechtbank voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer indien deze herkenningen het enige of voornaamste bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het ten laste gelegde feit kunnen aantonen.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van (camera)afbeeldingen is allereerst van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die afbeeldingen. Ten tweede is van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de camerabeelden van een camera in [straatnaam] . Het incident is niet op de beelden te zien, maar aangever en de verdachte (een man op een fiets) wel. De rechtbank stelt vast dat deze camerabeelden niet scherp en niet in kleur zijn, waardoor er geen onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Dat er geen duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn, blijkt ook uit de beschrijving van de camerabeelden door de politie1. Afgezien van het feit dat de verdachte kennelijk een normaal postuur had, worden verder enkel kenmerken van zijn kleding en zijn fiets beschreven. De rechtbank vindt deze beelden van [straatnaam] niet van voldoende kwaliteit om daarop iemand te kunnen herkennen.
De officier van justitie heeft gewezen op een proces-verbaal van herkenning van verbalisant [verbalisant] . Uit dit proces-verbaal volgt dat verbalisant [verbalisant] verdachte een dag na het incident, op 10 oktober
2024,
meendete herkennen op de beelden. Een dag later, op 11 oktober 2024, had de verbalisant contact met verdachte en daardoor concludeerde de verbalisant dat verdachte zoveel gelijkenissen vertoonde met de verdachte op de beelden, dat het wel dezelfde persoon moest zijn. Zoals hiervoor al overwogen acht de rechtbank de beelden van onvoldoende kwaliteit om iemand op te herkennen. Daarbij komt dat de wijze waarop de herkenning plaatsvond noopt tot grote behoedzaamheid. Bij het zien van de beelden was verbalisant [verbalisant] kennelijk nog niet helemaal zeker van de herkenning. Die zekerheid kwam pas een dag later, na het zien van verdachte. Deze wijze van herkennen brengt het risico met zich mee dat de verbalisant mogelijk (onbewust) het eerdere vermoeden wilde bevestigen.
De rechtbank concludeert dat zij niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat de persoon op de camerabeelden van [straatnaam] verdachte betreft.
Het dossier bevat verder nog een beschrijving van camerabeelden in het centrum van Groningen van 10 minuten voor en 10 minuten na het incident waarop een man op een fiets te zien is. De camerabeelden zelf maken geen onderdeel uit van het dossier. De rechtbank overweegt allereerst dat, gelet op de onduidelijke beelden van [straatnaam] , niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de man op de fiets dezelfde persoon is als degene die betrokken is geweest bij het steekincident. Daarnaast kan de rechtbank ook op basis van deze (beschrijving van de) camerabeelden niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat het verdachte betreft. In de beschrijving van deze beelden worden geen persoonskenmerken van de mogelijke verdachte (een man op een fiets) genoemd, maar enkel een beschrijving van zijn kleding en de fiets.
Verbalisant [verbalisant] heeft verdachte op deze beelden herkend en heeft daarbij verwezen naar zijn eerdere proces-verbaal. Ook deze herkenning kan naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan het bewijs, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over die herkenning. Daarbij komt nog dat verbalisant [verbalisant] bij het bekijken van deze beelden op 26 november 2024 wist dat de beelden te maken hadden met het steekincident van 9 oktober 2024 en de verbalisant in het eerdere proces-verbaal van herkenning verdachte al had aangewezen als degene die aangever had gestoken. De verbalisant beschikte dus over sturende informatie.
De rechtbank stelt vast dat het dossier voor het overige geen directe bewijsmiddelen bevat voor het daderschap van verdachte. De officier van justitie heeft gewezen op een proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat [naam 1] tegen een verbalisant heeft gezegd dat de steker [bijnaam 1] zou zijn.
Verdachte heeft verklaard dat zijn bijnaam [bijnaam 2] is. De rechtbank kan echter niet vaststellen op grond waarvan [naam 1] verdachte heeft aangewezen als degene die betrokken was bij de steekpartij. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat deze persoon ooggetuige is geweest van het incident.
Het bericht van aangever waarin hij een foto deelt van degene die hem heeft gestoken en een audiobericht waarin een mannenstem zegt 'Hij heet [naam 2] ', kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin bijdragen aan het bewijs. Verdachte is, anders dan door de officier van justitie gesteld, niet herkend op de fotos van aangever. Bovendien blijkt uit het dossier niet wie in dit audiobericht zegt dat het [naam 2] is en hoe hij dat weet.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte degene is geweest die aangever heeft gestoken. Verdachte zal daarom integraal worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18.355201.24 ten laste gelegde.
Parketnummer 03.063375.24
De rechtbank acht het feit zoals ten laste gelegd onder parketnummer 03.063375.24 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 februari 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Limburg met nummer PL2300-2024030011 d.d. 29 februari 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 03.063375.24 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 22 februari 2024 te Beek [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar uit een auto te trekken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 03.063375.24
Mishandeling
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18.355201.24 en het ten laste gelegde feit onder parketnummer 03.063375.24 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair over de strafmaat aangevoerd dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van de vraag of een straf of maatregel moet worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over verdachte opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft op 22 februari 2024 zijn stiefdochter mishandeld door haar uit een auto te trekken. Door het handelen van verdachte heeft zijn stiefdochter pijn en letsel opgelopen. Dit is een ernstig feit, temeer omdat het plaatsvond in de relationele sfeer.
In beginsel dient er voor dit feit dan ook een straf te volgen.
De rechtbank ziet in de bijzondere omstandigheden van dit geval evenwel reden om af te wijken van dit uitgangspunt. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte 508 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in verband met de verdenking van de poging doodslag waarvan hij in dit vonnis wordt vrijgesproken. Hoewel de voorlopige hechtenis destijds rechtmatig is bevolen en voortgezet op basis van de toen beschikbare informatie, heeft verdachte dit voorarrest dus onterecht ondergaan. Dit gegeven vormt een zwaarwegende factor bij de beantwoording van de vraag of nog een strafrechtelijke reactie is aangewezen voor het bewezenverklaarde feit. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een straf of maatregel onder deze omstandigheden niet meer passend is. De rechtbank zal verdachte daarom schuldig verklaren, zonder een straf of maatregel op te leggen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. In de zaak met parketnummer 18.355201.24 heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 45.000,00 ter vergoeding van materiële schade en 65.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
2. In de zaak met parketnummer 03.063375.24 heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 123,67 ter vergoeding van materiële schade en 560,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering heeft hij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie verzocht deze volledig toe te wijzen, eveneens vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman primair verzocht deze af te wijzen, gelet op de bepleitte vrijspraak.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 03.063375.24 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 februari 2024.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18.355201.24 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 03.063375.24 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 18.355201.24)
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 1] zijn eigen proceskosten draagt.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 03.063375.24)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 683,67 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en zevenenzestig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 683,67 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en zevenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 123,67 aan materiële schade en 560,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 6 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. de Ruijter en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2024, p. 20.