ECLI:NL:RBNNE:2026:2404

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/968
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WpgArt. 27 WpgArt. 6:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing inzageverzoek Wet politiegegevens na wijziging besluiten korpschef

Eiser verzocht op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg) inzage in diverse politiegegevens over meerdere perioden. De korpschef wees dit verzoek aanvankelijk af met besluiten van 17 en 24 februari 2025. Eiser stelde beroep in. Vervolgens wijzigde de korpschef het standpunt en nam op 28 april 2025 en 22 december 2025 gedeeltelijk inwilligende besluiten.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is voor zover het ziet op de oorspronkelijke afwijzende besluiten, omdat de korpschef zijn standpunt heeft gewijzigd. Het beroep is echter ongegrond voor zover het ziet op de gewijzigde besluiten, aangezien de motivering van deze besluiten inhoudelijk de toets doorstaat en de inzage nog steeds mogelijk is.

Eiser voerde onder meer rechtsongelijkheid en onbehoorlijk bestuur aan, maar deze gronden slagen niet. Verzoeken om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding, proceskostenvergoeding en reiskostenvergoeding worden afgewezen omdat geen overschrijding is vastgesteld en eiser geen kosten aannemelijk heeft gemaakt.

De rechtbank vernietigt de besluiten van 17 en 24 februari 2025, verklaart het beroep tegen de latere besluiten ongegrond en bepaalt dat de korpschef het griffierecht aan eiser vergoedt. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars op 16 april 2026.

Uitkomst: Het beroep is gegrond tegen de oorspronkelijke afwijzende besluiten en ongegrond tegen de gewijzigde besluiten; de oorspronkelijke besluiten worden vernietigd en het griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/968

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], eiser,

en

Nationale Politie Landelijke Eenheid, de korpschef

(gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over eisers inzageverzoek op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg). De korpschef heeft dit verzoek eerst afgewezen en vervolgens in beroep alsnog gedeeltelijk toegewezen. Het beroep ziet gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede op de in beroep door de korpschef genomen besluiten. Eiser is het niet eens met de besluiten en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is voor zover het ziet op de oorspronkelijke afwijzende besluiten. Het beroep is ongegrond voor zover het ziet op de alsnog genomen gedeeltelijk inwilligende besluiten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft de korpschef op 11 november 2024 op grond van artikel 25 van Pro de Wpg inzage verzocht in alle Grip-stukken/mutaties/rapportages/ aanvragen/screenings en overige stukken over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 11 november 2024. Daarnaast heeft hij verzocht om inzage in alle operationeel overleg (OO) stukken/notulen/informatie/ adviezen en overige stukken in de periode van 1 maart 2020 tot en met 11 november 2024. Verder heeft hij verzocht om inzage in alle stukken/verslagen/pv’s/mutaties/ overeenkomsten/afspraken en overige stukken van het Team Bijzondere Getuigen (TBG) in de periode van 1 juni 2021 tot en met 11 november 2024. Tot slot heeft hij verzocht om inzage in alle overige politiegegevens vanaf de datum van het laatste inzageverzoek op basis van artikel 25 Wpg Pro.
2.1.
Met het besluit van 17 februari 2025 heeft de korpschef het verzoek afgewezen. Met een aanvullend besluit van 24 februari 2025 heeft de korpschef de motivering van de afwijzing uitgebreid.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.3.
De korpschef heeft vervolgens bij besluit van 28 april 2025 het besluit van
17 februari 2025 gewijzigd en alsnog voor een deel van het verzoek een (gedeeltelijk) inwilligend besluit genomen. Bij besluit van 22 december 2025 heeft de korpschef de motivering van het gewijzigde besluit van 28 april 2025 verder aangevuld.
2.4.
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft de gronden aangevuld.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. J.C.M. Robbers als gemachtigde van de korpschef. Op de zitting is gesproken over het namens de korpschef deelnemen aan de procedure door personen die hun identiteit niet kenbaar wensen te maken en het ontbreken van een deel van het dossier dat onder toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb ter kennisneming aan de rechtbank zou worden verstrekt. De zaak is vervolgens aangehouden en de rechtbank heeft partijen bij schrijven van 25 februari 2026 geïnformeerd over beide onderwerpen.
2.6.
De behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 2 april 2026. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de korpschef. Eiser was met bericht van verhindering niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf3. De rechtbank heeft met verbazing kennisgenomen van de (wijze van) besluitvorming door de korpschef in deze zaak. Het verdagen van de beslistermijn en eerst na ontvangst van een ingebrekestelling een besluit nemen op een verzoek verdient niet de schoonheidsprijs. Maar het feit dat er thans vier (aanvullende en gewijzigde) besluiten voorliggen op één en hetzelfde verzoek van eiser, maakt dat de besluitvormingsprocedure van de korpschef lastig navolgbaar is. De rechtbank verwerpt de door de gemachtigde van de korpschef op de zitting van 2 april 2026 ingenomen stelling dat de motivering in het gewijzigde besluit alleen beter is opgeschreven. Er is immers sprake van wijziging van het standpunt: nadat het verzoek eerst was afgewezen is het vervolgens alsnog (gedeeltelijk) toegewezen. De rechtbank ondersteunt dan ook de mededeling van de gemachtigde van de korpschef dat het besluitvormingsproces intern bekeken zal worden om te bezien op welk punt verbeteringen kunnen worden aangebracht.
Beroep met betrekking tot de besluiten van 17 februari 2025 en 24 februari 20254. De korpschef heeft - nadat eiser beroep had ingesteld - twee gewijzigde besluiten genomen waarbij het standpunt zoals dat in het eerste besluit was ingenomen is verlaten. De rechtbank oordeelt dat het beroep reeds om die reden gegrond is. Eiser heeft terecht beroep ingesteld tegen de besluiten van 17 februari 2025 en 24 februari 2025.
Beroep met betrekking tot de besluiten van 28 april 2025 en 22 december 20255. In het besluit van 28 april 2025, gewijzigd bij besluit van 22 december 2025, stelt de korpschef onder verwijzing naar artikel 27, eerste lid, aanhef van de Wpg dat het verzoek gedeeltelijk moet worden afgewezen
a. ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures;
b. ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek
en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen;
c. ter bescherming van de openbare veiligheid;
d. ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden.
Voorts moet het verzoek gedeeltelijk worden geweigerd onder verwijzing naar artikel 27, derde lid, van de Wpg.
6. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet begrijpt waarom hij de stukken niet mag inzien, omdat in een vergelijkbare zaak de persoon in kwestie de informatie wel mocht inzien. Er is naar zijn mening sprake van rechtsongelijkheid. Verder is er naar zijn mening sprake van onbehoorlijk bestuur. Eiser verwijst naar de procedure die de korpschef voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, heeft gevolgd. Tot slot verzoekt eiser om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, een proceskostenveroordeling voor de kosten van zijn advocaat en de vergoeding van de door hem gemaakte reiskosten.
7.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de besluiten van 28 april 2025 en 22 december 2025 niet volledig doel treffen. Alleen de stelling dat niet wordt ingezien waarom de gevraagde inzage niet kan plaatsvinden en dat sprake is van rechtsongelijkheid omdat iemand anders wel inzage heeft gekregen, biedt geen aanleiding voor de rechtbank om hier anders over te denken. Daar komt bij dat eiser in de beroepsfase alsnog de verlangde inzage (gedeeltelijk) heeft gekregen.
7.1.
De rechtbank heeft onder toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb kennis genomen van de ongelakte informatie waarvan eiser inzage heeft verzocht en komt op basis daarvan tot het oordeel dat inhoudelijk van een gebrekkige motivering van de besluiten van 28 april 2025 en 22 december 2025 geen sprake is. Wel is het zo dat de motivering in het gewijzigde besluit van 22 december 2025, inhoudende dat eiser kennelijk geen belang meer heeft bij de verlangde inzage omdat hij niet binnen vier weken kenbaar heeft gemaakt of hij van zijn recht op inzage gebruik wenst te maken, niet langer stand houdt. Ter zitting van 2 april 2026 heeft de gemachtigde van de korpschef immers bevestigd dat eiser ook nu nog een afspraak kan maken om de gevraagde informatie te komen inzien. Op dit punt slaagt het beroep dan ook. Nu eiser niet in zijn belangen wordt geschaad en de inzage nog altijd mogelijk is, wordt het gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro d Awb.
7.2.
Met betrekking tot de gedeeltelijke weigering van de inzage op grond van artikel 27, derde lid, van de Wpg geldt dat de rechtbank - eveneens onder toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb - kennis genomen heeft van de bedoelde informatie. Zij komt tot het oordeel dat de korpschef zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van gegevens die worden verwerkt onder artikel 12 van Pro de Wpg (politiegegevens). Dat maakt dat sprake is van een absolute weigeringsgrond waarop de korpschef zich terecht beroept en dat geen ruimte bestaat voor een nadere belangenafweging.
Verzoek schadevergoeding en proceskostenveroordeling
8. De berechting van een zaak door de rechtbank geschiedt in beginsel niet binnen een redelijke termijn wanneer zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet (waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren).
8.1.
Het verzoek van eiser dateert van 11 november 2024. Reeds hierom is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat eiser niet in aanmerking komt voor een immateriële schadevergoeding.
8.2.
Uit het dossier blijkt niet dat sprake is (geweest) van professionele bijstand door een advocaat. Eiser heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij in deze zaak kosten heeft gemaakt door inschakeling van een advocaat. Het verzoek kan om die reden niet worden toegewezen.
8.3.
Voor het verzoek om vergoeding van de gemaakte reiskosten geldt dat eiser met bericht van verhindering vooraf niet bij de zitting van 2 april 2026 aanwezig was. Wel was hij aanwezig bij de behandeling van de zaak op de zitting van 13 januari 2026. De behandeling van de zaak op de zitting van 13 januari 2026 heeft plaatsgevonden aansluitend op de behandeling van een aantal andere zaken. In een van die andere zaken is reeds een vergoeding toegekend voor de door eiser voor het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten. Aldus blijven er geen kosten over die voor vergoeding in aanmerking komen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de besluiten van 17 februari 2025 en 24 februari 2025. Deze besluiten zullen worden vernietigd. Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen de besluiten van 28 april 2025 en 22 december 2025. Omdat het beroep (deels) gegrond is en toepassing gegeven wordt aan artikel 6:22 van Pro de Awb moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden. Het verzoek schadevergoeding zal worden afgewezen; de overige verzoeken ook.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de besluiten van
  • vernietigt de besluiten van 17 februari 2025 en 24 februari 2025;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de besluiten van
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af, evenals het verzoek proceskostenveroordeling voor de kosten van een advocaat en de reiskosten;
  • bepaalt dat de korpschef aan eiser het griffierecht van € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.