Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2362

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
18.401772.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 157 SrArt. 6:106 BWArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting met levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen in portiekflat

Op 14 december 2024 heeft verdachte opzettelijk brand gesticht door een bankstel in een portiekflat aan de [adres] te Emmen in brand te steken. De brand verspreidde zich snel, veroorzaakte aanzienlijke schade aan meerdere woningen en leidde tot levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder camerabeelden waarop een persoon met een jas die sterk overeenkomt met die van verdachte te zien is, getuigenverklaringen en forensisch onderzoek. De verdediging voerde aan dat de beelden onvoldoende duidelijk waren en dat er alternatieve daders mogelijk waren, maar de rechtbank verwierp deze stellingen als onwaarschijnlijk.

Verdachte ontkende de brandstichting, maar de rechtbank achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de ernst van het feit, het hoge recidiverisico en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast werden de vorderingen van meerdere benadeelde partijen deels toegewezen, waarbij materiële en immateriële schadevergoedingen werden toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. Sommige vorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of reeds vergoede schade.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor brandstichting met levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.401772.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen:
[adres ] ,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres ] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 14 december 2024 te Emmen, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht door (een) brandbare/brandversnellende stof(fen) te gieten en/of te sprenkelen en/of te gooien over/tegen een bankstel en/of een koelkast en/of (vervolgens) aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, althans met open vuur in aanraking te brengen en/of door een bankstel en/of een koelkast aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, althans met open vuur in aanraking te brengen, ten gevolge waarvan
  • dat bankstel en/of die koelkast en/of
  • bestrating en/of overige goederen nabij dat bankstel en/of die koelkast en/of
  • appartementen/woningen gelegen aan de [adres ] , nummer(s) [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] en/of [nummer 10] , geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,
terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten appartementen/woningen gelegen aan de [adres ] , nummer(s) [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] en/of [nummer 10] en/of de in dat/die appartement(en)/woning(en) aanwezige goederen en/of flats en/of appartementen en/of woningen gelegen naast en/of boven en/of onder en/of nabij de voornoemde appartementen/woningen en/of in die flats en/of appartementen en/of woningen aanwezige goederen, en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de aanwezigen in de appartementen/woningen gelegen aan de [adres ] ,
nummer(s) [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] en/of [nummer 10] en/of de aanwezigen die zich bevonden in de appartementen en/of flats en/of woningen gelegen naast en/of boven en/of onder en/of nabij de voornoemde appartementen/woningen, te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die bij de portiekflat aan de [adres ] te Emmen brand heeft gesticht.
De camerabeelden in het dossier zijn te vaag zijn om van een duidelijke herkenning van verdachte te kunnen spreken. Hoewel de beschreven kleding van de brandstichter op de beelden van [getuige 3] overeenkomsten vertoont met de kleding van verdachte wil dat nog niet zeggen dat verdachte ook de brand heeft gesticht. Veel mensen beschikken immers over een The North Face jas. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier aanknopingspunten bevat voor andere dader(s). Getuige [getuige 1]
verklaart immers dat hij om 19:07 uur twee junks met een jerrycan heeft zien lopen. Dat signalement past niet bij het signalement van verdachte. Verder is [getuige 2] opgevallen, die tijdens de brand vreemd gedrag vertoonde en na en tijdens de brand een paar keer buiten is gesignaleerd. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de raadsman niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte de brand heeft gesticht en kan het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
U houdt mij de verklaring van getuige [getuige 2] voor. Het klopt dat ik op 14 december 2024 bij hem aan de deur ben geweest. Dat is een oude kameraad van mij. De kleding die en het petje dat ik tijdens mijn aanhouding op 19 december 2024 droeg had ik ook aan op 14 december 2024.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 december 2024, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024341052 d.d. 28 januari 2025, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :
Op 14 december 2024, omstreeks 19.20 uur kwam ik in mijn auto de [adres ] te Emmen oprijden. Ik parkeerde mijn auto recht tegenover de portiek waar ik woon. Vanuit mijn auto had ik zicht op mijn flat. Ik heb de persoon gezien. Dit was ook de enige persoon die ik zag. Ik zag op dat moment een man voor mijn flat staan. Vanuit mijn auto ben ik de man gaan filmen. Ik zag dat de man een pet en een capuchon droeg. Ik kon zijn huidskleur wel zien en die was blank.
Voor de flat stond een bankstel. Ik zag dat de man tegen het bankstel aanschopte. Ik zag dat de man iets aan het doen was bij het bankstel. De man heeft het bankstel omgeduwd of laten vallen richting de toegangsdeur.
Ik stapte uit mijn auto en liep naar de flat. Eenmaal bij de flat zag ik dat het voornoemde bankstel in brand stond. Het was op dat moment nog een klein vlammetje. Opeens ging het erg snel. De vlam werd groter en het complete bankstel stond in brand. Ik zag dat het vuur erg hoog kwam tot aan het plafond.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 20 december 2024, opgenomen op pagina 195 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
V: Jij woont vlak naast de plek waar de brand heeft gewoed. Zou je nog een keer willen vertellen wat er de avond van de brand is gebeurd?
A: Ik zat op het toilet. Ik hoorde gebonk aan de deur. En uiteindelijk was [verdachte] bij mij aan de deur. Ik kon aan zijn stem horen dat hij dronken was. Ik heb tegen hem gezegd beter ga je weg want als ik buiten moet komen dan is het niet te best. Ik wil hem niet aan de deur hebben.
V: Weet je zijn achternaam? A: Ja [verdachte] .
V: Hoe lang ken jij hem al?
A: Bijna mijn hele leven gewoon.
V: Jij gaf aan datje zijn stem herkende, waaraan hoorde je dat het [verdachte] was?
A: Ik wist gewoon dat het [verdachte] was. Hij bonsde bij mij op de deur. Ik hoef er niet over na te denken geen tweede persoon die zo praat.
V: Je zit op de wc, je hoort gebons op de deur. En je hoort [verdachte] . Vervolgens hoor je sirenes. Hoeveel tijd heeft daar tussen gezeten?
A: Nou niet langer dan 5 tot 3 minuten. Ik doe de deur open en zie alleen maar rook.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 december 2024, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 14 december 2024, omstreeks 19.27 uur kregen wij de melding van het
Operationeel Centrum om te gaan naar de [adres ] te Emmen. Aldaar zou er mogelijk een flat in brand staan. Op 14 december 2024, omstreeks 19.38 uur kwamen wij ter plaatse op de [adres ] te Emmen. De brandweer was op dat moment al ter plaatse. Op het moment dat ik uit het dienstvoertuig stapte werd ik aangesproken door [getuige 3] . [getuige 3] gaf aan dat ze direct 112 had gebeld op het moment dat ze doorhad dat er brand was.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict
( [adres ] Emmen) d.d. 8 januari 2025, opgenomen op pagina 126 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 15 december 2024 kwamen wij voor forensisch onderzoek aan op het adres [adres ] , ter hoogte van perceel [nummer 3] , te Emmen. Het betreft een portiekflat bestaande uit vier woonlagen. Op de begane grond bevinden zich, enigszins verdiept, enkele woningen en de toegang tot de portiek en het trappenhuis. In de portiek bevinden zich op de begane grond bergingen. Via trappen kunnen zes woningen bereikt worden, verdeeld over de eerste, tweede en derde verdieping. Deze woningen hebben aan de achterzijde een balkon. Aan de voorzijde van de flat is de gevel, vanaf de eerste verdieping, opgebouwd uit betonelementen en kunststof raamkozijnen voorzien van dubbelglas.
In het verdiepte deel van de portiekflat, onder perceel [nummer 4] , zagen wij brandresten.
Wij zagen op de betonnen gevelbeplating van de percelen [nummer 4] , [nummer 6] en [nummer 8] afzetting van roet. Op de betonnen gevelbeplating van perceel [nummer 4] zagen wij dat er sprake was van betonspatten en schoonbranden. Wij zagen dat het raam van dit perceel voor het grootste gedeelte ontbrak. In de brandresten, die in het verdiepte deel onder perceel [nummer 4] lagen, zagen wij de verbrande resten van onder meer een bankstel. In de nabijheid van de brandresten aan de buitenzijde van de flat, werden door ons geen stroomvoorzieningen waargenomen.
Op basis van brandindicatoren en -patronen stellen wij vast dat het ontstaansgebied van de brand buiten de portiekflat, in het verdiepte deel onder perceel [nummer 4] , ligt.
Als gevolg van het feit dat er op die locatie goederen uit een woning waren gestald, was de brandlast groot genoeg om de brand te kunnen laten ontwikkelen en zichzelf in stand te kunnen houden. De brand was
dermate groot dat;
  • er sprake was van hitte-inwerking en rookvorming in perceel [nummer 3] en het trappenhuis;
  • er brandschade kon ontstaan op de eerste verdieping en de gevel tot aan de dakrand. Niet uitgesloten kan worden dat, indien er later zou zijn geblust door de brandweer,
de brand zich verder had kunnen ontwikkelen in perceel [nummer 4] .
Gelet op de ontstane schade kan gesteld worden dat er sprake is van gemeen gevaar van goederen. Gelet op het feit dat ten tijde van de brand;
  • er bewoners aanwezig waren in onder meer perceel [nummer 3] en [nummer 4] ;
  • in perceel [nummer 3] sprake was van hitte-inwerking en rookvorming;
  • het trappenhuis vol rook stond en derhalve niet gebruikt kon worden;
  • bewoners via het balkon aan de achterzijde de woning hebben moeten verlaten;
kan gesteld worden dat er sprake is van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op het feit dat een stroomvoorziening aan de buitenzijde van de portiekflat ontbrak, wordt een technische brandoorzaak niet aannemelijk geacht. Aanwijzingen die duiden op een brand als gevolg van een natuurlijk oorzaak, werden door ons niet gevonden.
Op basis van de verkregen informatie en onze bevindingen op de onderzoekslocatie is het meest waarschijnlijk dat er brand is ontstaan als gevolg van brandstichting.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 december 2024, opgenomen op pagina 113 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Aangaande de opzettelijke brandstichting op 14 december 2024 aan de [adres ] thv [nummer 1] - [nummer 10] te Emmen waren meerdere camerabeelden beschikbaar. Het betrof onder andere de beelden aangeleverd door getuige [getuige 3] . Op de plaats delict, waar vanwege een verhuizing een bankstel stond, is een persoon te zien. Deze persoon draagt een donkerkleurige jas met capuchon. Klaarblijkelijk draagt deze persoon onder de capuchon een baseballpetje. De persoon heeft op de rechterschouderzijde van de jas welke door hem gedragen wordt een embleem of print.
De persoon beweegt zich op de locatie waar het bankstel stond en waar later de brand begon.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2024, opgenomen op pagina 171 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
[verdachte] droeg ten tijde van zijn aanhouding onder meer een jack van het merk The North Face. Op 19 december 2024 zijn van dit betreffende jack foto's gemaakt. Het jack betreft een zwartkleurig jack met enkele oranjekleurige accenten. Het jack is gemaakt van 2 verschillende soorten stof, een mattere stof met structuur en een gladdere stof. Deze stoffen zijn zwart van kleur. Het jack is voorzien een capuchon welke zwart van kleur is. Op de rug, ter hoogte van de rechterschouder, staat in het wit het logo/tekst van The North Face. Doordat het jack is voorzien van verschillende stoffen, heeft het jack duidelijk zichtbare kledingnaden. Wat verder opvalt aan het jack zijn de naden welke vanaf de achterzijde, grofweg gedeelte ter hoogte van de ruggenwervel, doorlopen in de capuchon.
Aan de hand van bovenstaande kenmerken van het jack van verdachte [verdachte] heb ik de camerabeelden, waarop een persoon op de plaats delict te zien is, opnieuw bekeken.
Bij het bekijken van de camerabeelden zag ik dat de persoon welke gefilmd wordt kenmerken in zijn jas heeft overeenkomstig met het jack van verdachte [verdachte] .
Op de camerabeelden is een persoon te zien welke onder de overkapping van de flat staat. Aan het plafond van de overkapping hangt een lamp waardoor licht van boven op de persoon schijnt. Het jack welke de persoon draagt vertoont een aantal overeenkomsten met het jack van verdachte [verdachte] . Binnen de rode cirkel is de naad van de jas, rechterschouder, zichtbaar. Tevens is er een wit logo zichtbaar, overeenkomstig met de plaats van het North Face logo op de jas van verdachte [verdachte] . Door het
lichtschijnsel is te zien dat de rugzijde van de jas twee verschillende kleuren heeft, op beeld is te zien dat de schouders lichter van kleur zijn en dat tussen de schouders een donkere kleur zichtbaar is. Gezien het jack van verdachte [verdachte] zou dit kleurverschil veroorzaakt kunnen worden door de twee verschillende stoffen van de jas in combinatie met de weerkaatsing van het licht daarop.
Wat verder opvalt in de overeenkomsten, is de aanwezigheid en plaats van de naad in de capuchon. Deze is overeenkomstig met de naad in de capuchon van het jack van verdachte [verdachte] .
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er op 14 november 2024 brand is gesticht door een bankstel tot ontbranding te brengen ten gevolge waarvan er brand in de portiekflat aan de [adres ] te Emmen is ontstaan. De brand is gemeld om 19:27 uur. De brand was dermate groot dat er niet alleen sprake was van hitte-inwerking en rookvorming in de woning op nummer [nummer 3] en het trappenhuis, maar ook brandschade kon ontstaan op de eerste verdieping en de gevel. Uit het forensisch onderzoek blijkt verder dat als de brand later zou zijn geblust door de brandweer, de brand zich verder had kunnen ontwikkelen in de portiekflat aan de [adres ] . Aangezien er meerdere bewoners ten tijde van de brand thuis waren, het trappenhuis vanwege de rook onbruikbaar was geworden en bewoners via het balkon aan de achterzijde de woning hebben moeten verlaten, was door de brand ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten.
Verdachte heeft zelf steevast ontkend dat hij op 14 december 2024 brand heeft gesticht aan de [adres ] en heeft daarover wisselende verklaringen afgelegd. De vraag die de rechtbank derhalve moet beantwoorden, is of verdachte de brand heeft gesticht.
Uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat zij op 14 december 2024 omstreeks 19:20 uur vanuit haar auto een man voor de portiekflat aan de [adres ] ziet staan. Dit was ook de enige persoon die zij zag en die zij heeft gefilmd. Getuige [getuige 3] ziet dat de man tegen een bankstel, die voor de flat stond, schopt en ziet dat hij iets bij het bankstel aan het doen is. Ze stapt uit haar auto, loopt naar de flat en ziet dat het voornoemde bankstel in brand staat. De brand breidt zich razendsnel uit, waarbij de vlammen tot het plafond van de portiek komen en getuige [getuige 3] de bewoners niet meer kan waarschuwen. Direct daarop, omstreeks 19:27 uur, belt getuige [getuige 3] 112 en meldt zij dat er brand is in de portiekflat aan de [adres ] . Wanneer de politie ter plaatse komt blijken diverse woningen in de portiekflat reeds in brand te staan. De rechtbank stelt vast dat getuige [getuige 3] de dader van de bandstichting heeft gezien en gefilmd.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij verdachte op de avond van de brand bij hem aan de deur heeft horen bonken, verdachte heeft herkend aan zijn stem en verdachte heeft weggestuurd. Verdachte heeft zelf uiteindelijk ook erkend dat hij op 14 december 2024 bij de woning van [getuige 2] aan de [adres ] is geweest. Drie tot vijf minuten nadat getuige [getuige 2] verdachte heeft weggestuurd, hoort getuige [getuige 2] sirenes en kwam hij tot de ontdekking dat er brand was. Het tijdsbestek waarover getuige [getuige 2] heeft verklaard komt overeen met het tijdsbestek waarover getuige [getuige 3] heeft verklaard en het tijdsbestek waarover de politie heeft geverbaliseerd. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte zich ten tijde van het ontstaan van de brand bevond aan de [adres ] te Emmen.
Uit de beschrijving van de hierbovengenoemde camerabeelden blijkt voorts dat de dader van de brandstichting een donkerkleurige jas met op de rechterschouderzijde van de jas een embleem of print, een petje en capuchon droeg. De kleding die door de dader bij de brandstichting werd gedragen, vertoont sprekende gelijkenis met de kleding die verdachte, naar eigen zeggen, op 14 december 2024 droeg.
Diverse kledingnaden, twee verschillende soorten stoffen en de plaatsing van het logo komen overeen met de jas van verdachte.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor de door de verdediging gedane suggestie dat een ander dan verdachte in genoemd tijdsbestek van slechts enkele minuten en met eenzelfde The North Face jas en petje de brand heeft gesticht. De rechtbank zal het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dan ook als hoogst onwaarschijnlijk terzijde schuiven. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte de persoon is geweest die de brand aan de [adres ] te Emmen heeft gesticht; een andere uitleg verdraagt zich niet met de gebezigde bewijsmiddelen.
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte:
op 14 december 2024 te Emmen opzettelijk brand heeft gesticht door een bankstel tot ontbranding te brengen, ten gevolge waarvan
- dat bankstel en
  • woningen gelegen aan de [adres ] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] en [nummer 10] , geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten woningen gelegen aan de [adres ] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] en [nummer 10] en nabij de voornoemde woningen en in die woningen aanwezige goederen, en
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de aanwezigen in de woningen gelegen aan de [adres ] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] en [nummer 10] , te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft subsidiair verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte kwetsbaar is en zich niet goed kan uitdrukken. Daarnaast is verdachte licht verstandelijk beperkt en lijdt hij mogelijk aan het Foetaal Alcohol Syndroom. Verdachte kan zich met de nodige begeleiding, mits er een goede klik is, redelijk goed zelf redden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 23 januari 2026, het Pro Justitia onderzoek, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft op 14 december 2024 brand gesticht bij een portiekflat in Emmen. Voor de portiekflat stonden, vanwege een verhuizing van één van de bewoners, diverse goederen opgesteld, waaronder een bankstel. Verdachte heeft het bankstel omgeduwd richting de toegangsdeur van de portiekflat en tot ontbranding gebracht ten gevolge waarvan er brand in de portiekflat is ontstaan. De hierdoor ontstane brand is daarna overgeslagen naar diverse woningen tot aan de dakrand van de portiekflat. Door de brand is het merendeel van de goederen die voor de portiekflat stonden opgesteld, uitgebrand. Ook is er forse brandschade ontstaan in en aan diverse woningen en het trappenhuis van de portiekflat. Tien woningen waren hierdoor tijdelijk, waarvan vier zelfs langere tijd, onbewoonbaar vanwege de ontstane schade.
Brandstichting is een gevaarzettend delict dat een (potentieel) verwoestend effect heeft op de omgeving en dit wordt derhalve als een zeer ernstig strafbaar feit gekwalificeerd. Een brand kan zich snel uitbreiden, grote vormen aannemen en daardoor een onbeheersbaar karakter krijgen. Dat diverse woningen niet volledig zijn uitgebrand en de omliggende woningen niet daadwerkelijk vlam hebben gevat, is te danken aan het ingrijpen van de brandweer en de politie. Dat er geen doden of (ernstig) gewonden zijn gevallen is niet aan verdachte toe te schrijven, maar aan het snel en adequaat optreden van bewoners en omstanders. Doordat het trappenhuis en de toegangsdeur door de rook en vlammen niet meer toegankelijk waren, hebben enkele bewoners hun woning zelfs via het balkon aan de achterzijde moeten verlaten door van balkon naar balkon te klimmen of met gebruik van een hoogwerker. Dit een zeer angstige en benarde situatie geweest voor de bewoners. Door het handelen van verdachte is aldus een levensgevaarlijke situatie ontstaan en heeft hij de bewoners van de portiekflat hevige schrik aangejaagd en schade berokkend. Dit blijkt ook uit de toelichting die gegeven is bij de vorderingen van de benadeelde partijen. De brand in deze zaak heeft geleid tot publieke belangstelling, onrust en verontwaardiging bij omwonenden. Verdachte heeft ter terechtzittingde brandstichting ontkend en daarmee geen inzicht
getoond in de gevaarlijkheid noch de strafwaardigheid van zijn handelen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage d.d. 8 mei 2025 van de psycholoog N. van der Weegen. De psycholoog heeft kort gezegd meerdere malen tevergeefs geprobeerd om met verdachte in gesprek te gaan voor het psychologisch onderzoek. Verdachte heeft steevast geweigerd zijn medewerking hieraan te verlenen. Verdachte heeft aan de psycholoog te kennen gegeven dat hij geen TBS-maatregel wil en hij heeft aangegeven geen behandeling nodig te hebben of te wensen. Omdat verdachte weigerde zijn medewerking te verlenen kan de psycholoog geen goede inschatting maken van het risico op recidive, maar op basis van historische factoren is het risico op recidive ingeschat als hoog.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage d.d. 25 augustus 2025 van psychiater N. van de Weg. Ook aan de psychiater heeft verdachte te kennen gegeven medewerking aan gedragsdeskundig onderzoek te weigeren. De psychiater stelt geen aanwijzingen te zien dat deze weigering van verdachte verband houdt met zijn stoornis. De psychiater schrijft dat op basis van de informatie uit het dossier blijkt dat er bij verdachte sprake is geweest van veel psychosociale problemen. Zo was verdachte dakloos, werkte hij niet, had hij geen gestructureerde daginvulling en had hij veel contacten met andere daklozen en verslaafden.
De opsteller van het eerdere trajectconsult van 27 januari 2025 heeft aan de hand van eerder onderzoek vastgesteld dat verdachte over een IQ van 50-60 beschikt en er daarnaast sprake is van langdurige verslavingsproblematiek bij verdachte. Ook zijn er vermoedens van aangeboren hersenletsel door genetische aanleg of door schade die is opgelopen als ongeborene door het alcoholgebruik van zijn moeder, ook wel een Foetaal Alcohol Syndroom. De psycholoog en psychiater die daarna hebben gerapporteerd hebben door de weigerachtige houding van verdachte dus geen stoornis kunnen vaststellen of uitsluiten.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van
23 januari 2026. De reclassering schrijft dat verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan het opstellen van een reclasseringsadvies voor de inhoudelijke behandeling. Het advies is daarom gebaseerd op dossierinformatie en informatie verkregen uit eerdere contacten die zij met verdachte hadden. De reclassering heeft in het rapport opgenomen dat verdachte een hardnekkig patroon van grensoverschrijdend gedrag vertoont dat samenhangt met zijn verminderde verstandelijke vermogens, problematisch alcohol- en drugsgebruik en impulsiviteit. De reclassering schrijft voorts dat eerder uitgezette ambulante en justitiële interventies niet leidden tot gedragsverandering en het recidiverisico onvoldoende inperkten. Het risico op recidive en letsel wordt daarom ingeschat als hoog, evenals het risico op onttrekking aan voorwaarden. De reclassering verwacht dat enkel detentie, oplegging van de ISD-maatregel of een plaatsing in een kliniek met LVB-specialiteit in het kader van de Wet Zorg en Dwang kan bijdragen aan stabilisatie en het verminderen van risicos. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het sinds kort beter met hem gaat en hij sinds drie weken beschikt over een nieuwe woonplek met begeleiding. Verdachte stelt desgevraagd dat hij geen verslavingsproblemen meer heeft, omdat hij vanwege zijn nieuwe woonplek daar geen behoefte meer aan heeft. Hij drinkt nog wel eens wat in het weekend, maar dat is naar eigen zeggen niet problematisch meer. Verdachte vermoedt dat hij zijn woning zal verliezen indien hij terug moet naar de gevangenis. Verdachte stelt desgevraagd niet precies te weten hoe de komende weken eruit gaan zien, maar dat hij binnenkort dagbesteding bij de paarden zal krijgen.
Strafoplegging
De rechtbank is, gelet op de ernst van het feit, van oordeel dat een stevige vergeldende reactie die tegelijkertijd preventief werkt op zijn plaats is. Verdachte heeft noch zijn medewerking verleend aan een psychologisch onderzoek noch aan het opstellen van een reclasseringsadvies. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de beperkingen van verdachte en daar ook in strafmatigende zin rekening mee houdt, is door de weigerachtige houding van verdachte geen zicht verkregen op de mate van toerekenbaarheid of de noodzaak van behandeling. De rechtbank zal dan ook geen (deels) voorwaardelijke straf opleggen. De enige passende strafmodaliteit die de rechtbank rest is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur, mede gelet op het hoge recidiverisico dat door de deskundigen is vastgesteld. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen zoals die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1.
[benadeelde partij 1], tot een bedrag van 593,67 ter vergoeding van materiële schade en 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente
vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [
[benadeelde partij 2], tot een bedrag van 1.000,00 ter vergoeding van immateriële
schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [
[benadeelde partij 3], tot een bedrag van 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [
[getuige 3], tot een bedrag van 3.180,48 ter vergoeding van materiële schade en
3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
5. [
[benadeelde partij 4], tot een niet nader gespecificeerd bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gehele gevorderde bedrag aan schadevergoeding voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zowel de materiële als de immateriële schade is voldoende onderbouwd en passend.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gehele gevorderde bedrag aan schadevergoeding voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade is voldoende onderbouwd en passend.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gehele gevorderde bedrag aan schadevergoeding voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De immateriële schade is voldoende onderbouwd en passend.
Vordering van de benadeelde partij [getuige 3]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan materiële schadevergoeding moet worden afgewezen, omdat de schade is vergoed door de verzekeraar. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding voor toewijzing vatbaar is tot een bedrag van
1.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat een onderbouwing ontbreekt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat een schadebedrag ontbreekt en de vordering niet nader is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De raadsman heeft zich gelet op de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding gematigd dient te worden, vanwege het ontbreken van een onderbouwing betreffende de verfkosten. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het overige gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding voor toewijzing vatbaar is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De raadsman heeft zich gelet op de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat geen sprake is geweest van een directe confrontatie met levensgevaar of van een objectieve dreiging daarvoor. Benadeelde was ten tijde van de brand op vakantie en er ontbreekt een objectiveerbare medische verklaring voor de letselschade.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De raadsman heeft zich gelet op de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat geen sprake is geweest van een directe confrontatie met levensgevaar of van een objectieve dreiging daarvoor. Benadeelde was ten tijde van de brand op vakantie en er ontbreekt een objectiveerbare medische verklaring voor de letselschade.
Vordering van de benadeelde partij [getuige 3]
De raadsman heeft zich gelet op de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de materiële vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de schade mogelijk is vergoed door de verzekeraar waardoor een onevenredige belasting van het strafproces zou volgen. Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd dient te worden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
De raadsman heeft zich gelet op de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat een onderbouwing van de vordering ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Dat geldt ook voor de gevorderde verfkosten, waarvan de hoogte gelet op de onderbouwing daarvan in redelijkheid kan worden begroot op het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de materiële schadevordering daarom toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024. De immateriële schadevordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal eveneens worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat ook zonder nadere onderbouwing daarvan kan worden
aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Op grond hiervan heeft de benadeelde partij aanspraak op immateriële schadevergoeding. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht rechtbank vergoeding van een bedrag van 1.000,00 billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 december 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft dit onderbouwd met een verwijsbrief van de huisarts waaruit volgt dat de benadeelde partij een behandeltraject volgt voor haar psychische klachten als gevolg van het bewezen verklaarde. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat als gevolg van het bewezen verklaarde handelen sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Op grond hiervan heeft de benadeelde partij aanspraak op immateriële schadevergoeding. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht rechtbank vergoeding van een bedrag van 1.000,00 billijk. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 december 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [getuige 3]
De rechtbank stelt betreffende de materiële schadevordering vast, gelet op de onderbouwing van de benadeelde partij en hetgeen partijen daarover ter zitting hebben aangevoerd, dat de verzekeraar een groot deel van de gevorderde materiële schade reeds heeft vergoed. Dat er nog schade resteert, is niet onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Betreffende de immateriële schadevordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank overweegt hiertoe dat sprake is van een normschending door verdachte die naar haar aard ernstig is te noemen en die zeer ernstige gevolgen kan hebben voor de (geestelijke) gezondheid van de benadeelde partij, op grond waarvan de rechtbank ook zonder nadere onderbouwing aanneemt dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Op grond hiervan heeft de
benadeelde partij aanspraak op immateriële schadevergoeding. Rekening houdend met de aard en de ernst van het delict en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van 2.000,00 billijk. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat benadeelde partij [getuige 3] anders dan benadeelden [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] getuige is geweest van het delict. De rechtbank zal de vordering dus tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024, en voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.593,67 (zegge: tweeduizendvijfhonderddrieënnegentig euro en zevenenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 593,67 aan materiële schade en
2.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Vordering van de benadeelde partij [getuige 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt om aan te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de gevorderde immateriële schadevergoeding voor het overige af, groot 1.000,00.
Verklaart de vordering van [getuige 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [getuige 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.000,000 (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2024
tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Verklaart de vordering van [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [benadeelde partij 4] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. C. Brouwer en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. F.A. Bussman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2026.