Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2344

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
18.179336.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 163 Wegenverkeerswet 1994Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor dodelijk verkeersongeval onder invloed van alcohol en snelheidsovertreding

Op 19 mei 2024 veroorzaakte verdachte, een beginnend bestuurder onder invloed van alcohol, een eenzijdig verkeersongeval in Hoogeveen waarbij zijn bijrijder overleed. Verdachte reed met een aanzienlijk hogere snelheid dan toegestaan en stuurde onvoldoende in bij een bocht, waardoor het voertuig in een slip raakte en tegen een lantaarnpaal en hek botste.

De rechtbank stelde vast dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden en daarmee schuld had aan het ongeval, maar dat niet kon worden bewezen dat hij roekeloos handelde. Verdachte weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek, waardoor het exacte alcoholgehalte niet kon worden vastgesteld.

De rechtbank hield rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, het tijdsverloop van de procedure en het feit dat verdachte zelf moet leven met de gevolgen van het ongeval. De straf bestaat uit 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk, een taakstraf van 180 uur en een rijontzegging van 3 jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk, 180 uur taakstraf en 3 jaar rijontzegging wegens zeer onvoorzichtig rijden onder invloed met dodelijk ongeval.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.179336.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Hoogeveen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als beginnend bestuurder, na gebruik van alcoholhoudende drank en/of een stof als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994,
  • te rijden met een snelheid van (gemiddeld) ten minste 92 km/u terwijl aldaar een maximumsnelheid van 50 km/u gold, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
  • een stuurfout te maken en/of in een bocht naar links onvoldoende in te sturen, als gevolg waarvan het voertuig in een slip terecht is gekomen, waarna deze tegen een lantaren paal is gebotst, in een sloot terecht is gekomen, door de snelheid van het voertuig de sloot uit gelanceerd is en vervolgens tegen een hek is gebotst, waarvan een afgebroken deel het lichaam van [slachtoffer] is binnengedrongen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Hoogeveen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres] , als beginnend bestuurder, na gebruik van alcoholhoudende drank en/of een stof als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994,
  • heeft gereden met een snelheid van (gemiddeld) ten minste 92 km/u terwijl aldaar een maximumsnelheid van 50 km/u gold, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
  • een stuurfout heeft gemaakt en/of in een bocht naar links onvoldoende heeft ingestuurd,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Hoogeveen als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd,
terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
3.
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Assen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de aard en het samenstel van gedragingen en de omstandigheden waaronder verdachte deze gedragingen heeft verricht, kan worden afgeleid dat verdachte opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Daarbij was het voorzienbaar dat gevaarlijke situaties op de weg zouden kunnen ontstaan met kans op zwaar lichamelijk letsel of overlijden van een ander. Dat gevaar heeft zich ook verwezenlijkt. Het handelen van verdachte is naar het oordeel van de officier van justitie daarmee aan te merken als roekeloos.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde betoogd dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, maar niet roekeloos heeft gereden. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter terechtzitting van 2 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 19 mei 2024 ben ik samen met [slachtoffer] in de auto gestapt. Ik was de bestuurder. Ik had die avond behoorlijk veel alcohol gedronken. Op [adres] in Hoogeveen zijn wij in een slip geraakt en tegen een lantaarnpaal gebotst. Ik ken de wegsituatie waar het ongeval heeft plaatsgevonden goed en ben daar vaker langsgereden. Het kan zijn dat ik harder reed dan ter plaatse was toegestaan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO Verkeer d.d. 24 oktober 2024, opgenomen op pagina 76 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024131377 d.d. 17 maart 2025, inhoudend als relaas van verbalisanten
[verbalisant] en [verbalisant] :
Op 19 mei 2024 heeft op [adres] , gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Hoogeveen, het verkeersongeval plaatsgevonden. Wij zagen bij aanvang van ons onderzoek op de plaats van het verkeersongeval dat een Volkswagen Polo gepositioneerd stond in een weiland naast [adres] en dat naast de Volkswagen, aan de passagierszijde, een stoffelijk overschot lag.
Wegsituatie
Wij zagen dat [adres] :
  • bestond uit 1 rijbaan;
  • voorzien was van onderbroken belijning op een afstand van circa 70 centimeter vanaf de rijbaankant;
  • op de plaats van het verkeersongeval een bocht naar links beschreef.

Reguliere verkeersmaatregelen

Wij zagen het volgende:
- de maximumsnelheid bedroeg ter plaatse 50 km/u als gevolg van artikel 20 onder Pro a van het RVV 1990 binnen de bebouwde kom van Hoogeveen;

Interpretatie bevindingen

De bestuurder van een personenauto, van het merk Volkswagen, reed daarmee over [adres] komende uit de richting Stuifzand en gaande in de richting van Hoogeveen.
Gekomen bij de bebouwde kom van Hoogeveen, aangegeven door bord A1, raakte het voertuig in een slip. De rechter voorband van het voertuig tekende hierbij op het wegdek een slipspoor af. Dit slipspoor ging vanaf het wegdek over in de berm. In het verloop van het spoor was waarneembaar dat de achterzijde van het voertuig uitbrak waardoor de rechter voor- en achterband afzonderlijke slipsporen aftekenden. In de berm botste het voertuig met zijn voorzijde op een aldaar gesitueerde lantaarnpaal. Deze lantaarnpaal werd volledig uit de grond gereden en meegevoerd met het voertuig. De lantaarnpaal werd verderop aangetroffen in de richting van de eindpositie van de Volkswagen. De Volkswagen raakte in zijn slip in een sloot. Door de snelheid die de Volkswagen op dat moment nog had werd het voertuig deels gelanceerd uit deze sloot en botste tegen een hek van een weiland. Genoemd hek was geconstrueerd door middel van stalen palen met een stalen ligger aan de bovenzijde in de vorm van een buis. Door de botsing met de Volkswagen tegen het hek raakte de ligger los en drong het voertuig binnen. De passagier van het voertuig welke zich rechts naast de bestuurder bevond werd door de ligger (buis) doorboord en overleed ter plaatse aan de gevolgen van het letsel. Door de afgelegde weg vanaf het moment van slippen van het voertuig, het doorrijden van de sloot en de eindpositie van het voertuig hadden wij het vermoeden dat het ongevalsvoertuig de ter plaatse geldende maximumsnelheid aanmerkelijk overschreden had.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 19 mei 2024, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 19 mei 2024 kregen wij kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer
openstaande weg, [adres] te Hoogeveen. Daaruit bleek dat een persoon als bestuurder van een personenauto, Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] , bij dat verkeersongeval betrokken was.
Beginnende bestuurder
Het betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig waarvoor voor het besturen een
rijbewijs vereist is. Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit was van een rijbewijs waarvan sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog
geen vijf jaren zijn verstreken en dat hij op die datum van afgifte de leeftijd van 18 jaar of ouder had bereikt.
Bewijsoverwegingen
Uit de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 19 mei 2024 heeft op [adres] te Hoogeveen een eenzijdig verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte, als bestuurder, en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), als bijrijder, zijn daarbij met het door verdachte bestuurde voertuig in een slip terechtgekomen en van de weg geraakt. Het voertuig is vervolgens tegen een lantaarnpaal gebotst, in een sloot terechtgekomen en door de snelheid van het voertuig uit de sloot gelanceerd en door een hek gereden en in een weiland tot stilstand gekomen. Door de impact van de botsing is een stalen ligger van het hek de voorruit van het voertuig binnengedrongen, waarbij [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt. Als gevolg van deze verwondingen is [slachtoffer] ter plaatse komen te overlijden.
De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan de 50 kilometer per uur die ter plaatse was toegestaan en dat verdachte de bocht naar links onvoldoende heeft ingestuurd als gevolg waarvan de auto van de weg is geraakt. Daarenboven was verdachte ten tijde van het ongeval beginnend bestuurder en heeft hij het voertuig bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol. De verdachte heeft kort na het ongeval zijn medewerking verleend aan een voorlopig ademonderzoek. Het ademtestapparaat gaf een alcoholindicatie aan van G/F, wat indicatief is voor een alcoholconcentratie hoger dan 650 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld met welke snelheid verdachte heeft gereden. De in het strafdossier berekende snelheid is immers een snelheid berekend op basis van verkregen videobeelden en betreft slechts een indicatieve snelheid. Uit de verklaring van verdachte en de bevindingen zoals gerelateerd in het proces-verbaal van de FO Verkeer, in samenhang met de indicatieve snelheidsberekening, stelt de rechtbank wel vast dat verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en dat verdachte heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord en toegestaan was.1
Mate van schuld
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich bij dit eenzijdig ongeval zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bovendien verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 kan bestaan uit verschillende gradaties, te weten van aanmerkelijk onvoorzichtig
tot roekeloos. Laatstgenoemde gradatie geldt als zwaarste vorm van schuld. De rechtbank zal in de eerste plaats beoordelen of sprake is van roekeloosheid, zoals onder 1 primair ten laste gelegd.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 - waarin de strafbepaling van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 is vervat - aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is wanneer het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden en aangemerkt.
De rechtbank dient aldus te beoordelen of het gedrag van verdachte - dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval - ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. In dat kader dient de rechtbank te beoordelen of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) indien daarvan gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a.
De verkeersregels
De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat verdachte de maximumsnelheid heeft overschreden. Deze gedraging staat expliciet in artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 genoemd als voorbeelden van het schenden van de verkeersregels. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt bij toepassing van het eerste lid mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft aldus een van de verkeersregels geschonden als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl hij tevens onder invloed van alcohol verkeerde.
Door de officier van justitie is nog aangevoerd de omstandigheid dat verdachte onvoldoende rechts heeft gehouden zoals genoemd in artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder sub a, van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank weegt die omstandigheid niet mee nu dit inherent is aan de overige vastgestelde gedragingen.
In ernstige mate
Het bepaalde in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Hoewel daarbij eerder gedacht zal worden aan een samenstel van gedragingen, heeft de wetgever niet uitgesloten dat het ook om één (type) gedraging kan gaan. In dat geval zullen de aard en ernst van de overtreding in het licht van de overige feiten en omstandigheden moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Zoals hiervoor is overwogen gaat het in het onderhavige geval onder meer om het overschrijden van de maximumsnelheid en het rijden onder invloed van alcohol, wat naar alle waarschijnlijkheid een negatieve invloed heeft gehad op het reactievermogen van verdachte.
Niet staat echter vast hoe hard verdachte heeft gereden en in welke mate hij het maximum toegestane gehalte alcohol heeft overschreden. Hoewel het rijden onder invloed en met te hoge snelheid, zeker in combinatie, zeer verwerpelijk is en verdachte daarmee de verkeersveiligheid ernstig in gevaar heeft gebracht, maakt de onzekerheid over de snelheid en het alcoholgehalte dat naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onvoldoende vaststaat dat er sprake is geweest van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Dat betekent dat het verkeersgedrag van verdachte, welk gedrag tot het ongeval heeft geleid, naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden aangemerkt als roekeloos in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Gelet op het vorenoverwogene, behoeven de onderdelen c en d geen bespreking meer.
Zeer onvoorzichtig
Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval - zoals hiervoor overwogen - komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden en daarmee schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994. Het onder 1 primair ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend worden bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 19 mei 2024, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024131377 d.d. 17 maart 2025, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 19 mei 2024 te Hoogeveen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig, als beginnend bestuurder, na gebruik van alcoholhoudende drank,
  • te rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
  • een bocht naar links onvoldoende in te sturen, als gevolg waarvan het voertuig in een slip terecht is gekomen, waarna dit tegen een lantaarnpaal is gebotst, in een sloot terecht is gekomen, door de snelheid van het voertuig uit de sloot gelanceerd is en vervolgens tegen een hek is gebotst, waarvan een afgebroken deel het lichaam van [slachtoffer] is binnengedrongen, waardoor [slachtoffer] werd gedood,
terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
hij op 19 mei 2024 te Hoogeveen als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft
bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
3.
hij op 19 mei 2024 te Assen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
1. primair overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een
ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet; en
2. overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
3. overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, met toepassing van het volwassenenstrafrecht, gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit bij de bepaling van de straf het sanctiestelsel voor jeugdigen toe te passen en heeft daartoe aangevoerd, onder verwijzing naar het reclasseringsadvies, dat oplegging van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf geen recht doet aan de ontwikkeling die verdachte, als 19-jarige, ten tijde van het ongeval had. De raadsvrouw heeft primair bepleit aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie in combinatie met een onvoorwaardelijke werkstraf. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de duur van een eventueel aan verdachte op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie of gevangenisstraf te beperken tot een aantal maanden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van 30 september 2025, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 19 mei 2024, als bestuurder van een personenauto, zodanig in het verkeer gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat er een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij de bijrijder, tevens goede vriend van verdachte, is komen te overlijden. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig, te weten met een te hoge snelheid en onder invloed van alcohol, gereden. Daarbij is verdachte voor een bocht naar links met de auto in een slip terechtgekomen, van de weg geraakt en (uiteindelijk) tegen een hek gebotst als gevolg waarvan het slachtoffer ter plaatse is komen te overlijden. Verdachte heeft met zijn onverantwoordelijke verkeersgedrag de verkeersveiligheid ernstig geschonden en onomkeerbare gevolgen teweeggebracht. Verdachte was beginnend bestuurder en had zich bewust moeten zijn van de gevaren van het besturen van een auto onder invloed van alcohol. De rechtbank rekent het verdachte daarnaast aan dat verdachte nadien heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek, waardoor niet kon worden vastgesteld welke stoffen en in welke mate die stoffen in het bloed van verdachte hebben gezeten.
Uit de door de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring is indringend gebleken welke invloed en impact het overlijden van het slachtoffer op het leven van zijn familie en dierbaren heeft gehad en nog altijd heeft. Zij moeten verder zonder hun zoon en oudste broer en zullen dit grote verlies de rest van hun leven met zich meedragen. De rechtbank is zich ervan bewust dat voor de nabestaanden van het slachtoffer geen enkele straf in verhouding staat tot de onomkeerbare gevolgen van het ongeval en het aan hen toegebrachte leed. Bij de strafoplegging dient de rechtbank echter voor ogen te houden dat een aan de verdachte op te leggen straf in verhouding dient te staan tot de mate van verwijtbaarheid van zijn verkeersgedrag en niet in overwegende mate mag worden ingegeven door de ernst van de gevolgen daarvan. Dat neemt niet weg dat de rechtbank begrijpt dat de nabestaanden dit mogelijk anders zien.
Persoon van verdachte
Adolescentenstrafrecht
De verdachte was op het moment dat hij de strafbare feiten pleegde 19 jaar oud. Ten aanzien van een verdachte die ten tijde van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt, kan de rechtbank op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht rekening houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en het adolescentenstrafrecht toepassen. Daartoe moet de rechtbank grond vinden in de persoonlijkheid van verdachte of in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Een andere factor bij de beoordeling van eventuele toepassing van het adolescentenstrafrecht is de mogelijkheid van pedagogische beïnvloeding en de vraag of pedagogische beïnvloeding zinvol is. Tot slot kunnen ook verschillende contra-indicaties in de weg staan aan het toepassen van het adolescentenstrafrecht.
De reclassering schrijft in haar advies van 30 september 2025 dat zij op basis van de handelingsvaardigheden van verdachte de indruk heeft gekregen dat verdachte op sociaal-emotioneel gebied beperkt ontwikkeld lijkt. Mede door de ziekte en het overlijden van zijn vader heeft verdachte vanuit zijn thuissituatie mogelijk onvoldoende geleerd op een adequate manier met zijn emoties om te gaan. Hoewel verdachte stappen heeft gezet richting volwassenheid - onder meer door fulltime te werken en zelfstandig te willen gaan wonen - lijkt verdachte nog de volwassenheid te missen om weloverwogen keuzes te kunnen maken.
De reclassering schat voorts in dat verdachte openstaat voor pedagogische beïnvloeding en adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank merkt op dat de reclassering hierbij geen nadere onderbouwing geeft voor de inschatting dat verdachte pedagogisch beïnvloedbaar zou zijn. Omdat de reclassering interventies of toezicht niet noodzakelijk acht, adviseert de reclassering oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen zwaarwegende consequenties - anders dan de algemene nadelen die voor iedereen gelden - van het opleggen van een gevangenisstraf.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de persoon van verdachte noch de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan aanleiding geven in het onderhavige geval het adolescentenstrafrecht toe te passen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat toepassing van het adolescentenstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Ook ging en gaat verdachte niet meer naar school, heeft hij betaald werk en is hij voornemens op zichzelf te gaan wonen. In zoverre volgt de rechtbank het advies van de reclassering dan ook niet. De rechtbank zal bij het bepalen van de op te leggen straf wel in strafmatigende zin rekening houden met de nog jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten.
De reclassering schrijft in haar advies van 30 september 2025 voorts dat de belangrijkste criminogene factoren zijn gelegen in het middelengebruik en de houding van verdachte. De verdachte dronk in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten meer alcohol dan gebruikelijk. De reclassering kan geen inschatting maken in hoeverre het overlijden van de vader van verdachte in 2023 een rol heeft gespeeld in het alcoholgebruik van verdachte. Uit het onderzoek van de reclassering blijkt wel dat verdachte zijn middelengebruik na het ongeval sterk heeft geminderd. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat dit nog steeds het geval is. De reclassering schrijft voorts dat gelet op de gevolgen en impact van het handelen van verdachte wordt verwacht dat hij in de toekomst andere keuzes zal gaan maken. Ook schrijft de reclassering dat verdachte openstaat voor behandeling van zijn traumas, waaronder het overlijden van zijn vader en het overlijden van het slachtoffer in onderhavige zaak.
In strafmatigende zin weegt de rechtbank voorts mee dat ook verdachte verder moet leven met de wetenschap dat een aan zijn schuld te wijten ongeval het leven van een goede vriend heeft gekost. Verdachte voelt zich zeer schuldig, vooral in de richting van de familie van het slachtoffer, en worstelt ook zelf met het verlies van het slachtoffer. De rechtbank is ervan overtuigd dat verdachte oprecht is in zijn spijt en zijn gevoelens van schuld. Ook heeft de rechtbank gezien dat verdachte zich verantwoordelijk
voelt voor de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank constateert voorts dat volgens zijn zeggen het in de jeugdige vriendengroep van verdachte kennelijk niet ongebruikelijk was om met alcohol op te gaan rijden en dat verdachte heeft aangegeven hij inmiddels afstand heeft genomen van dit afkeurenswaardige normenpatroon.
Daarnaast heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie op 23 november 2023 een strafbeschikking heeft ontvangen voor een snelheidsovertreding op 9 augustus 2023.
Tijdsverloop
Gelet op het tijdsverloop dient de rechtbank bij de strafoplegging voorts rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging op grond van artikel 6 EVRM Pro tot een berechting moet komen. Vanaf het moment dat verdachte op 19 mei 2024 is gehoord en er, gelet op de inhoud van het verhoor, vanuit mocht gaan dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd, tot aan deze uitspraak van de rechtbank zijn meer dan twee jaren verstreken. Naar vaste rechtspraak moet overschrijding van de redelijke termijn in beginsel tot strafvermindering leiden. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf daarom rekening houden met dit tijdsverloop en dit verdisconteren in de op te leggen taakstraf.
Strafoplegging
De rechtbank heeft oog voor de ingrijpende gevolgen van een op te leggen gevangenisstraf aan de nog jonge verdachte. De ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en de grote gevolgen voor de nabestaanden, maken echter dat uit het oogpunt van vergelding en normering niet kan worden volstaan met een straf die geen onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich mee brengt.
Ook heeft de rechtbank bij de bepaling van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening te houden met straffen zoals die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. In het onderhavige geval is bewezen verklaard dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen. In die gevallen kan aansluiting worden gezocht bij de categorieën ernstige schuld en zeer hoge mate van schuld, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in de strafmaat naar de mate van verwijtbaarheid. Volgens voornoemde oriëntatiepunten geldt bij het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop en een ernstige dan wel zeer hoge mate van schuld, waarbij tevens sprake is van alcoholgebruik, als uitgangspunt dat aan verdachte in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zal worden opgelegd.
De rechtbank ziet in de persoon van verdachte reden om een deel van de op te leggen gevangenisstraf te vervangen door een taakstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen taakstraf weegt de rechtbank voorts mee dat verdachte zijn medewerking aan een bloedonderzoek heeft geweigerd. Om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten ziet de rechtbank ook aanleiding een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Gelet op het rijgedrag van verdachte en met het oog op de verkeersveiligheid acht de rechtbank tevens oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur passend en
geboden.
Alles afwegende en rekening houdend met de hiervoor genoemde factoren acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank in beginsel een taakstraf voor de duur van 200 uur passend en geboden, maar in verband met de overschrijding van de redelijke termijn legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 180 uren. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte op een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.
De rechtbank legt een lagere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde, met betrekking tot de mate van schuld, tot een andere bewezenverklaring komt en naast de op te leggen gevangenisstraf aan verdachte tevens een taakstraf van aanzienlijke duur oplegt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 163, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 (negentig) dagen zal worden toegepast.
Ten aanzien van feit 1 primair
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen- bromfietsen daaronder begrepen - voor de duur van 3 (drie) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. R. Depping en mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2026.
1 Proces-verbaal FO Verkeer d.d. 24 oktober 2024, opgenomen op pagina 76 e.v.