Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Tenlastelegging
- te rijden met een snelheid van (gemiddeld) ten minste 92 km/u terwijl aldaar een maximumsnelheid van 50 km/u gold, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
- een stuurfout te maken en/of in een bocht naar links onvoldoende in te sturen, als gevolg waarvan het voertuig in een slip terecht is gekomen, waarna deze tegen een lantaren paal is gebotst, in een sloot terecht is gekomen, door de snelheid van het voertuig de sloot uit gelanceerd is en vervolgens tegen een hek is gebotst, waarvan een afgebroken deel het lichaam van [slachtoffer] is binnengedrongen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
- heeft gereden met een snelheid van (gemiddeld) ten minste 92 km/u terwijl aldaar een maximumsnelheid van 50 km/u gold, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
- een stuurfout heeft gemaakt en/of in een bocht naar links onvoldoende heeft ingestuurd,
Beoordeling van het bewijs
- bestond uit 1 rijbaan;
- voorzien was van onderbroken belijning op een afstand van circa 70 centimeter vanaf de rijbaankant;
- op de plaats van het verkeersongeval een bocht naar links beschreef.
Reguliere verkeersmaatregelen
Interpretatie bevindingen
De verkeersregels
Bewezenverklaring
- te rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
- een bocht naar links onvoldoende in te sturen, als gevolg waarvan het voertuig in een slip terecht is gekomen, waarna dit tegen een lantaarnpaal is gebotst, in een sloot terecht is gekomen, door de snelheid van het voertuig uit de sloot gelanceerd is en vervolgens tegen een hek is gebotst, waarvan een afgebroken deel het lichaam van [slachtoffer] is binnengedrongen, waardoor [slachtoffer] werd gedood,
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Strafmotivering
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.