ECLI:NL:RBNNE:2026:228

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/1271
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheidsverklaring bezwaar wegens misbruik van recht in bestuursrechtelijke procedure

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedateerd 23 januari 2026, wordt een beroep behandeld van een eiser die bezwaar had gemaakt tegen een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie, waarin zijn verzoek om openbaarmaking van informatie werd afgewezen. De minister verklaarde het bezwaar van de eiser kennelijk niet-ontvankelijk op grond van misbruik van recht, zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank oordeelt echter dat de minister deze bepaling niet kon inroepen, omdat de eiser niet was gehoord en de beslissing niet juist was. De rechtbank legt uit dat de antimisbruikbepaling alleen kan worden ingeroepen als het verzoek daadwerkelijk buiten behandeling wordt gesteld, wat hier niet het geval was. De rechtbank concludeert dat de minister onterecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de eiser recht heeft op een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de eiser.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen),

en
de Minister van Veiligheid en Justitie, namens deze het College van procureurs-generaal,
(gemachtigden: mr. M.P. Ketting, mr. R. Saglam en mr. M.T. Ilbay).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit waarin de minister het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat sprake is van misbruik van recht, zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Wet open overheid (Woo). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beslissing niet juist is, omdat de bepaling door de minister niet kon worden ingeroepen en eiser niet is gehoord. Het beroep van eiser is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop1.Eiser heeft op 14 mei 2024 een verzoek ingediend om openbaarmaking van informatie zoals bedoeld in artikel 4 van de Woo. Het verzoek heeft betrekking op alle stukken, digitale bescheiden daaronder begrepen, die zien op de contacten tussen journalisten en ambtenaren van het Openbaar Ministerie over de periode 1 mei 2021 tot en met 14 mei 2024.

1.1.
Met het besluit van 19 september 2024 heeft de minister het verzoek afgewezen omdat na een inventarisatie slechts één document was aangetroffen, waarin na weglating van informatie die op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Woo niet openbaar gemaakt kan worden, geen zelfstandige informatie resteert.
1.2.
Namens eiser is op 17 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister. De gemachtigde van eiser heeft bevestigend gereageerd op het verzoek van de minister om te laten weten of hij/eiser op het bezwaar wenst te worden gehoord.
2. Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van misbruik van recht, zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo.
3. Namens eiser is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen geregistreerd onder de nummers LEE 25/1661, LEE 25/923, LEE 25/1249, LEE 25/2613 en LEE 25/1021. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigden van minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
De standpunten van partijen
5. Eiser bestrijdt dat sprake is van misbruik van recht en stelt dat artikel 4.6 van de Woo ziet op het buiten behandeling laten van een verzoek op grond van artikel 4.1 van de Woo. De minister kan de behandeling van een bezwaarschrift niet om die reden buiten behandeling laten nadat hij het verzoek inhoudelijk heeft beoordeeld. Eiser stelt dat de minister dan ook ten onrechte geen inhoudelijke overwegingen heeft gewijd aan de bezwaargronden. Tot slot stelt eiser dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaren is gehoord.
6.
De minister heeft zich in het bestreden besluit en het verweerschrift gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser in de periode van 1 januari 2022 tot en met 6 februari 2025 minimaal twaalf Woo-verzoeken heeft ingediend. Daarnaast heeft eiser eenzelfde aantal verzoeken ingediend op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). In alle Woo-procedures zijn ingebrekestellingen verstuurd en beroepen niet tijdig beslissen aanhangig gemaakt. Tegen zes Woo-besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt en tegen twee beslissingen op bezwaar is beroep ingesteld. Ook in de Wjsg- en AVG-verzoeken wendt eiser rechtsmiddelen aan. Voorts dient eiser niet alleen verzoeken in bij het Openbaar Ministerie maar ook bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (32 Woo-verzoeken). De hoeveelheid procedures, de onredelijke reikwijdte van de verzoeken, de korte periode waarbinnen de omvangrijke verzoeken worden ingediend, de onredelijke belasting voor de organisatie zonder dat dit een rechtmatig doel dient, het procedeergedrag van eiser en de hoeveel klachten en procedures met het oog op verkrijgen van dwangsommen, leiden de minister tot de conclusie dat eiser niet het verkrijgen van publieke informatie nastreeft. Omdat op voorhand geen twijfel bestond over deze uitkomst is eiser terecht niet gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

Het toetsingskader
7. In artikel 4.6 van de Woo is de zogenoemde antimisbruikbepaling opgenomen. Deze bepaling luidt als volgt:
‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’
Is het beroep niet-ontvankelijk?
8. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat met het instellen van beroep tegen het bestreden besluit door eiser ook sprake is van misbruik van recht. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
8.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [2] kan op grond van artikel 3:13, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt. In zo’n geval kan het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden, maar daarvoor zijn zwaarwichtige gronden vereist. Die zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het gebruik van die bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt geldt ook voor verzoeken op grond van de Woo. [3]
8.2.
De rechtbank overweegt dat wanneer het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, eiser geen oordeel van de rechter kan verkrijgen over de kennelijk niet-ontvankelijkheidverklaring van zijn bezwaar tegen het inhoudelijke besluit dat door de minister is genomen op zijn Woo-verzoek. [4] Daarmee zou in feite de toegang tot de rechter worden ontzegd. Door de minister zijn onvoldoende zwaarwichtige gronden aangevoerd op grond waarvan dit kan worden gerechtvaardigd. De rechtbank acht dit een doorslaggevende omstandigheid die ertoe leidt dat het beroep ontvankelijk is.
Mocht de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren?
9.
De antimisbruikbepaling van artikel 4.6 van de Woo biedt het bestuursorgaan de mogelijkheid om, indien sprake is van misbruik, een verzoek als bedoeld in artikel 4.1 van de Woo buiten behandeling stellen. De bepaling ziet aldus op een verzoek. Dat blijkt ook uit het feit dat de bepaling is opgenomen in hoofdstuk 4 van de wet, dat gaat over verzoeken.
10. De rechtbank stelt vast dat de minister het onderhavige verzoek van eiser niet buiten behandeling heeft gesteld wegens misbruik van recht, maar het (inhoudelijk) in behandeling heeft genomen. De minister heeft zich ten tijde van het besluit op het verzoek (september 2024) niet op het standpunt gesteld dat sprake is van misbruik van recht. Op het verzoek is door de minister een gemotiveerd (inhoudelijk) besluit genomen.
11. De antimisbruikbepaling kan niet worden ingeroepen indien sprake is van een door een verzoeker ingediend gemotiveerd bezwaar tegen een inhoudelijk besluit op een Woo-verzoek. Dat zou immers de rechtsbescherming tegen inhoudelijke besluiten die het bestuursorgaan neemt op in behandeling genomen verzoeken zinledig maken. Dat klemt temeer indien zoals in onderhavige situatie het bezwaar wordt ingediend door een professioneel gemachtigde. Wat er ook zij van de door de minister gestelde belasting door eiser op de beschikbare overheidscapaciteit, het tegengaan van oneigenlijk gebruik van rechten of bevoegdheden kan niet zo ver gaan dat een burger zich, bijgestaan door een advocaat, niet meer in rechte kan verweren tegen een inhoudelijk besluit van de overheid. Alleen wanneer een verzoek op goede gronden door het bestuursorgaan buiten behandeling gesteld wordt wegens misbruik van recht, kunnen de door de burger daartegen aangewende rechtsmiddelen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Heeft de minister kunnen afzien van het horen in bezwaar?
12. Op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen in bezwaar worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. Het horen in bezwaar is het uitgangspunt en er moet terughoudend worden afgezien van horen. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Ook is relevant of de indiener van het bezwaarschrift verzoekt om een hoorzitting.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. Eiser heeft een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend en daarbij - desgevraagd door de minister – aangegeven op zijn bezwaar te willen worden gehoord. De minister heeft in bezwaar een gewijzigd standpunt ingenomen dan in het besluit in primo en heeft zich reeds daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar van eiser niet tot een andere uitkomst kon leiden.

Conclusie en gevolgen13.Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onterecht de antimisbruikbepaling van artikel 4.6 van de Woo heeft ingeroepen en het bezwaar van eiser tegen het inhoudelijke besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De minister heeft eiser ten onrechte niet op zijn bezwaar gehoord.

13.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
15. Omdat het beroep gegrond is zal de rechtbank de minister veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1, zaak van gemiddeld gewicht). Ook moet de minister het griffierecht vergoeden dat door eiser is betaald.
15.1.
Eiser heeft gevraagd om een vergoeding van de proceskosten, te weten de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank heeft het beroep op dezelfde dag en gelijktijdig behandeld met andere beroepen van eiser (zie overweging 4). Eiser heeft voor het bijwonen van de behandeling van meerdere beroepszaken, dus slechts eenmaal reiskosten gemaakt. De vergoeding van die reiskosten is door de rechtbank al aan eiser toegekend in de uitspraak van zaaknummer LEE 25/1661. Dit betekent dat er in de zaak die nu voorligt, geen proceskosten meer zijn die nog voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 februari 2025;
- draagt de minister op om binnen een termijn van twaalf weken na de dag van verzending
van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met
inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zaak LEE 25/1249 heeft mr. N.A.H. Limbourg zich als gemachtigde van eiser gesteld. Zij was ter zitting niet aanwezig.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:N:RVS:2018:4256.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2163.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2061, r.o. 6.7, laatste twee zinsneden.