Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2272

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
18-063241-26
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 302 SrArt. 304 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling politieambtenaar met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 1 maart 2026 heeft verdachte te Groningen een politieambtenaar met meerdere krachtige vuistslagen in het gezicht mishandeld, waarbij het slachtoffer ten val kwam en letsel opliep. De rechtbank acht bewezen dat verdachte met opzet zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen, maar het misdrijf niet heeft voltooid, waardoor sprake is van poging tot zware mishandeling.

De rechtbank baseert haar oordeel op de verklaring van het slachtoffer, de bekentenis van verdachte, camerabeelden en medisch rapport van een kaakchirurg. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet, maar dit werd verworpen vanwege de kracht en aard van de slagen.

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en behandeling. Tevens is een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer gelegd en omgezet in een taakstraf.

De rechtbank kende ook een schadevergoeding toe aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en legde een schadevergoedingsmaatregel op om betaling af te dwingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en gedeeltelijke tenuitvoerlegging eerdere voorwaardelijke straf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-063241-26 en 18-105978-22 (vordering na voorwaardelijke veroordeling)
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 juni 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 mei 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Scholten, advocaat te Groningen.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door S. Kromdijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 maart 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [slachtoffer] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-die [slachtoffer] (meerdere malen) (met kracht) (met een zwaaiende beweging) met een (gebalde) vuist en/of met de hand in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of heeft geduwd en/of althans die [slachtoffer] heeft geraakt en/of
-waarbij die [slachtoffer] door de (harde) klap (achterover) ten val is gekomen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 1 maart 2026 te Groningen een ambtenaar, [slachtoffer] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door
-die [slachtoffer] (meerdere malen) (met kracht) (met een zwaaiende beweging) met een (gebalde) vuist en/of met de hand in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of te duwen en/of althans die [slachtoffer] te raken en/of
-waarbij die [slachtoffer] door de (harde) klap (achterover) ten val kwam en/of ten gevolge waarvan die [slachtoffer] een of meerdere zwelling(en) in het gezicht en/of ka(a)k(en) en/of oor opliep en/of een of meerdere (schaaf)verwonding(en) aan de arm en/of hand(en) en/of een aan het oor opliep.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft aangeefster eerst geduwd en nadat hij voor de tweede keer viel heeft hij haar geslagen. Het geven van een enkele klap is onvoldoende om te spreken van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor het subsidiaire feit heeft de verdediging geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 29 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Aangeefster rende achter mij aan. Ik heb haar toen met mijn vuist met een zwaaibeweging tegen haar hoofd geslagen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 maart 2026, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026053196 d.d. 6 maart 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: [adres]
Pleegdatum/tijd: Op zondag 1 maart 2026 om 05:05 uur Ik was tijdens de mishandeling in dienst als politieagent.
De man hief zijn rechterarm op en sloeg hard met zijn vuist op mijn linkerkaak. Door de klap viel ik achterover op de grond. Mijn linkerhand en mijn stuitje deden hierdoor pijn. De man rende weg en ik rende achter hem aan. Hij hief zijn arm op en sloeg hard met zijn vuist tegen de rechterzijde van mijn gezicht. Ik voelde pijn aan mijn rechteroor en aan mijn rechterkaak. Door de klap viel ik op de grond op mijn stuitje. Mijn rechteroor was gevoelig en er kwam bloed uit.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 maart 2026, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de beschrijving van de camerabeelden:
Verdachte haalde met zijn rechterarm uit naar het slachtoffer. Een stuk jas ter hoogte van het hoofd van verdachte komt tevoorschijn boven de politieauto en raakt het slachtoffer. Het slachtoffer viel naar achteren op haar rug. De rechterarm van verdachte deinsde terug waarbij zijn rechtervuist duidelijk te zien was. De rechtervuist ging met een hoge zwaai tot over het hoofd van de verdachte terug. Verdachte rende weg en het slachtoffer rende achter hem aan. Verdachte nam een gevechtshouding aan en sloeg met zijn rechtervuist met veel kracht tegen de rechterzijkant van het gezicht van het slachtoffer. Op het moment van contact tussen de vuist en het gezicht was de arm van de verdachte volledig gestrekt en na de klap zwaait zijn arm door. Door de kracht van deze klap viel het slachtoffer op haar linkerzij op de grond.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2026, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de als bijlage gevoegde brief van [kaakchirurg] , kaakchirurg:
Patiënt [slachtoffer] werd op 3 maart 2026 gezien. Uit het lichamelijk onderzoek blijkt dat er een haematoom was aan haar linkerwang en een geringe zwelling aan de linker- en rechterwang.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar tot twee keer toe met kracht in het gezicht heeft geslagen. Hoewel verdachte alleen de tweede klap bekent, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster steun vindt in de beschrijving van de camerabeelden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte tweemaal een vuistslag in het gezicht van aangeefster heeft gegeven.
Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat aangeefster beide keren als gevolg van de vuistslagen op de grond is gevallen. Dat duidt erop dat beide vuistslagen met kracht zijn gegeven. Op de beelden van de tweede vuistslag is bovendien te zien dat verdachte op aangeefster instapt, uithaalt, zijn arm volledig strekt waarna hij het gezicht van aangeefster raakt en zijn arm daarna nog door zwaait.
Naar algemene ervaringsregels roept het hard en met gebalde vuist slaan in het gezicht en daarmee tegen het hoofd de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt, nu het gezicht en het hoofd door de aard, constitutie en door alle vitale functies die hier gesitueerd zijn bij uitstek een kwetsbaar gebied is. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft een ieder - en dus ook verdachte - wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Uit de hiervoor weergeven bewijsvoering volgt dat verdachte aangeefster met volledig gestrekte arm een harde vuistslag heeft gegeven op de rechterzijde van haar gezicht, met zodanige kracht dat aangeefster op de grond is gevallen. Deze gedraging is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 1 maart 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, [slachtoffer] , gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-die [slachtoffer] meerdere malen (met kracht) (met een zwaaiende beweging) met een gebalde vuist in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen
-waarbij die [slachtoffer] door de (harde) klap achterover ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
- poging zware mishandeling
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering en de vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de bij het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 3 november 2022 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 12
maanden gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd, te weten voor de duur van 4 maanden. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat het feit weliswaar aan het einde van de proeftijd is gepleegd en dat bij verdachte een positieve ontwikkeling zichtbaar is, maar dat een volledige afwijzing van de vordering niet uit te leggen is aan de maatschappij.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De raadsvrouw heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de positieve ontwikkeling die hij heeft laten zien de afgelopen tijd en de inhoud van het reclasseringsrapport. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen gelet op het reclasseringsadvies waarin staat dat de reclassering de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet als risicoverlagend ziet.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van GGZ VNN van 20 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieagente die op verzoek van verdachte juist hulp probeerde te verlenen aan een vriend van verdachte, die het slachtoffer zou zijn geworden van mishandeling. Het onder deze omstandigheden plegen van onbegrijpelijk en zinloos geweld tegen een agente, getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Verdachte heeft daarmee verhinderd dat de agente ter plaatse handhavend kon optreden en heeft de reeds onveilige situatie ernstig doen escaleren. Bovendien ondervindt het slachtoffer tot op heden de gevolgen van wat haar door de verdachte is aangedaan en is zij verminderd inzetbaar voor de publieke taak. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Gelet op het strafblad van verdachte en het reclasseringsadvies, acht de rechtbank het risico op herhaling van geweldsdelicten aanwezig. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal hieraan een proeftijd van 3 jaar verbinden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Verdachte is bij vonnis van 3 november 2022 door deze rechtbank onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden, zodat de vordering in beginsel kan worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is besproken, het feit dat het onderhavige feit tegen het einde van de proeftijd is gepleegd en het sanctiepakket als geheel bezien, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen, te weten voor de duur van 120 dagen en de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf van 240 uren. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 106,33 ter vergoeding van materiële schade en 2.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding in zijn geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële en immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Aan de wettelijke vereisten genoemd in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom in zijn geheel worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2026.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot drie maandenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat veroordeelde zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
dat veroordeelde zich zal laten behandelen door de AFPB van Mesdag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De (reeds gestarte) behandeling wordt hervat na het ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze en inhoud van behandeling;
dat veroordeelde geen alcohol zal gebruiken, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde zal meewerken aan controles. Dit kunnen zijn: urineonderzoek, ademonderzoek, of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Voorts geldt dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan Reclassering GGZ VNN te Groningen tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 2.106,63 (zegge: tweeduizend honderdzes euro en drieënzestig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.106,63 (zegge: tweeduizend honderdzes euro en drieënzestig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 106,63 aan materiële schade en 2.000 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 21 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.105978-22:

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 3 november 2022 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten: 120 dagen gevangenisstraf.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
Mr. G. Veenstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.