AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor zware mishandeling, vernieling en bedreiging met steelpan
Op 16 december 2025 heeft verdachte in Leeuwarden twee willekeurige slachtoffers met een steelpan aangevallen, waarbij één slachtoffer een blijvend litteken opliep. Daarnaast vernielde verdachte eigendommen van een kapperszaak en bedreigde een ander slachtoffer met zware mishandeling. Verdachte verkeerde tijdens de feiten in een psychose door drugsgebruik en is verminderd toerekeningsvatbaar verklaard.
De rechtbank sprak verdachte vrij van poging doodslag en poging zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs van opzet, maar achtte de subsidiaire feiten van zware mishandeling, vernieling en bedreiging wettig en overtuigend bewezen. De strafmaat werd bepaald op 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, inclusief bijzondere voorwaarden gericht op behandeling van verslavings- en psychische problematiek.
De rechtbank kende aan de benadeelden materiële en immateriële schadevergoeding toe, waarbij de vorderingen deels werden toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd om betaling te bevorderen. De straf en voorwaarden zijn mede gebaseerd op psychologisch en reclasseringsadvies.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en schadevergoedingen aan slachtoffers.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-345187-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 2 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] , correspondentieadres: [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.I. Veenstra, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, immers heeft verdachte meermalen (met kracht) met een steelpan, althans met een hard (stalen) voorwerp, geslagen tegen het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een (blijvend) litteken in het gezicht heeft toegebracht, door meermalen (met kracht) met een steelpan, althans met een hard (stalen) voorwerp, te slaan tegen het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] ;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte meermalen (met kracht) met een steelpan, althans met een hard (stalen) voorwerp, geslagen tegen het hoofd/gezicht, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk (onder meer) een spiegel en/of professionele scharen en/of machines en/of een kapperskruk en/of een salonwagen en/of een kledingrek, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [bedrijf] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte meermalen (met kracht) met een steelpan, althans met een hard (stalen) voorwerp, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een steelpan, althans met een hard (stalen) voorwerp, op die [slachtoffer 2] in te lopen en/of slaande bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 2] .
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Feit 1
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1. primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde.
Feit 2
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder 2. ten laste gelegde.
Feit 3
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3. primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd van het onder 3. subsidiair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
Feit 1
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1. subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.
Feit 2
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde.
Feit 3
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3. primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3. subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1 vrijspraak poging doodslag
De rechtbank is met de officier van justitie en raadsvrouw van oordeel dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van aangever [slachtoffer 1] . Zij spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde.
Feit 3 vrijspraak poging zware mishandeling
De rechtbank is met de officier van justitie en raadsvrouw van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever [slachtoffer 2] . Zij spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht het onder 1. subsidiair, 2. en 3. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en
ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 december 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025339119 van 24 december 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2026, opgenomen op pagina 1 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
Een geneeskundige verklaring, op 6 januari 2026 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts voor zover inhoudend, als verklaring van [arts] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 16 december 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1. subsidiair, 2. en 3. subsidiair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op 16 december 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in het gezicht, heeft toegebracht door meermalen met een steelpan te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer 1] ;
hij op 16 december 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een spiegel, professionele scharen, machines, kapperskruk, salonwagen en een kledingrek die aan [bedrijf] en/of H. [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft vernield en beschadigd;
3. subsidiair
hij op 16 december 2025 te Leeuwarden [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling door met een steelpan slaande bewegingen te maken in de richting van [slachtoffer 2] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair zware mishandeling.
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen.
subsidiair bedreiging met zware mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. subsidiair, 2. en 3. subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 4 mei 2026 en de Pro Justitia rapportage van psycholoog M. ten Berge van 20 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft, onder invloed van drugs en in een psychose verkerend, zich in een heel kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een zware mishandeling, bedreiging en vernieling van willekeurige slachtoffers. Op 16 december 2025 heeft verdachte op klaarlichte dag en zonder aanleiding geprobeerd het slachtoffer [slachtoffer 2] aan te vallen met een steelpan. Verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer te slaan met deze pan, maar dit is niet gelukt omdat het slachtoffer zich wist af te weren met zijn bezem die hij op dat moment in zijn handen had. Verdachte mag van geluk spreken dat het slachtoffer zichzelf wist te verdedigen en geen lichamelijk letsel heeft opgelopen, want gelet op de toestand waarin de verdachte verkeerde had het heel anders kunnen aflopen. Desondanks voelde het slachtoffer zich ernstig bedreigd door verdachte. Vervolgens heeft verdachte zich gericht tot de kapperszaak van het slachtoffer. In deze zaak heeft hij een groot gedeelte van de inventaris vernield en beschadigd. Hier is het echter niet bij
gebleven, want verdachte heeft aansluitend hierop zonder enige aanleiding [slachtoffer 1] , eigenaar van de naast de kapperszaak gelegen dierenwinkel, aangevallen en ernstig toegetakeld door twee keer met de steelpan tegen zijn hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft hier een blijvend en ontsierend litteken in zijn gezicht aan overgehouden.
Verdachte heeft zich op één dag twee keer gewelddadig gedragen tegen twee verschillende willekeurige slachtoffers. Door zijn handelen heeft hij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. De rechtbank overweegt dat dergelijke zinloze gewelduitspattingen in het openbaar bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Voorbijgangers zijn namelijk ongewild geconfronteerd met de heftige en ernstige gedragingen van verdachte. Ook moet het slachtoffer [slachtoffer 1] door toedoen van verdachte voortaan door het leven met een litteken in zijn gezicht. Verder heeft verdachte, door het vernielen van de inventaris van de kapperszaak, laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander.
Persoon van verdachte
Volgens de psycholoog die in februari 2026 over verdachte heeft gerapporteerd, is er bij hem sprake van ernstige middelenproblematiek en een psychotische stoornis als gevolg van zijn drugsgebruik. Voorts lijkt er sprake te zijn van antisociale trekken en borderline gerelateerde kenmerken. Ook is er sprake van ontwikkelings-, emotie- en agressieregulatieproblematiek. Ten aanzien van de ontwikkelingsproblematiek lijkt dit tot uiting te komen in ADHD-klachten. In de toekomst zal moeten worden onderzocht om te bezien of er ook sprake is van blijvende psychotrauma gerelateerde problematiek. De psycholoog heeft daarnaast geconstateerd dat er sprake is van ernstige psychosociale problematiek, schulden en een gebrek aan passende dagbesteding. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de feiten en hebben verdachtes handelen op dat moment beïnvloed. Geadviseerd wordt om de feiten in sterk verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. Hoewel verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in een psychose verkeerde ziet de psycholoog geen aanleiding om de feiten in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. Hij was namelijk op de hoogte van de effecten van drugsgebruik, met name omdat verdachte al vaker psychotisch is geweest als gevolg van het gebruik hiervan. Indien verdachte niet wordt behandeld, wordt de kans op recidive, gelet op de verslavings- en de daarmee samenhangende psychotische problematiek, als hoog ingeschat. Volgens de psycholoog is een langdurende intensieve klinische behandeling noodzakelijk om het recidiverisico terug te dringen. Deze behandeling zal in de vorm van bijzonder voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel opgelegd kunnen worden.
Uit de reclasseringsrapportage van mei 2026 is gebleken dat verdachte geen beschermende factoren heeft. Evenals de psycholoog adviseert de reclassering oplegging van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van drie jaren. Gelet op het hoge risico op recidive en een terugval in middelengebruik, acht de reclassering het van belang dat verdachte plaatsing in een passende kliniek afwacht in detentie.
De rechtbank neemt, net als de officier van justitie en de verdediging, voormelde conclusie van de psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over. De rechtbank rekent het bewezenverklaarde dan ook in verminderde mate aan verdachte toe.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vernieling.
De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsstraf de enige passende straf is, omdat de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de enorme impact van de onvoorspelbare en onvoorzienbare gedragingen van verdachte, waarmee willekeurige slachtoffers en getuigen ongewild zijn geconfronteerd. De rechtbank zal een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen en om de oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken. De rechtbank zal derhalve de eis van de officier van justitie volgen. Oplegging van een straf zoals bepleit door de verdediging acht de rechtbank niet passend gelet op de ernst van de feiten en de ernst van de problematiek van verdachte.
Alles afwegend komt de rechtbank tot een oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, en met een proeftijd van 3 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De duur van de klinische opname als bijzondere voorwaarde wordt beperkt tot één jaar.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 622,34 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 1590,04 ter vergoeding van materiële schade en 850,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
- Spijkerbroek, T-shirt en bril
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig kan worden toegewezen waarbij de rechtbank gebruik maakt van haar schattingsbevoegdheid.
- gederfde inkomsten partner
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld de vordering van de benadeelde partij te matigen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
Het toe te wijzen schadebedrag kan worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
De raadsvrouw heeft primair bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat de gestelde schade niet is onderbouwd.
De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit de vordering van de benadeelde partij te matigen omdat de omvang van de gestelde schade, voor wat betreft de gederfde inkomsten van zijn partner, bovenmatig en onvoldoende onderbouwd zijn.
Ten aanzien van [slachtoffer 2]
De raadsvrouw heeft primair bepleit de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren, want uit de overgelegde stukken blijkt onvoldoende in hoeverre de gestelde schade reeds via een verzekering is, dan wel had kunnen worden, verhaald.
Materiële schade
- Eigen risico
De raadsvrouw heeft bepleit de schadepost niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het toekomstige schade betreft.
- Bril
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
- Spiegels en reiskosten voor het ophalen van de spiegels
De raadsvrouw heeft bepleit de schadepost te matigen, want uit het dossier blijkt dat er slechts één spiegel is beschadigd, terwijl de benadeelde partij twee nieuwe spiegels heeft gekocht. Voorts is onvoldoende onderbouwd waarom de spiegels alleen in Eindhoven verkrijgbaar waren.
- Kapstok
De raadsvrouw heeft bepleit de schadepost te matigen op grond van het nieuw voor oud-beginsel.
- Kappersscharen
De raadsvrouw heeft bepleit de schadepost te matigen, want er kan niet zonder meer worden aangenomen dat een schaar door één val volledig onbruikbaar is geworden en daarnaast kunnen de scharen professioneel worden geslepen. Dit is goedkoper dan het aanschaffen van nieuwe scharen.
- Gemiste inkomsten
De raadsvrouw heeft bepleit de schadepost af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de benadeelde partij omzetverlies vordert, terwijl voor vergoeding slechts gederfde winst in aanmerking komt. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de gestelde omzet daadwerkelijk verloren is gegaan.
Immateriële schade
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
- Spijkerbroek, T-shirt en bril
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag van 94,98 komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor
en - gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 vanPro het Burgerlijk Wetboek - schat de
rechtbank de hoogte van de materiële schade dan ook op 94,98.
- Gederfde inkomsten partner
Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Résume
De verdachte is gehouden tot vergoeding van een bedrag van 94,98 aan materiële schade zodat de vordering tot een bedrag van 94,98 zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van [slachtoffer 2] Materieel
- Eigen risico
De rechtbank constateert dat de benadeelde partij de schadepost niet voldoende heeft onderbouwd met stukken. Het is onduidelijk hoeveel de behandelingen bij de psycholoog hebben gekost. De rechtbank zal de gevorderde schade ten aanzien van deze post daarom niet-ontvankelijk verklaren.
- Bril
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. subsidiair bewezen verklaarde. De gevorderde schade ten aanzien van deze post, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen.
- Spiegels
De rechtbank zal de gevorderde schade ten aanzien van deze post toewijzen tot een bedrag van 250,00. Deze schade ziet op de vergoeding van één spiegel. Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden en dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. De rechtbank zal het overige gevorderde niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze schade niet in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit.
- Reiskosten voor het ophalen van de spiegels
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. De gevorderde schade ten aanzien van deze post, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.
- Kapstok
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. De gevorderde schade ten aanzien van deze post, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.
- Scharen
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. De gevorderde schade ten aanzien van deze post, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.
- Gemiste inkomsten
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. en 3. subsidiair bewezen verklaarde. Het gevorderde bedrag van 400,00 komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en - gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 vanPro het Burgerlijk Wetboek - schat de rechtbank de hoogte van de materiële schade dan ook op 400,00.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. subsidiair bewezenverklaarde. De rechtbank ziet in het vastgestelde geestelijk letsel voldoende aanleiding om te komen tot het oordeel dat er bij de benadeelde partij sprake is geweest van aantasting in de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank acht het gehele gevorderde bedrag billijk en de vordering zal daarom worden toegewezen.
Résume
De verdachte is gehouden tot vergoeding van een bedrag van 979,88 aan materiële schade en van 850,00 euro aan immateriële schade, zodat de vordering tot een bedrag van 1.829,88 zal worden toegewezen.
Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en 3. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1. subsidiair, 2. en 3. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf ( een gedeelte, groot 10 maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering, waaronder ook huisbezoeken vallen.
dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door FVK Basalt/Oostvaarderskliniek te Almere of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling
bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zowel verslavings- als psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3. dat de veroordeelde zich laat behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zowel verslavings- als psychische problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een
zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid- en of beschermd wonen te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
5. dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
6. dat de veroordeelde meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Benadeelde partijen
Ten aanzien van feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van 94,98 en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
het bedrag van 94,98 (zegge: vierennegentig euro en achtennegentig cent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 94,98 (zegge: vierennegentig euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 94,98 aan materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2 en 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van 1.829,88 en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
het bedrag van 1.829,88 (zegge: duizend achthonderd negenentwintig euro en achtentachtig cent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.829,88 (zegge: duizend achthonderd negenentwintig euro en achtentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 979,88 aan materiële schade en uit 850,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 18 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. M.E. Joha en mr. O.F. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2026.
mr. M.E. Joha is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.