Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2221

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
253251
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265a BWArt. 1:265c, tweede lid, BWArtikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, die sinds 2014 in een pleeggezin verblijven. De kinderen hebben behoefte aan rust, veiligheid en voorspelbaarheid, en de GI ziet geen passend alternatief zoals een vrijwillig kader of gezagsbeëindiging.

De minderjarigen en pleegouders geven aan dat de kinderen geen contact meer willen met hun moeder, terwijl de moeder juist vaker contact wenst. De samenwerking met de betrokken jeugdbeschermer verloopt moeizaam, wat tot onvrede leidt bij kinderen, pleegouders en vader. De kinderrechter benadrukt het belang van het kind en het serieus nemen van hun stem.

Hoewel niet aan alle wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan, wordt deze toch verlengd voor de duur van een jaar, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van een jaar, ondanks het niet voldoen aan alle wettelijke vereisten, vanwege het belang van rust en veiligheid voor de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/253251 / JE RK 26-332
Datum uitspraak: 7 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Leeuwarden,
over
[naam], geboren op [datum] in Leeuwarden,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[naam], geboren op [datum] in Leeuwarden,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in St.-Jacobiparochie,
[de pleegvader] ,
hierna te noemen de pleegvader,
wonende in Gytsjerk,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende in Mûnein.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • twee afzonderlijke verzoekschriften van de GI met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026;
  • het door de GI nagezonden toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming, ontvangen op 23 maart 2026;
  • een nagezonden brief van de vader met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026.
1.2.
De zitting stond in eerste instantie gepland op 26 maart 2026. Deze zitting is geschorst vanwege een wrakingsverzoek van de vader. De wraking is ongegrond verklaard. De zitting met gesloten deuren is vervolgens op 7 april 2026 voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • de pleegmoeder;
  • de pleegvader;
- [naam] , namens de GI.
1.3.
Ook is de moeder, [naam] , als toehoorder ter zitting aanwezig geweest.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover op 18 maart 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
De pleegouders hebben hun standpunt ten aanzien van het verzoek van de GI op schrift gesteld. Na het voorlezen van hun standpunt hebben zij deze ter zitting overhandigd aan de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 10 april 2026. In diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 10 april 2026.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven, op grond van voornoemde beschikking, in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van de verzoeken voert de GI, samengevat, het volgende aan.
3.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in de eerste periode van hun leven veel meegemaakt. Hierdoor hebben zij extra behoefte aan rust, veiligheid en voorspelbaarheid. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds 2014 in het huidige pleeggezin. Gezien wordt dat zij hier op hun plek zitten en zich hier goed ontwikkelen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een keer in de drie weken omgang met de vader en zij zien hun moeder eens in het kwartaal, onder begeleiding.
3.3.
De GI heeft in het afgelopen jaar onderzocht of de huidige maatregelen nog passend zijn of dat alternatieven, zoals het vrijwillig kader of een gezagsbeëindigende maatregel, meer passend is. De GI ziet hierin geen mogelijkheden. Momenteel staat het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun moeder onder spanning. De kinderen zouden de moeder graag minder willen zien terwijl de moeder de kinderen juist vaker wil zien. Dit is een kwetsbare situatie waarbij de GI nog een belangrijk rol voor zichzelf ziet om de nodige kaders te blijven uitzetten richting de moeder en te kijken wat hierin het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Daarnaast verloopt de samenwerking tussen de vader, de GI en de pleegouders goed en misbruikt de vader zijn gezag niet. De GI vreest dat een beëindiging van het gezag van de vader de huidige samenwerking zal schaden en een negatieve impact zal hebben op de situatie van de kinderen. De GI erkent dat de maatregelen van tijdelijke aard horen te zijn maar is van mening dat de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om iets anders vraagt. De GI vindt daarom een verlenging van de maatregelen nodig en het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

4.De standpunten

[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
4.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben bij de kinderrechter aangegeven dat het goed met hen gaat. Het gaat goed op school, ze hebben leuke hobby's en vinden het fijn om bij heit en mem te wonen. Ook de omgang met de vader verloopt goed. De kinderen hebben verteld dat zij geen contact de moeder meer willen. De kinderen voelen zich niet fijn bij de moeder. Zij hebben dit ook aangegeven bij de betrokken jeugdbeschermer maar hebben het gevoel dat zij hierin niet worden gehoord. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden daarom het liefst zien dat de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd.
De vader
4.2.
De vader stemt in met de verzoeken. De vader zou graag zien dat de situatie blijft zoals die nu is en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het huidige pleeggezin kunnen blijven wonen. De vader heeft verder nog opgemerkt dat hij het vertrouwen in de huidige jeugdbeschermer kwijt is geraakt. Hij had graag gezien dat de betrokken jeugdbeschermer zelf bij de zitting aanwezig was geweest.
De pleegouders
4.3.
De pleegouders hebben ter zitting onder meer aangegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich aanpassen om bij iedere bezoekregeling aan te schuiven, omdat dit door de volwassenen van hen wordt gevraagd. De laatste drie jaar ervaren de kinderen steeds meer weerstand tegen de bezoekregeling met de moeder. Er is in de afgelopen anderhalf jaar een onderzoek ingesteld van Liganta om te onderzoeken of en op welke manier de omgang het beste kan worden vormgegeven. De kinderen hebben tijdens dit onderzoek meermaals bij verschillende hulpverleners en bij de betrokken jeugdbeschermer aangegeven geen omgang met de moeder meer te willen. De kinderen voelen zich niet gezien en gehoord door de betrokken jeugdbeschermer, omdat hier tot nu toe nog niets mee is gedaan. De kinderen raken daardoor het vertrouwen in de hupverlening kwijt. De pleegouders vragen zich ook af hoe lang de kinderen nog over hun persoonlijke grenzen moeten gaan voordat er naar hen geluisterd wordt. De pleegouders hopen dat er op korte termijn duidelijkheid mag komen voor de kinderen over de bezoekregeling.
4.4.
De pleegouders stemmen wel in met de verzoeken, omdat zij inzien dat een vrijwillig kader niet toereikend is. Dit neemt niet weg dat zij het vertrouwen verloren zijn in de betrokken jeugdbeschermer. Dat de betrokken jeugdbeschermer niet aanwezig is bij de zitting is tekenend voor de gehele situatie. De pleegouders missen dat er oog is voor de kinderen. De jeugdbeschermer is niet teruggekomen op de uitkomsten van het onderzoek van Liganta, neemt geen contact op met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij spannende momenten zoals voor of na het gesprek met de kinderrechter en daarnaast hebben de pleegouders het idee dat de belangen van de moeder zwaarder worden meegenomen dan die van de kinderen. De pleegouders hebben verder nog aangevoerd dat een zitting voor veel onrust zorgt bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij vragen zich dan ook af of het nodig is dat er ieder jaar opnieuw een zitting is of dat hiervoor een andere oplossing is die rust geeft voor alle partijen

5.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de wettelijke vereisten van de verlening van de ondertoezichtstelling is voldaan. Hoewel niet aan de vereisten wordt voldaan, zal de kinderrechter de maatregel toch verlengen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter benadrukt dat bij de beoordeling van het verzoek het belang van de kinderen voorop staat. Uit de overgelegde stukken en wat ter zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] extra behoefte hebben aan rust, veiligheid en voorspelbaarheid. Het afgelopen jaar heeft de GI onderzocht of kan worden toegewerkt naar een vrijwillig kader, maar dit is niet mogelijk gebleken. Ook is er gekeken of een gezagsbeëindigende maatregel passend kan zijn. Dit wordt door de GI en de Raad voor de Kinderbescherming niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geacht. Duidelijk is namelijk geworden dat dit voor veel onrust en spanningen kan zorgen waarmee [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast zouden kunnen worden. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de ondertoezichtstelling voortduurt, ondanks dat geen sprake is van ernstige ontwikkelingsbedreigingen en er geen gerechtvaardigde verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zelf kunnen dragen. Nu de belangen van een kind een eerste overweging vormt bij maatregelen die worden genomen over kinderen (artikel 3 van Pro het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind), ziet de kinderrechter desondanks voldoende aanleiding om de ondertoezichtstelling de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar te verlengen. Daarbij merkt de kinderrechter op dat het verzoek niet voor een langere duur toegewezen kan worden, zoals door de pleegouders is verzocht.
5.3.
Ter zitting is verder nog ter sprake gekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich niet gezien en gehoord voelen door de betrokken jeugdbeschermer. Ook de pleegouders en de vader hebben aangegeven dat de samenwerking met de jeugdbeschermer moeizaam verloopt. De kinderrechter acht het daarom van belang dat hierover gesproken wordt, mogelijk in de vorm van een klachtgesprek, om te onderzoeken of de samenwerking tussen de jeugdbeschermer en het gezin verbeterd kan worden. De kinderrechter benadrukt daarbij richting de GI dat nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ouder worden en hun stem duidelijker wordt, dit ook serieus genomen moet worden.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en de opvoeding. [1] Het gaat goed met de kinderen bij de pleegouders thuis en het is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om van verblijfsplaats te wisselen. Daar is iedereen het over eens. Nu een plaatsing van een minderjarige, die onder toezicht is gesteld, gedurende dag en nacht buiten het gezin uitsluitend met een machtiging uithuisplaatsing kan geschieden [2] , zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin toewijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 10 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 10 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. W. Schoo, kinderrechter, in aanwezigheid van [naam] als griffier. De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 20 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
2.artikel 1:265a BW